Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In overname taal speelt godsdienst grote rol

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In overname taal speelt godsdienst grote rol

10 minuten leestijd

In West-Europa bestaan 2 taalfamilies. Het zijn allebei families met een grote of zeer grote hoeveelheid religieuze woorden. Dit zijn de Germaanse en de Romaanse talen, beide onderfamilies van de grote Indo-Europese taalgroep. Bijna alle Westeuropese talen behoren tot een van deze beide families; het Frans, Spaans en Italiaans staan aan de ene kant, het Nederlands, Duits, Engels en Fries aan de andere kant. Bij deze laatste (Germaanse) familie behoren ook de Scandinavische talen. <br />

Zijn er in de woordenschat van al deze volken misschien ook aanknopingspunten naar aanleiding waarvan men ze in een Germaanse en een Romaanse groep kan verdelen? Ja, die zijn er, er is zelfs een klein maar gemakkelijk te onthouden groepje woorden met een religieuze inhoud dat er ons uitsluitsel over geeft of we met een Germaanse of een Romaanse taal te doen hebben. De woensdag, donderdag en vrijdag heten in de Germaanse talen naar Germaanse godheden, resp. naar Wodan, Donar en Freija. (Alleen in het moderne Duits heet de woensdag Mittwoch). In de Romaanse talen dragen diezelfde dagen namen van Romeinse godheden en wel Mercurius, Jupiter en Venus. Deze namen zijn te herkennen in het Franse rijtje mercredi, jeudi, vendredi, in het Italiaanse rijtje mercoledi, giovedi en venerdi. Er is nog een woord dat men als herkenningsteken voor de Romaanse en Germaanse talen kan gebruiken: tegenover God in het Germaans staat in het Romaans Deus, Dios, Dio of Dieu.

Maar het is jammer voor ons, omdat we nu spreken over het ontstaan van christelijke talen, dat het hier allemaal „om namen van oorspronkelijke heidense begrippen gaat. Toch kunnen we juist aan die namen van de dagen nog een klein beetje waarnemen op welke wijze het christendom en de christelijke talen zich in Europa verbreid hebben. Het christendom is het eerst gekomen in Zuid-Europa en daar vindt men dan ook een duidelijke christelijke naamgeving voor de zaterdag en zondag. Die heten in het Italiaans sabato en domenica (Dag des Heeren), in het Spaans en Portugees sabado en domingo, in het Roemeens simbata en dumineca.

Heilig
Als men ook onder de christelijke woorden die in West-Europa gangbaar zijn, een dergelijk makkelijk hulpmiddel meent te kunnen vinden, komt men bedrogen uit. Er zijn er wel die een typisch Germaanse en een typisch Romaanse vorm hebben, zoals we zien bij de woorden voor doop, avondmaal, heilig en hemel. Aan heilig en hemel beantwoorden in het Latijn sanctus en caelum. Binnen de kring van de Germaanse talen ziet men de overeenkomst tussen heilig (Ned. en Duits), holy (Eng.), hillich (Fries) en heiig (Zweeds). Hetzelfde begrip is in het Latijn sanctus, waarvan afkomen santo (Italiaans, Spaans, Portugees), sfint (Roemeens) en saint (Frans). Maar het gebeurt toch ook heel dikwijls dat de Germaanse talen hetzelfde woord gebruiken voor een godsdienstig begrip als de Romaanse. Het is wel te begrijpen hoe dat komt. Want toen het christendom in West-Europa gevestigd werd, moesten er namen voor christelijke begrippen komen en die namen werden in bijna alle Westeuropese talen ontleend aan dezelfde bron, d.w.z. het Latijn en dan speciaal het Kerklatijn of christelijk Latijn, dat in de eerste eeuwen van onze jaartelling te Rome ontstaan is. Zo vinden we het woord kruis, dat in het begin haast altijd betrekking had op Christus' kruis, overal in West-Europa terug. Het komt zowel in de Germaanse talen voor, in het Engels, Duits en Zweeds resp. cross, Kreutz en kryss. Eveneens in de Romaanse, want in het Frans, Spaans en Italiaans is het achtereenvolgens croix, cruz en croce. Al deze termen, die men als bij uitstek christelijk kan beschouwen, komen van het Latijnse crux.

Een dergelijke oorsprong hebben de woorden schriftuur, schrift en schrijven. Want hoe inheems en vertrouwd deze woorden, althans de beide laatste, er voor ons ook uitzien, ze komen alle drie uit het Latijn, namelijk van scriptura, scriptum en scribere. Hiervan werd het werkwoord scribere, schrijven dus, ook wel buiten de kerk gebruikt. Maar scriptum en scriptura kwamen bijna uitsluitend bij christelijke schrijvers voor. (Scriptum, schrift, bestaat niet in alle Westeuropese talen voort, met name niet in het Engels en het Italiaans). Andere Nederlandse woorden die van oorsprong Latijns-christelijk zijn, zijn altaar, paap, pre(di)ken, preek. Uit later tijd dateren: mis, paus, pastoor, pater en de kloostertermen: metten, noen, vesper.

Bijbel
Dan zijn er nog heel veel woorden die wel uit het Latijn komen, maar die we oorspronkelijk aan het Grieks te danken hebben, zoals Bijbel en Evangelie. Die luiden in het Grieks Biblia en Euaggelion. Die werden in het christelijk Latijn weergegeven door Biblia en Evangelium. In deze verlatijnste vorm vonden ze ingang in het Westen. Andere voorbeelden hiervan zijn: apostel, bisschop, christen, diaken, duivel, engel, katholiek, koraal, martelaar, orgel, priester (en prebyter), profeet, psalm. Die luiden in het Grieks: apostolos, episkopos, christianos, diakonos, diabolos, aggelos, katholikos, korallion, marturos, organon, presbuteros, prophètès, psalmos.

Al die woorden zijn door het christelijk Latijn uit het Grieks overgenomen en bestaan thans ook nog voort zowel in de Germaanse als in de Romaanse talen. Als demonstratie daarvan geef ik het bovenstaande rijtje eerst in een Germaanse taal, het Zweeds, en daarna in een Romaanse taal, het Italiaans. Zweeds: apostel, biskop, kristen, diakon, djavul, angel, katolik, koral, martyr, orgel, prast, profet, psalm. Nu de Italiaanse woorden: apostolo, vescovo, cristiano, diacono, diavolo, angelo, cattolico, corale, martire, organo, prete, profeta, salmo.

Een vergelijking van zulke rijtjes is veelzeggend: Onder invloed van het christendom dat via Rome naar het Westen kwam, is er onmiskenbaar een speciaal christelijke woordenschat gegroeid, waar zowel Germaanse als Romaanse talen deel aan hebben. Zij berusten op een Latijnse vorm, die op zijn beurt weer dikwijls uit het Grieks (van kerkvaders of het Nieuwe Testament) is overgenomen.

Volgens de meeste taalkundigen zijn de Romaanse talen voortgekomen uit het Latijn; de Germaanse uit het zogenaamde Gemeengermaans (op dit begrip kom ik straks nog terug). De kern van de Romaanse woordenschat berust dus op het Latijn. Maar de invloed van het Latijn heeft zich allerminst tot de Romaanse talen beperkt, zij heeft zich ook doen gevoelen in de Germaanse talen. Hierboven heb ik reeds een aantal christelijke woorden genoemd, enkele van de voornaamste. Jammer genoeg wordt er door taalkundigen over het algemeen betrekkelijk weinig aandacht geschonken aan deze lange lijst christelijk-Latijnse, of christelijk-Grieks-Latijnse internationale woorden. Daarentegen valt er in vertogen van taalkundigen veel te lezen over de invloed van het Latijn in de tijd van Julius Caesar en de Romeinse Keizers. Toen behoorde heel West- Europa bij het Romeinse Rijk. In die tijd hebben de Romeinen, soldaten, kooplieden, ambtenaren, overal hun Latijnse woorden verspreid: venster (van fenestra), verder muur, kamer, kopen, koken, boter. Zo is West-Europa tot het midden van de 5e eeuw doordrenkt van „werelds-Latijnse" woorden. Onder invloed van de Kerk, o.a. van Leo de Grote, kwamen in de 5e eeuw en daarna veel christelijk-Latijnse woorden.

Middeleeuwen
Toch is er met het bespreken van deze ontleningen aan het Volkslatijn en later aan het Kerklatijn nog lang niet alles gezegd. Want in de vroege middeleeuwen, reeds tijdens de Karolingische Renaissance van de 8e en 9e eeuw, kwam de Europese beschaving steeds meer onder klassiek-Latijnse invloed te staan. Toen werden er, ook alweer in Germaanse en Romaanse talen, woorden aan het Latijn ontleend zoals kroon en regel. (In het Duits, Zweeds, Frans en Italiaans resp. Krone, krona, couronne, corona; Regel, regel, regie, regola. Die kwamen van corona en regula uit het Latijn). In het Oudduits heette een kroon nog geen Krone, maar corona, precies zoals in het Latijn! Zij kwamen goed van pas in een tijd met een toenemende beschaving, waarin het weer nodig werd om van het koningschap en van wetten te spreken. Alweer zien we hier indirect-Griekse invloed, want het Latijnse corona was een zeer oude, voorchristelijke ontlening aan het Griekse koroonè.

De invloed die het Latijn, Zij net indirect, op de Germaanse talen heeft uitgeoefend is in de middeleeuwen nog veel en veel groter geworden door een andere factor. De Franse beschaving kwam tot zeer hoge bloei en door de geweldige ontplooiing daarvan namen de Germaanse volken duizenden woorden over van de Franse: net, juist, precies, kous, kans, mijl, kasteel. (Naar verhouding zijn er zeer weinig godsdienstige woorden bij de ontleningen uit het Frans, en die er nog zijn, zoals feest en toren, liggen meest in de uiterlijke sfeer). Nu is het Frans een Romaanse taal, waarvan de woordenschat grotendeels van het Latijn komt, dus ook hierdoor kwam weer een geweldige toevloed van Latijnse woorden. Uit de late middeleeuwen dateren veel (semi-)wetenschappelijke woorden die we aan het Frans ontleend hebben, zoals mode, miraculeus en motief (miraculoos en motijf schreef men toen). In dezelfde tijd drongen er, ook via het Frans, Griekse woorden onze taal binnen. Het is nodig nog eens te onderstrepen dat er betrekkelijk weinig religieuze termen bij waren: het Frans was meer de taal van de weelde met de woorden zoals luister, dame, roman, paleis.

Het is met de Germaanse en de Romaanse talen dus gegaan als met alle talen en taalfamilies die aan elkaar grenzen: ze hebben elkaar wederzijds beïnvloed. Maar hierbij hadden de Romaanse talen het geweldige voordeel dat hun talen teruggingen tot het Latijn, een taal die op alle mogelijke manieren, vooral ook door middel van de kerk, direct en indirect, een superieure invloed heeft uitgeoefend. Voortdurend zijn er weer nieuwe woorden uit het Latijn genomen om de Romaanse talen te verrijken.

De Germaanse talen daarentegen zijn vermoedelijk uit een gemeenschappelijke begintaal ontstaan, het zogenaamde Gemeengermaans; de taalgeleerden hebben die gereconstrueerd. Dit Gemeengermaans, waarvan niets is overgebleven, kan op het nageslacht dus geen invloed meer uitoefenen en toen de Germaanse talen tot ontplooiing kwamen, namen ze veel woorden over uit het Latijn. Van een „afstamming" op regelmatige wijze, via het Gemeengermaans, van het Indo-Europees, kan men wel spreken bij andere woorden, meest zeer eenvoudige Germaanse woorden, zoals hoofd, hals, hart, acht, negen, tien, vader, moeder. Vooral vroeger beweerden de geleerden bij hoog en bij laag dat ze de klankveranderingen van zulke woorden, van het Indo-Europees af tot het moderne Nederlands of Duits toe, nauwkeurig konden reconstrueren.

Dat is in geen geval zo met de woorden die ik hierboven genoemd heb. Die berusten niet op overlevering van de moedertaal van het ene geslacht op het andere, maar op een andere zeer belangrijke factor, op cultuuroverdracht van de Latijnse (of Romaanse) naar de Germaanse volken, speciaal ook van religieuze termen.

Godsdienst
In alle overnemingen van oude talen en beschavingen speelt de godsdienst een grote rol. Voor zover men dit nog zou kunnen betwijfelen, ondanks al de (Grieks-)Latijnse woorden die in de Germaanse talen binnengedrongen zijn, kan men het ook nog constateren door het Russisch ermee te vergelijken. In Rusland, ver in Oost-Europa, is het Latijn nooit de heersende kerktaal geweest, wel het Grieks. Vandaar dat het Russisch nooit veel woorden uit het Latijn heeft ontleend. Maar aan het Grieks zoveel te meer. Dat kan ook niet anders, want vroeger stonden de godsdiensten in het middelpunt van het volksleven. Dat is met (heidense) Germaanse, Griekse, Slavische en Keltische godsdiensten zo geweest en deze godsdiensten worden door taalkundigen dikwijls bestudeerd om die talen beter te kunnen begrijpen.

Nog belangrijker voor ons is de verchristelijking van de Europese talen via het Grieks en Latijn. Want daarin zien we niet alleen hoe de beschaving zich verbreid heeft, maar ook onze (ware christelijke) godsdienst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

In overname taal speelt godsdienst grote rol

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1983

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken