Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Koloniale

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Koloniale" auteur Nieuwenhuys kreeg (erg laat) eredoctoraat

Indonesië op voorgrond bij Leidse diesviering

5 minuten leestijd

"In uw vijfvoudige bezigfieden iiebt u eminente verdiensten. U was en bent zeer uitstekend bezig als wetenschappelijk onderzoeker, als goeroe (leraar), als verzamelaar, als publicist en als romanschrijver. U hebt het „Tempo Doeloe" onnavolgbaar beschreven. U hebt in drie vaderlanden geleefd: in Nederlands-Indië, in Nederland, maar ook in het latere Indonesië hebt u goed gewerkt hoewel u met alle vezels verbonden was aan het oude Indië van de vergeelde portretten".

Die lof en nog veel meer kreeg dezer dagen de schrijver en publicist Rob Nieuwenhuys (geb. 1908) te horen tijdens de plechtige viering van de 409de dies natalis der Leidse universiteit. In deze zitting in de Pieterskerk werd hem het eredoctoraat in dé letteren toegekend voor zijn vele - en ook door anderen als uitmuntend gewaardeerde - werkzaamheden om de geschiedenis en de letteren van het vooroorlogse Indië in ons land grote bekendheid te geven. Dat deed Nieuwenhuys ook als romanschrijver, o.m. onder zijn schuilnaam E. Breton de Nijs.

Droom en daad

De waardering werd Nieuwenhuys toegedicht door prof. dr. A. Teeuw, die als hoogleraar in de Indonesische en Maleise taal- en letterkunde bij het besluit van de universiteit in juni vorig jaar was aangewezen als zijn erepromotor. Teeuw wees ook op de betekenis van Nieuwenhuys voor de Nederlandse letterkunde. Zo stelde hij o.m. een bloemlezing van Huygens' gedichten samen.

In het oude Indië zag Nieuwenhuys al de nieuwe ontwikkelingen die ook volgens hem móesten komen en die leidden tot het ontstaan van Indonesië, aldus prof. Teeuw. Hij ging in op diverse publikaties van Rob Nieuwenhuys en roemde diens bekende „Oost-Indische Spiegel" ook als wetenschappielijk werk.

„Maar u bent een man van twee werelden: van de droom en de daad. Centraal in al uw werk staat dat u houdt van mensen. Literatuur is voor u conversatie, omgang met mensen. Daarbij hebt u veel zelfspot en de neiging om „doe maar gewoon" te zeggen. Toch „doet" dit ritueel van de erepromotie u wel veel", aldus Teeuw die de 75-jarige „jonge doctor" de tekenen van zijn waardigheid omhing.

Staat van dienst

Ondertussen vroegen wij ons af waarom dit eredoctoraat dan zo lang op zich. liet wachten als men de staat van dienst van Nieuwenhuys op het terrein van Indië bekijkt. Hij werd op 30 juni 1908 in Semarang geboren - op zich geen verdienste... - en bezocht de HBS in Soerabaya. Daarna studeerde hij in Leiden Nederlandse letteren, waarna hij in Ned. Indië leraar was.

Aan de toen opgerichte faculteit te Batavia werd hij lector Nederlands en naderhand in de republiek Indonesië ambtenaar voor culturele zaken op het departement van onderwijs. In die tijd ontplooide hij tal van literaire nevenactiviteiten en publicitaire arbeid. Vanaf ly53 tot 1963 was hij - met een onderbreking van een paar jaar voor een studie die hij met steun van ZWO verrichtte - leraar Nederlands in Amsterdam.

Serdert 1963 tot zijn pensionering in 1973 was Rob Nieuwenhuys medewerker aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, waarvan hij de afdeling geschiedenis van Nederlands Indië op poten zette.

Oost-Indische Spiegel

Voor de historie van de koloniale vaderlandse literatuur is zijn in 1972 verschenen „Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste, jaren der Compagnie tot heden" nog immer een veelgeprezen standaardwerk, „tegelijk story èn history", zei prof. Teeuw.
Andere bekende werken van Nieuwenhuys over Indië zijn de „Vergeelde portretten" uit 1954 (waarin hij, zelf voortkomend uit de koloniale heersende klasse, zowel het heimwee naar het verloren gegane als het besef van het nieuwe dat komen moest onder woorden bracht). In 1959 verscheen zijn boek met essays waarin ook dit ambivalente tot uiting kwam: „Tussen twee vaderlanden", in 1961 gevolgd door het fotoboek „Tempo Doeloe" ,pn- na.derhand nog door enkele t)iografieën en een viertal bloemlezingen.

Het lag voor de hand dat de promotieplechtigheid ,ook werd bijgew-oond door een aantal Indonesiërs, die ook anderszins op deze dies aan hun trekken kwamen. De diesrede werd namelijk uitgesproken door prof. dr. P. E. de Josselin de Jong, hoogleraar in de culturele antropologie, met name van Zuidoost-Azië en het Zuidzeegebied. Zijn thema was „Waarnemer en waargenomene: wie is wie?" en hij ging daarbij vooral in op de recente ontwikkelingen binnen zijn vakgebied der volkenkunde.

Vroeger was dat - ruwweg aangeduid - een studie door westerse geleerden van vreemde volken en culturen. Maar in die vreemde culturen is het vak nu ook zelf tot ontplooiing gekomen. Keek de westerse wetenschapper naar het woor.d van Claude Lévi-Strauss als een astronoom met een verrekijker naar de te bestuderen volken of groepen, de huidige Aziatische culturele antropoloog is zowel waarnemer als deelnemer.

Binnenwaartse blik

De Josselin de Jong maakte dat vooral duidelijk aan de hand van enkele jongere (en één oude) Indonesische geleerden die de combinatie van wetenschappelijk onderzoeker èn tegelijk voorwerp van dat onderzoek in zich verenigen en daarin welbewuste keuzen doen. Tot voor kort was de volkenkunde van Indonesië trouwens sterk gericht op het eigen land en zelfs op de eigen etnische groepen: de Minangkabauers bestudeerden (slechts) Minangkabau, de Ambonese geleerden Ambon etc.

Daarin begint echter nu verandering te komen door het zogeheten Pencangkokan-programma, waarbij Indonesische wetenschappers in het kader van een cultureel akkoord met ons land enkele jaren post-doctorale studies in 'Nederland verrichten en materiaal voor hun proefschrift verziamelen.

Zo keren zij, geschoold als wes terse volkenkundigen, terug naar hun land en streek en deze tweceenheid van waarnemer èn deelnemer werd door prof. De Josselin' de Jong als erg vruchtbaar erva-^ ren. Hij gaf voorbeelden van deze wetenschap in Azië aan de hand van onderzoekingen in India, Japan, Maleisië en vooral Indonesië.

Japans droomland

Waarom er zoveel Japanse antropologen onderzoek verrichten in Indonesië trachtte de hoogleraar zó te verklaren: velen in Japan, ook in de wetenschap, blijken een merkwaardig romantisch verlangen te koesteren naar een land van herkomst der Japanners. Dit (vermeende?) land zou ergens in het Zuidzeegebied liggen en de prehistorische basis van het Japanse volk vormen. De Japanse interesse in Indonesië zou nu met deze. vraag naar de herkomst te maken kunnen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 februari 1984

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

„Koloniale

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 februari 1984

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken