Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Veel woorden van Griekse oorsprong

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Veel woorden van Griekse oorsprong

10 minuten leestijd Arcering uitzetten

In ons vorige artikel zagen we dat er in de Westeuropese talen zoals die thans gesproken worden twee typen woorden bestaan voor het begrip kerk. In de Germaanse talen lijkt het op ons „kerk"; het meest verbasterd is het Engelse „church". In de Romaanse talen daarentegen bestaat een ander type dat afkomstig is van het Latijnse ecclesia; het meest verbasterd is in de Romaanse taalgroep het (verkorte) Italiaanse woord chiesa (spreek uit kjeeza).

Twee typen woord, één voor de Germaanse en één voor de Romaanse talen, is een normaal verschijnsel. Neem bijvoorbeeld wereld en aarde. In de Germaanse talen lijken die heel erg op elkaar: Engels world en earth; Duits Welt en Erd; Zweeds varld en jord. In de Romaanse talen komen ze af van de Latijnse grondvormen mundus en terra; deze zijn in het Frans uitgelopen op monde en terre, in het Spaans op mundo en tierra, in het Italiaans op mondo en terra. Er zouden honderden, misschien wel duizenden van die begrippen op te noemen zijn, die een speciaal Germaanse en een speciaal Romaanse naam hebben.
Dit is ook het geval met sommige christelijke woorden wanneer die helemaal gelatiniseerd en gegermaniseerd zijn. Avondmaal en Heiland zijn echt Germaanse woordvormen, Cena en Salvator (zelfde betekenissen) zijn echt Latijnse. Het uiterst merkwaardige van het Germaanse kerk e.d. en het Latijnse ecclesia is echter dat ze allebei tot een Grieks woord teruggaan (resp. kuriakon en ekklèsia) en dat het eerste karakteristiek geworden is voor de Germaanse en het tweede voor de Romaanse talen.
Bij de religieuze woorden van de Romaanse talen is het dus net als in het algemeen met de rest van de Romaanse woordenschat: zij zijn afkomstig uit het Latijn.
Maar terwijl de Romaanse talen in praktisch alle sectoren van hun woordenschat tot het Latijn teruggaan, is de situatie bij de Germaanse talen heel anders. Deze hebben hun allereenvoudigste, alledaagse woorden uit het oorspronkelijke Germaans geërfd; maar veel christelijke en wetenschappelijke termen hebben ze uit een voor hen vreemde bron, uit het Latijn, overgenomen. Dit geschiedde mede onder invloed van het christendom.
De Romaanse talen (die dus van het Latijn afkwamen) waren evenals de Germaanse, in het begin van de Middeleeuwen maar heel primitieve taaltjes. Ze werden voornamelijk gesproken door analfabeten, men kon ze uitstekend gebruiken om de zaken van het dagelijks leven te bespreken, waartoe o.a. de landbouw en de oorlog behoorden.

Godsdienst
Natuurlijk hadden de Westeuropeanen zo omstreeks 500 na Chr. een godsdienst. De Germaanse volken waren heidenen; het heidendom was de godsdienst van het verleden. De Romaanse volken daarentegen beleden het christendom, dit was de godsdienst van de toekomst; daardoor spraken zij ook de taal van de toekomst. Daardoor heeft de Latijnse of Romaanse terminologie zich door heel West-Europa verspreid. Zij vond ingang in de Romaanse talen, waar zij goed in paste, maar ook in de Germaanse talen, waarin zij een vreemd element vormde.
Zo is het gekomen dat de Latijnse woorden priester en offeren in de plaats gekomen zijn van de oude Germaanse termen gode en bloten; terwijl een altaar in de Germaanse talen vormen had zoals het Angelsaksische weofod (tempeltafel) en het Gotische hunslastasths (offerplaats).
Als het in de Germaanse talen daarbij gebleven was, als alleen maar de godsdienstige woorden verlatijnst waren, dan zou er wel een geweldige sector van de taal gelatiniseerd zijn, maar dan zouden de Germaanse talen verder hun eigen Germaanse karakter hebben kunnen behouden.
Maar de invloed van het Latijn reikte veel en veel verder. Reeds lang voordat ons land het christendom had aangenomen, maakte het deel uit van het Romeinse Rijk (evenals Engeland en een groot deel van Duitsland). Hele series beschavingstermen zijn toen uit het Latijn in de Germaanse talen overgenomen; voor het bouwen van huizen: muur, kamer, venster; voor de handel: kopen, munt, pond; voor de keuken: kok(en), boter, kaas; de landbouw: peer, pruim, perzik. Alles bij elkaar vermoedelijk enige duizenden.

Latinismen
Met de verbreiding van het christendom kwam een nieuwe stortvloed van deze latinismen. Soms waren die origineel Latijn: prediken, discipel, altaar; soms waren ze door het Latijn weer aan het Grieks ontleend: apostel, profeet, evangelie. Deze religieus-Latijnse woorden zijn heel vaak zowel in de Romaanse talen als in de Germaanse doorgedrongen. De Germaanse talen werden hierdoor weer wat meer gelijk gemaakt aan de Romaanse.
De Westeuropese beschaving kreeg een nieuwe bezieling door de komst van het christendom. Deze beschavende kracht had een grote invloed op de Germaanse stammen, die anders wellicht weer in hun isolement en onwetendheid van de voor-Romeinse periode (de tijd voor onze jaartelling) teruggezakt zouden zijn. Ook de Romaanse talen werden verrijkt. Telkens werden er opnieuw woorden aan het Latijn ontleend om er religieuze begrippen mee aan te duiden.
Want doordat de bovenlaag van de Germaanse bevolking Latijn kende (soms wel zeer onfraai, maar toch in ieder geval een soort van Latijn) bleef het contact met de Latijnse taal bewaard. Dat lag, behalve aan de kerk, ook aan de school, waar toen onderwijs werd gegeven in zeer christelijke zin, speciaal aan toekomstige geestelijken. Merkwaardig genoeg is het woord school, evenals kerk, ook van Griekse afkomst. Over allerlei kleine bijzonderheidjes van school spreek ik thans niet, want die zijn in het laatste onderwijsnummer reeds aan de orde geweest. Hier kan ik alleen opmerken dat „school" in alle Westeuropese talen, via het Latijnse schola, terugreikt tot het Griekse schole, een bijbels woord uit Handelingen 19. Door de scholen werden veel Griekse woorden verlatijnst en zodoende voor West-Europa geschikt gemaakt. Vele daarvan leven nog in allerlei Westeuropese talen, ook in het Nederlands, zoals allegorie, element, embleem, retoriek, zone.

Vulgata
Ook de Vulgata, de omstreeks 400 gereedgekomen bijbelvertaling in het Latijn, maakte een aantal Griekse woorden bekend onder de westerse christenheid. Een mooi voorbeeld van werkelijk moeilijke woorden zijn de namen van edelstenen uit Openb. 21: jaspis, saffier, chalcedon, smaragd, sardónix, saridus, chrysoliet, beryl, topaas, chrysopaas, hyacint, amethyst. Dit zijn de Nederlandse vormen; de namen uit de Vulgata komen er mooi mee overeen: iaspis, sapphyrus, calcedonius enz. evenals de vormen uit de Griekse grondtekst: iaspis, sappheiros, chalkèdoon. Aan deze serie woorden kan men andere van oorsprong Griekse stofnamen toevoegen: purper, mirre, hysop enz.
We hebben, bij het lezen van zulke moeilijke namen, misschien even moeite met ons te realiseren dat we spreken over de geschiedenis van omstreeks het jaar 1000. Waren er toen veel mensen die ze verstonden?
Men moet de Middeleeuwen niet onderschatten. De mensen hadden vaak een grote weetgierigheid. Men kan de intellectuelen van die tijd misschien wel verwijten dat ze zich te veel opsloten in hun studeerkamer, vaak kloostercel. Als zij dan bijvoorbeeld studie wilden maken van de natuur, gingen ze niet die natuur zelf observeren maar namen een boek van Aristoteles of een andere oude Griek, bestudeerden dat uiterst nauwkeurig (in een Latijnse vertaling) en baseerden daar vervolgens hun betogen op. (Dit systeem lijkt erg vreemd, maar ten onrechte, want napraterij en boekenkennis hebben in de wetenschap van alle eeuwen nog veel opgeld gedaan.)

Rechtspraak
Behalve in de schoolse wetenschap en de kerk (met bijbelvertaling) werd het Latijn ook veel gebruikt in de rechtswetenschap. Zeer terecht, want men baseerde de hele rechtspraak op het Romeinse recht. Door Latijn te leren lezen kon men dus de Romeinse wetgevers in hun eigen taal, het Latijn, bestuderen. Enkele woorden die betrekking hadden op het recht of de staatsinrichting zijn: kroon, regel, pact, pacht. Bijna al deze woorden komen ook alweer voor zowel in Romaanse als Germaanse talen.
Hierop aansluitend noem ik een prachtig groepje woorden dat ons in aanraking brengt met het taalgebruik en de religieus-juridische denksfeer van de Middeleeuwen, dat van regel, regeren en regiment. Deze hele groep stamt af van het Latijn, van regula, regere en regimentum. Het Latijnse regula heeft zich voortgezet in de Romaanse talen, als regola in het Italiaans en als reigle in het Oudfrans. Dat het woord in het oude Italiaans en Frans zulke kleine klankwijzigingen ondergaan had, wijst erop dat het een woord was uit de schrijftaal dat zonder veel vormwijzigingen is overgeleverd.
Het Nederlandse woord regel is (evenals het Duitse Regel) een min of meer kerkelijk woord dat direct ontleend is aan het Latijn, in de zin van voorschrift, speciaal kloosterregel. Als kerkelijk woord, als schrijftaalwoord, onderging het weinig veranderingen; in het Middelnederlands schreef men soms zelfs regule, om het nog meer op het Latijnse regula te doen lijken.

Naast dit kerkelijke woord regel kwam het wereldlijke woord regeren. Dit kan ontleend zijn aan het Latijnse regere (richten, (be)sturen; het kan echter ook uit het Frans komen, van régir; dit régir gaat ook weer terug op het Latijn (van regere).
Ten slotte krijgen we regiment (betekende vroeger regering). In het klassieke Latijn bestond regimen (dit wordt in de vorm regime in het moderne Nederlands weleens gebruikt: een communistisch regime). Het klassieke woord regimen werd in het laat-Latijn regimentum, waaruit in het Oudfrans ontstaan is regiment (betekende steeds regering); dit werd in dezelfde vorm en dezelfde betekenis door het Middelnederlands ontleend. We vinden het ook nog in de 16e eeuw, in het Wilhelmus, eind tweede couplet: Dat ick sal wederkeeren In mijnen Regiment.

Maar dit woord regiment is daarna snel in onbruik geraakt. (Het werd toen in het Nederlands vervangen door regering en in het Frans door règne). Toen het goed en wel verdwenen was, heeft het Frans het woord regiment(um) opnieuw ontleend aan het Latijn en de betekenis eraan gegeven van: bepaalde legerafdeling. Dit regiment is in zijn militaire betekenis opnieuw door het Nederlands ontleend en het bestaat nog steeds voort.

Dit verhaal is typerend voor de denksfeer van de Middeleeuwen omdat de leden van de woordgroep zowel op de kerkelijke als de wereldlijke instanties zijn toegepast. Maar het is ook leerzaam voor de talen van de Middeleeuwen. Want telkens als er een nieuwe naam nodig was voor een of ander officieel of kerkelijk begrip, ontleenden de mensen weer opnieuw een woord aan het Latijn, of aan een van de voortzettingen daarvan: het Kerklatijn en het Oudfrans. (Het is vergelijkbaar met de rol van het Engels-Amerikaans in de 20e eeuw). Soms wisten de Nederlanders niet eens goed waar het nieuwe woord dat ze in hun taal invoegden vandaan kwam, uit het Latijn of uit het Frans. (En de moderne taalgeleerden die nauwkeurig de herkomst van een woord willen weten (Latijn of Frans) staan vaak ook voor een raadsel).

Hoe is het Nederlandse woord natuur bijvoorbeeld ontstaan? Komt het van natura (uit een Latijnse tekst), of van nature (uit een Franse tekst)? Het is onmogelijk daarin een uitspraak te doen, evenmin als bij de pen, punt, ons en orde.

De taalgeleerden zijn het onophoudelijk oneens over de detailpunten. Maar dat deze verwarring mogelijk is toont wel aan dat het Frans en het Latijn dezelfde cultuurfunctie vervulden en dezelfde vorm hadden.

Taaicomplex
Het Latijn en het Frans vormden in de Middeleeuwen dus één groot geheel, één taaicomplex, waaraan men voortdurend woorden ontleende, speciaal op godsdienstig en wetenschappelijk gebied. Sommige wetenschappelijke termen zoals probleem en systeem zijn ook Frans-Latijns, maar zij hebben nog een Grieks voorstadium. In het Grieks kende men problèma, dit is in het Latijn overgenomen als problema, dit werd in het Frans problème en problème werd in het Nederlands probleem. Systeem heeft dezelfde weg afgelegd, van het Griekse systèma via het Latijnse systema en het Franse système tot het Nederlands systeem. Dit voert ons terug tot de Griekse oorsprong die aan veel van de woorden uit onze taal ten grondslag ligt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1983

Reformatorisch Dagblad | 34 Pagina's

Veel woorden van Griekse oorsprong

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1983

Reformatorisch Dagblad | 34 Pagina's