Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christendom door Noormannen aan andere volken doorgegeven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christendom door Noormannen aan andere volken doorgegeven

Het ontstaan van christelijke talen (XIII)

10 minuten leestijd

Hebben de oude Noren of Noormannen nog enige betekenis gehad voor het verbreiden van het christendom en van christelijke termen? (In een vorig artikel heb ik dat beweerd en verteld dat ze hun woord kirkja, d.w.z. kerk, door een groot deel van Noord-Europa hebben verspreid.) Dit lijkt ons, als Nederlanders, misschien wat onwaarschijnlijk, omdat ze in jaartallenlijstjes dikwijls vermeld worden onder het jaartal 810-1010: Invallen der Denen en Noren (of Noormannen).

We weten ook dat hun rooftochten, met moorden en brandstichtingen, werkelijk verschrikkelijk zijn geweest. Zij zijn ook vrij laat gekerstend en toen zijn hun invallen ten slotte opgehouden. De Noormannen schijnen dus hoogstens, ongeveer als laatste Europeanen, het christendom in hun land ontvangen te hebben en door het christendom bedwongen te zijn. Dat zij echter het christendom doorgegeven hebben van het ene volk naar het andere, dat komt ons veel onwaarschijnlijker voor. En toch is het zo!
Maar is er nog een moeilijkheid. Zoals ik in mijn vorige artikel al schreef is het woord kirk(ja) van het Engels, via het Noors, naar het Fins gegaan. Weten we eigenlijk wel zeker dat het juist in deze richting gegaan is? Waarom niet in omgekeerde richting, van het Fins, via het Noors, naar het Engels? Dat had toch ook gekund en hoe kunnen we weten hoe het proces verlopen is? Hetzelfde geldt voor andere christelijke woorden; waarom reizen die van taal A naar taal B en niet omgekeerd, van taal B naar taal A?
Een van onze lezers verwondert zich hierover. Hoe kunnen we weten dat het christendom van Engeland naar Duitsland gegaan is en niet van Duitsland naar Engeland? Hij vraagt of er voor de verspreiding van woorden in het algemeen geen bepaalde regels te geven zijn. Mocht dat het geval zijn, dan zouden we er enig inzicht door kunnen krijgen in de wijze waarop de christelijke beschaving zich heeft verbreid.

Zending
Wanneer we uitgaan van het woord kirk(ja) en van de Noren, hebben we een paar geschikte aanknopingspunten om in deze materie enig inzicht te krijgen. Eerst moeten we een algemene opmerking maken over de Denen en de Noormannen. Die hebben namelijk een cultuurkracht van grote betekenis gevormd. Op hun tochten beperkten zij zich er niet toe kloosters en koopsteden langs de kusten van West-Europa leeg te plunderen, maar zij stichtten zowel voor als nadat zij tot het christendom overgegaan waren ook veel koloniën, vaak op eilanden, zoals Ierland, Sicilië, IJsland, en kleinere eilanden: de Shetland Eilanden, de Orkaden en de Faröer. Sommige van de door hen gekoloniseerde gebieden dragen ook thans nog de namen van de Denen of Noormannen: Danelaw en Northumberland in Engeland, Normandië in Frankrijk. Vooral dank zij Northumberland is hun invloed op het middeleeuwse Engels enorm groot geweest; zij bestaat trouwens nog steeds voort.
Dat de Noren, een volk met zulke kwaliteiten, meegeholpen hebben het christendom en christelijke woorden te verbreiden, is niet zo vewonderlijk; bijzonderheden daarover kan men lezen in werken van taalkundigen. Ook geven die dikwijls tot in bijzonderheden aan, om welke woorden het ging. Maar het was dan natuurlijk wel nodig dat de Noren eerst zelf christenen werden. Wanneer dit gebeurd is, kunnen we lezen in de kerkgeschiedenis.
De zending in Scandinavië is niet pas begonnen tegen het jaar 1000, maar omstreeks 820. Lang niet alles kwam echter voort uit godsvrucht of idealisme. In het Deense Jutland dat toen nog heidens was, waren twee koningen die dongen naar de macht. Een van hen zocht steun bij Lodewijk de Vrome, koning van het Frankische Rijk. Lodewijk was alleen maar bereid die hulp te verlenen als de nieuwe koning christen zou worden. Deze bewilligde daarin, liet zich dopen in Mainz en ging toen op veroveringstocht naar Jutland. Hij werd vergezeld door een geestelijke, een zekere Ansgar, die door zijn prediking de Jutten tot het christendom moest bekeren. Deze expeditie, zendingsreis en veroveringstocht tegelijk, had zowel gunstige als ongunstige resultaten: er kwamen vrij veel bekeerlingen, maar andere Denen, die heiden bleven, ondernamen een wraaktocht tegen Noordduitse handelssteden, waar Ansgar dikwijls verblijf hield. Ansgar was bisschop van Hamburg en hij gebruikte deze Noordduitse stad als zijn operatiebasis. Veel van Ansgars helpers waren dus Duitse kloosterlingen, zodat het christendom in Denemarken werd gepredikt doorspekt met Duitse, speciaal Nederduitse termen.

Diepe sporen
Scandinavië heeft het christendom echter niet alleen aan Duitse zendelingen te danken. Volgens prof. Jan de Vries is er ook veel werk verricht door Engelse zendingsarbeiders. De Duitsers werkten volgens De Vries vooral in Denemarken en Zuid-Zweden, de Engelsen iets noordelijker; zowel de Engelsen alsook de Duitsers lieten diepe sporen na in de taal. Toen de gebieden die christelijk werden, zich steeds uitbreidden, liepen ze hoe langer hoe meer in elkaar over. Het is dus, zelfs voor gespecialiseerde historici, dikwijls moeilijk uit te maken welke Duits-christelijke en Engels-christelijke gebieden en invloeden er waren in Scandinavië.
Daar komen nog verschillende verwarrende factoren bij. Want van veel leenwoorden is het moeilijk uit te maken waar ze vandaan komen. Neem nu bijvoorbeeld Oudnoorse vormen zoals kross (kruis) en predika (prediken). Zijn die van het Oudengels direct in het Oudnoors overgegaan? Of is kross eerst een Fries woord geworden en van het Fries in het Noors overgegaan? In veel gevallen bestaat twijfel over de juiste bijzonderheden, maar dat er veel Engelse woorden via het Noors, Fries of Saksisch naar het oosten zijn doorgedrongen is zeker.
Hoe groot nu de invoed van het Oudengels op het Noord en speciaal ook van de christelijke termen die in het Engels bestonden, is, kan men enigermate terugvinden in werken van taalkundigen. Ik baseer me hiervoor op het in 1959 verschenen Etymologisch Woordenboek voor het Oudnoors (Altnordisches Etymologisches Wörterbuch) door Jan de Vries. De Vries geeft in zijn inleiding heel lange lijsten die door het Oudnoors aan andere talen ontleend zijn en omgekeerd. Soms zijn die door andere talen ontleend aan het Oudnoors. Soms zijn die lijsten heel klein: voor het Fries noemt hij bijvoorbeeld 3 woorden die de Friezen (misschien) overgenomen hebben van de Noren en 19 woorden die de Noren (misschien) overgenomen hebben van de Friezen. Heel wat intensiever zijn de contacten en daardoor ook de uitwisselingen van woorden met Engeland geweest. De Vries somt 1018 woorden op die de Engelsen aan het Noors ontleend hebben. Daaronder zijn 118 persoonsnamen en slechts 25 twijfelgevallen. (De meeste daarvan bestaan in het moderne Engels niet meer, maar het aantal is toch onvoorstelbaar groot). Het aantal ontleningen in omgekeerde richting, die het Noors dus aan het Engels ontleend heeft, is veel geringer: volgens de lijsten van De Vries zijn het „slechts" 262 woorden, waarvan hij er 97 „onzeker" noemt.

Invloed Noors en Engels
Terwijl de Noorse invloed op het Engels veel groter geweest is dan de Engelse invloed op het Noors, tekent De Vries hierbij aan dat de verhouding in de zeer vroege middeleeuwen, in de tijd dat de Noren tot het christendorn overgingen, juist omgekeerd was. Toen namen de Noren veel woorden over van de Engelsen, d.w.z. van de Engelse zendingsarbeiders.
Heel veel van die woorden zijn dan ook echt christelijke termen, bijvoorbeeld: abbadis, aboti, balsemr, biskup, djakn, engill, erkibiskup, fasta, funtr, guthspjall, kapellann, kirkja, klaustr, klerkr, krisma, kristna, kristr, munki, non, nunna, offra, prestr, papa, profasti, salmr, saltari, skarlat; (abdis, ambt, balsem, bisschop, diaken, engel, aartsbisschop, vasten, doopvont, evangelie (vgl. het Engelse gospel), kapelaan, kerk, klooster, klerk, heilig oliesel, kerstenen, christen, monnik, noen, non, offeren, priester (beide geen heidense, maar christelijke woorden), paus, profeet, psalm, psalter, scharlaken).
Bij de meeste van deze woorden is het met behulp van Engelse woordenboeken vrij gemakkelijk na te gaan dat overeenkomende vormen in het Engels nog bestaan, of althans vroeger bestaan hebben; verder bestaan de meeste ervan ook voort in het moderne Noors en Zweeds.

Kirkja
Het grote aantal van deze ontleningen, waarbij men vooral moet letten op het woord kirkja, is een bewijs dat de Engelsen, in dit geval de Engelse zendelingen, een onuitwisbare invloed op de Noorse beschaving en de Noorse taal hebben uitgeoefend. Het is echter wel noodzakelijk er rekening mee te houden dat het woord voor kerk in het Oudengels ongeveer als kurk of kirk werd uitgesproken, bij dit kirk sluit de Oudnoorse vorm kirkja aan; de moderne Engelse uitspraak church is pas veel later ontstaan.

Juist dat woord kirkja is ontzettend belangrijk voor ons. Want in deze vorm hebben de Noren het doorgegeven aan de Finnen, Esten en Lappen. Dat kan men alweer zien in het Etymologische Woordenboek van De Vries. Deze auteur geeft lange lijsten van woorden die door het Estisch, Fins en Laps zijn ontleend aan het Oudnoors; ruim 100 voor het Estisch, ruim 400 voor het Finse en ruim 800 voor het Laps. Alle drie deze volken zijn in de 12e en 13e eeuw vanuit het westen, onderworpen en gekerstend. Toen hebben ze ook het woord kirkja uit het Oudnoors overgenomen.
De stoot is dus uitgegaan van Engeland en van Noorwegen (en Denemarken) uit heeft het christendom zich verder verbreid, vooral naar het oosten.

Maar de taalkundige betekenis van het christelijke Engeland is niet beperkt gebleven tot Scandinavië. In ons land en Noord-Duitsland heeft zij zich eveneens doen gevoelen en bestaan zij zelfs nog voort tot op heden. Want ook de Friezen en de Saksen in het tegenwoordige Nederland en een deel van Noord-Duitsland, waar Nederduits of Saksisch gesproken woord, zijn grotendeels gekerstend door Angelsaksische zendelingen. Willebrord en Bonifacius zijn de bekendste van hen. Ook zij hebben Engels-christelijke woorden naar onze streken gebracht, maar in veel gevallen is het onbekend welke dat zijn en kunnen ze ook wel uit andere bronnen komen dan uit Engeland.

Sonnabend
Maar er is één zeer karakteristiek woord in het Noordduits dat wel ongeveer zeker van Engels-christelijke herkomst is. Volgens het etymologisch Woordenboek (of Herkunftswörterbuch) van Duden is dat Sonnabend. Duden schrijft dit woord toe aan de Angelsachsische Mission, speciaal aan Bonifacius. Nu kende Bonifacius uit zijn eigen taal voor de zaterdag de benaming Sunnun-aefen, eigenlijk een inkorting van Sunnundaeg-aefen, d.w.z. Vooravond van de zondag. In en beetje verduitste vorm werd dit door Bonifacius' bekeerlingen uitgesproken als Sunnunaband, later Sunabent, Sonnabend.
Maar in Bonifacius' tijd bestond er onder de Zuidduitse christenen reeds een andere naam voor de zaterdag. Aangezien de zaterdag de zevende dag van de week is, de sabbat van de joden, noemden ze die Sambaztag, sabbatdag. (Let wel: deze naam Sambaztag is nooit toegepast op de zondag; die heette voorheen in Europa Dag der Zon (Zondag) of Dag des Heeren). Later is dit Sambaztag ingekort tot Samstag. Zodoende zijn er in het Duits twee woorden ontstaan voor de zevende dag van de week: Samstag (vooral in het zuiden) en Sonnabend (vooral in het noorden). Want onder de hierboven geschetste Engelse invloed is Sonnabend blijven bestaan.
Dit Sonnabend is maar een voorbeeldje. Maar het helpt ons zien hoe groot de Engels-christelijke invloed geweest moet zijn, ook op de talen van onze streken. Engeland stond ongeveer aan het begin van de christelijke invloed, men kan zelfs zeggen van de katholieke, van de niet-ariaanse invloed. (Op deze bijzonderheid wil ik de volgende keer terugkomen).
Wat was er echter geweest vóór Engeland; het christendom was toch niet in Engeland begonnen? Het is niet mogelijk daarop een bevredigend antwoord te geven, men kan niet zomaar zeggen: de christelijke woorden komen uit het Grieks (of het Latijn). Als men daar werkelijk een redelijk antwoord op wil geven (wat ik de volgende keer wil doen), dan moet men rekening houden met nog meer factoren. Juist wat ik hierboven gezegd heb over woorden zoals kirkja en Sonnabend geeft ons daarbij een mooi aanknopingspunt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 16 December 1983

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Christendom door Noormannen aan andere volken doorgegeven

Bekijk de hele uitgave van Friday 16 December 1983

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken