Bekijk het origineel

De dauw uwer jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De dauw uwer jeugd

5 minuten leestijd

„Uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn." Psalm 110:3

In deze schone oosterse beeldspraak vergelijkt de Heere door de mond van de dichter Zijn volk met de morgendauw bij het aanlichten van dè nieuwe dag. Welk een wondere naamgeving voor een volk zonder enige schoonheid in zichzelf,.maar dat zich door Goddelijke genade leerde kennen als een kind des toorns en als een erfwachter van de eeuwige rampzaligheid.

Dit immers zijn de namen voor de vergane schoonheid van een gevallen beelddrager. Want naar de letterlijke betekenis spreekt de dichter van „De jeugd des Meeren". Zo ontelbaar en zo schitterend als de vroege dauw uit de schoot van de dageraad voortkomt, zo verschijnt er een volk dat uit God geboren wordt.

Door wederbarende genade zijn zij overgegaan uit de dood tot het leven, daarom gaan zij hun eeuwige jeugd tegemoet. Door bovennatuurlijke wedergeboorte uit God, zullen zij weer met een nieuwe schoonheid pralen.

Zwart als zij waren door de dienstbaarheid der zonde, zullen zij nochtans worden gelijk een duif, door 't zilvenwit en 't goud, dat op haar veed'ren zit, bij 't licht der zonnestralen.

„De dauw uwer jeugd." Als wij de dauw in de vroege morgen wel eens aandachtig bezien hebben, dan hebben wij met venwondering gelezen in het schone boek van Gods schepping. In dat zilveren dauwkleed heeft elke druppel zijn eigert plaats ontvangen. De één op duidelijk zichtbare wijze, terwijl een ander weer meer verborgen schittert. Het geheel vertoont echter een rijke verscheidenheid en toch vormen al deze dauwdruppels één geheel.

En elke druppel werkt op eigen plaats mee om de heerlijkheid Gods in de verschijning van de dauw nog meer te vergroten. Hier schittert de veelvuldige wijsheid Gods naar het vrije van Zijn welbehagen.

Want in Gods werk in al dié verschillende dauwdruppels zien wij de onderscheiden wegen Gods in het Rijk van Zijn herscheppende genade weerspiegeld.

In deze dauwdruppels schittert Gods aanbiddelijke weg zowel in de moordenaar aan het kruis, maar ook in de Godvrezende Jozef. In deze dauwdruppels schittert Paulus naast Timotheüs en Manasse naast Obadja. Eén ding hebben zij echter allen gemeen.

De Heere heeft ze allen gevonden op het vlakke des velds, toen zij dood waren door de misdaden. Maar door het bovennatuurlijke en onwederstandelijke werk des Geestes legde Hij Zijn schoonheid op hen. Zo doet de Heere een volk geboren worden in de dageraad des Heils op de dag van Zijn heirkracht.

En waar de dood heerste, gaat nu het nieuwe leven uit God zich op God richten en gaat vragen: „Waar is God mijn Maker, Die de psalmen geeft in de nacht?"

„De dauw uwer jeugd." De dauw zonder de zonnestralen is niet zo ^ schoon als wanneer de glans van de morgenzon hem bestraalt. Immers als het vroege zonlicht de bedauwde velden beschijnt, dan gaat in die dauw een wereld van ongekende schoonheid en weelde leven. Die in zichzelf zo kleurloze waterdruppels gaan de zonnestralen terugkaatsen gelijk fonkelende diamanten en geven daarbij een verkwikkende geur op.

„De dauw Uwer jeugd." Zo mag nu Gods volk zijn op de dag van Gods heirkracht. Want als zij bediend mogen worden uit het Hemels heiligdom door de dierbare werking van de Heilige Geest, dan wordt het hart vervuld met heilbespiegelingen en de tong als de pen van een vaardig schrijver.

En als dan Christus, de Zon der Gerechtigheid, het hart bestraalt, gaat de dauw van Zijn eigen werk schitteren tot Gods eer en roepen hart en mond het van Hem uit: „Beminlijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven, gaat al het schoon der mensen ver te boven."

En nu gaat het met Gods kinderen net als in het rijk der natuur. Niet elke dauwdruppel weerkaatst de gehele zon. Daarvoor is de zon immers veel te groot en de dauwdruppel veel te klein. Maar allen te zamen echter weerkaartsen zij de volle rijkdom van de zon in het werk der schepping, zowel dè kleine druppelen als de grote.

En zo mag het nu ook zijn door de wondere bediening van de Heilige Geest in het grote werk der herschepping in het hart van de zondaar. Want ook daar vertoont ieder van Gods kinderen, elk op eigen plaats en ieder op eigen wijze, de rijkdom van Gods vrije genade in Christus Jezus, de Zon der Gerechtigheid.

Gods kinderen zijn als de dauw en waar genade mag schitteren in de beoefening tot Gods eer zouden zij hemel en aarde wel willen helpen te hulp roepen om de Heere groot te maken.

Hier blijven echter nog zoveel tijden, dat de wolken van strijd en grote twijfel de schitterende glans van de dauw verdonkeren. Het fijne goud van hun geloof kan zo dof worden dat zij klagende uitroepen zoals David: „Och, dat er kracht en leven in mij. reez'. Wil die door Uw gerechtigheid verwekken."

Doch eenmaal zal er een volk worden vergaderd dat weer ten volle gaat beantwoorden aan hun doel. Als de Heere in hen Zijn eigen werk beziet, zegt Hij: „Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mjjn lof vertellen."

En dan mag hier alles nog met veel gebrek en soms doodbrakende als een Heman vervuld worden. Doch wanneer de eeuwige morgenstond zal aanlichten, zullen zij eeuwig als heilig sieraad in heerlijkheid blinken, als een parel aan de middelaarskroon van Koning Jezus, om eeuwig Zijn lof te vertellen.

APELDOORN DS. J. M. KLEPPE

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1984

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

De dauw uwer jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1984

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken