Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In de

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

In de "Franse Nederlanden" kwijnt de Vlaamse cultuur

Duinkerken eert nog zijn Leughenaer en kaperhoofdman....

9 minuten leestijd

Waar ben ik? Nogmaals de slaperige ogen uitwrijven en opnieuw in de krant lezen: Rosendaël, Zuydcoote, Hondschoote, Bollezeele, Wormhout, Steenvoorde, Westcappel. Kennelijk plaatsnamen, maar onbekend in het rijtje van Roodeschool tot Valkenburg (L.). Wat verder lees ik eigennamen: Vandenberghe, Vandamme, Demol, Devos, Depuyt, Weerbrouck, Vanhove, Boone, Claessens en mevr. Bonduel, „weduwe van Jan Bouduweel".

Toch weet ik zeker, de vorige avond de grens tussen de Belgische provincie West-Vlaanderen bij Adinkerke te hebben overschreden. Dus dit is Frankrijk en ik ben in Duinkerken, verfranst tot Dunkerque en vlak bij Coudekerque. Het is weer even wennen; zeven jaar geleden was ik hier ook, maar in mijn herinnering is er weinig veranderd. Het standbeeld van de beruchte kaperhoofdman Jean Bart staat nog op „zijn" plein en de Rue du Leughenaer is nog niet veranderd in Rue du Menteur.

On-Franse Westhoek

Maar de kennis van onze Nederlandse taal — althans een Vlaamse variant daarop — zal in deze streek van Frankrijk, de Westhoek, nog wel verder zijn teruggelopen. Het centrale ministerie van cultuur in Parijs — van een minister met de weinig Frans klinkende naam Jack Lang — zal er weinig aan doen om deze uithoek cultureel te verheffen en zal helemaal niet bepaalde uitingen van „onFrans" regionalisme ondersteunen. En inderdaad, de streek waar ik mé bevind is vanouds on-Frans: het is Frans Vlaanderen, het is een deel van de Franse Nederlanden.

Duinkerken behoort al sedert Lodewijk de Zonnekoning aan Frankrijk, maar tot pim. 1810 was het Vlaams nog de enige taal van stad en streek. De Franse Revolutie heeft er echter veel werk van gemaakt om de sporen van het Nederlands en de Vlaamse cultuur uit te wissen. De tijd werkte in het voordeel van deze verfransing. Zo kon Jan Baert verbasterd worden tot Jean Bart en dat is meer dan een louter taalkundige kwestie.

Liegende mistlamp

Maar waarom dan nog die Leugenaarsstraat in Duinkerken? Die heet, zegt men, naar een vuurtoren met kwalijke eigenschappen. Deze mistlamp was namelijk niet bedoeld om in vroeger eeuwen de schepen te behoeden tegen zandplaten en rotspunten, maar juist om ze misleidenderwijze vast te laten lopen buiten de diepe vaargeul. Weliswaar was de toren gericht tegen vijandige indringers. Maar er is — gezien het kapersverleden van de stad — alles voor te zeggen dat men de toren bewust in stand gehouden heeft om ook brave koopvaarders in het vangnet te lokken....

Tijger en Baert

In elk geval is genoemde Baard (Bart, Baert) zo ongeveer waarmerk en volksheld van de stad. Zijn gedenksteen en die van zijn vrouw Maria-Jakelijne Tugghe vindt men in de vlakbij gelegen St. Eloi- of Eligiuskerk aan de straat genoemd naar Clémenceau (alias de Tijger), Frankrijks premier in de Eerste Wereldoorlog. Die straat doorsnijdt gelijk het Utrechtse Domplein de kerk; de toren ervan is nu het Belfort van Duinkerken.

Die vreemde scheiding tussen kerk en toren was niet het gevolg van natuurgeweld, zoals in Utrecht, maar van de wens — al in 1784, nog voorde Revolutie kerk en geestelijkheid massaal vernielde — om een straat tussen stad en haven rechtdoor te laten lopen. De huidige Rue Clémenceau was dus twee eeuwen terug ook al een belangrijke verkeersader. Ik wandel hem af en op, te beginnen bij het 58 meter hoge Belfort, dat met zijn vrolijke klokkenspel (een lied gewijd aan Jan Baert die ooit onder onze Michiel de Ruyter diende, maar in 1674 de marine van Lodewijk XIV versterkte) mij 's nachts uit de slaap houdt. Uiteraard, want m'n hotel „De Tijger" ligt tegenover de toren.

Beuken in puin

Ondanks de roemruchte historie van Middeleeuwen tot „Operatie Dynamo" op het strand in mei 1940 (waarbij de gecapituleerde Geallieerde troepen zouden worden overgebracht naar Engeland, wat zware verliezen betekende) is er in Duinkerken niet zoveel historisch waardevols bewaard. Dat is niet verwonderlijk: wel driekwart van de stad lag na 1940-'45 in puin, waarbij ook de vijfbeukige St. Eligiuskerk het slachtoffer werd. De herbouw is tamelijk geslaagd. Maar veel oude gebouwen die nog min of meer oorspronkelijk zijn telt de stad niet. Ik sta voor het stadhuis, eveneens met een Belfort (van 75 meter hoogte), maar dat is pas tegen 1900 gebouwd in de Vlaamse neo-Renaissancestijl. De namen van architect en aannemer staan met grote letters in gevelstenen bezijden de hoofdingang. Gelijk hebben ze: die twee mannen zijn natuurlijk belangrijker dan zo'n eerste steen leggende burgemeester die men gewoonlijk aldus pleegt te eren...

Vlaamse „geest"

Ja, en dan is er die Leugenaarstoren uit de 14e eeuw, er is de havenpoort uit de late 17e eeuw, er zijn nog een paar kerken of kapellen, een museum en een Brits oorlogsmonument voor „Operatie Dynamo" en dan heb je het wel gezien. Maar belangrijker is misschien het Duinkerken van de „geest": van de letteren en de schone kunsten. Al in 1447 speelde de eerste bekende beiaardier. Jan van Beveren, hierop het carillon.

Hier was de Nederlandstalige heelmeester, dichter en schrijver Michiel de Swaen prins van de rederijkerskamer Sint-Michiel. Hier werkte de schilder Jan van Reyn, leerling van Anthonie van Dijck en hier ook publiceerden diverse Frans-Vlamingen hun (Franstalige, dat wel!) boeken over Zee-Vlaanderen, Frans-Vlaanderen, Vlaamse legenden. Onze taal, Duinkerken Vlaamse stad, enz. In deze stad speelde het eerste boek van Jules Verne, „Duinkerkse verloofden".

Verder kent de stad in folklore en feest een grote reuzenfamilie met figuren als Roland, Hallewijn, Goliath, Samson, Pietje, Boutje en Meisje.

Frans-Vlaanderen

Nu is Duinkerken slechts een van de vele „Nederlandse" steden en stadjes in het wat grillig gevormde departement van het Noorden. Maar de Franse Nederlanden zijn veel omvangrijker (geweest). Die strekten zich uit van deze Westhoek en Rijsels Vlaanderen tot aan gebieden als Ponteland, Artezië, het Kamerijkse, Vermandland en Tierasse. Die namen vindt u op geen enkele Frénse kaart. Evenmin steden als Heusden, Atrecht, Kamerclijk, Dowaais en Grevelingen of rivieren als de Leie, de IJzer of de Schelde.

Het heet in deze departementen Nord en Pas de Calais (Nauw van Calais) gewoon o.m. Artois, Cambrai, Hesdin, Arras, Douai en Gravelines en de waterlopen Lys, Yser en Escaut. Een enkele oude naam heeft men verbasterd gehandhaafd: Hazebrouck, Bourbourg (Broekburg), Bollezeele. Maar wie weet nog dat Boulogne-sur-Mer ooit Bonen heette en wie hoorde ooit dat kruisridder Gotfried van Bouillon niet naar Bouillon heette, maar naar Bonen (Boulogne)?

Levende taal?
En wilde u toch Vlaams spreken in Frankrijk? Volgens een gidsboek van de Vlaamse Toeristenbond kon dat twintig jaar geleden nog in Coudekerque. Ü komt er doorheen vanuit het Vlaamse Veurne via Adinkerke naar Dunkerque. Maar ik verzeker u dat dit eventuele Westvlaams zeker niet veel simpeler verstaanbaar is dan het officiële Frans. Onze (?) taal leeft nog wel, maar dan vooral in organisaties als de stichting „Ons Erfdeel", het Algemeen Nederlands Verbond, de vereniging/stichting Zannekin e.d. met publikaties als Jaarboek „De Franse Nederlanden", Neerlandia, Jaarboek Zannekin etc.

De belangstelling voor het erfgoed neemt toe, maar van een gelijkwaardigheid van het Vlaams is in deze Franse departementen geen sprake. Dat mag u niet beletten om dftmaal eens een korte vakantie — eventueel op doorreis naar zuidelijker streken — in dat oude gebied der Franse Nederlanden door te brengen.

Sint Winok in 't moeras..

Neem bijvoorbeeld Duinkerken als vertrekpunt en zet koers, al of niet via de autosnelweg, richting Lillc dat we nog kennen als Rijsel. Neem eerst de landelijke weg langs het Kanaal naar Bergues en trek wat tijd voor dit lieflijke landstadje dat St. Winoksbergen heette, een tien km van Duinkerken boven de moeren (moerassen) van laag Vlaanderen. De oorsprong van de stad is de abdij die de monnik Winok, zoon van een koning van Bretagne, in de 7e eeuw grondde op de Groene Berg temidden van moeras en zee. Meer dan een kloostertje was het in Winoks dagen nog niet, kluis en stadje groeiden echter uit tot een voornaam centrum van kunst, wetenschap en religie. Maar tijdens de Franse Revolutie ging de abdij eraan en wat toen en nu nog restte is de grote vierkante Blauwe Toren en de latere spitse Piektorre en een toegangspoort met aardige parkaanleg.

Wormhout en Steenwerck....

Men heeft hier een fraai uitzicht op het stadje Bergues met mooi belfort dat na de oorlog is herbouwd in oude stijl en de dichtbij gelegen tweebeukige St. Maartenskerk. Ook het blauwmarmeren stadhuis, het museum en de bibliotheek (met veel bezit uit de vroegere Winoksabdij) zijn een bezoek waard, terwijl een stadswandeling langs poorten en vestingwerken (van Vauban), over wallen en bij waterpartijen laat zien dat ook andere vestingsteden in de Nederlanden dan Naarden, Heusden of Bourtagne toeristische trips volop rechtvaardigen.

Men kan dan op weg naar Steenvoorde onderweg Wormhout en Esquelbecq (Ekelsbeke) aandoen of verder zuidwaarts Mont Cassel, Hazebrouck of via de snelweg na Steenvoorde — door de licht glooiende Vlaamse Bergen — Méteren, Bailleul, Steenwerck, Armentières én dan Lille.

Die grote stad — waarvan de Franse premier Pierre Mauroy tevens burgemeester is — houdt u zeker een dag bezig: stedeschoon, uitgebreid winkelen in het binnenstads wandelgebied, verrukkelijk eten en drinken voor wie niet wil volstaan met stokbrood of pommes frites. En snuffelen tussen oude boeken en tijdschriften op de binnenplaats van de Oude Beurs.

Stad van de Gaulle

Geniet ook van de bouwkunst van Nieuwe Beurs en Grand Theatre (beide van Cordonnier die in Duinkerken het stadhuis bouwde), van het neoVlaamse stadhuis, tal van kerken, forten en poorten en probeer te zien dat er in Lille/Rijsel in elk geval heel wat versteende sporen van de Nederlanden zijn te vinden.

Maar niet alleen daarvan, want in deze stad werd in 1890 ook de man geboren die Frankrijk in onze eeuw zijn oude „grandeur" trachtte te hergeven: generaal Charles de Gaulle. Begrijpelijk dat de Grote Markt nu Ch. de Gaulle-plein heet en niet is vernoemd naar twee grote Vlaamse burgers van het 16e-eeuwse Rijsel: Jan en Pieter Moerentorf of Moretus. schoonzoons van Plantijn en later beroemde bijbeldrukkers in Antwerpen...

En die laatste informatie werd me ook niet verstrekt door een Franse, maar door een Vlaamse gids. Want de Franse toeristendiensten lopen er bepaald niet mee te koop dat de streek van Nord en Pas de Calais zo'n Nederlandse historie heeft!

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1984

Reformatorisch Dagblad | 38 Pagina's

In de

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1984

Reformatorisch Dagblad | 38 Pagina's

PDF Bekijken