Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ontstaan van Christelijke talen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het ontstaan van Christelijke talen

10 minuten leestijd

De vestiging van het christendom in Europa is gepaard gegaan met de ontwikkeling van het christelijk spraakgebruik en zelfs met de ontwikkeling van christelijke talen. Dat het spraakgebruik diep beïnvloed kan worden door de godsdienst is duidelijk voor ieder die veel in godsdienstige kringen verkeerd heeft. Wie dan woorden of woordcombinaties hoort zoals: ter hel(le) nederdalen, een genadewonder, aan de rechterhand Gods en zeer vele andere, hoort een geloofsgenoot. Maar dat er ook christelijke talen tot ontwikkeling kunnen komen, dat het christenf dom dus bijgedragen heeft tot de f vorming van nieuwe talen (of tot grondige verandering van talen die reeds bestonden) is veel minder vanzelfsprekend. Het zal zelfs sommige lezers zeer onwaarschijnlijk lijken.

Wat echter thans zo onwaarschijnlijk schijnt, vermoedelijk door de areligieuze instelling van de tijd waarin we leven, moet voor de mensen van zeer oude tijden heel normaal geweest zijn. Iedere historicus en iedere taalkundige die zich veel bezig gehouden heeft met oude letterkunde, weet dat de heidense of christelijke godsdienst vaak een allesbeheersende plaats innam in de samenleving. Geen wonder dat er dus hele taalgroepen konden ontstaan op religieuze basis.

Die taalvorming kon geschieden op basis van het christendom, op basis van de islam en op basis van heidense voorchristelijke godsdiensten. Wanneer we beginnen met de religieuze inwerking van de islam, dan maken we kennis met een vrij recente ontwikkeling. Zij heeft laatsgevonden kort na de dood van Moammed, in de 7e eeuw. Toen verbreidde de islam zich snel, ook buiten Arabië, in het Midden-Oosten en overal in Noord-Afrika werd de Islam de officiële godsdienst. En tegelijk met de islamisering voltrok zich ook de arabisering van deze gebieden. Vandaar dat er thans van Marokko in het westen tot Irak in het oosten een of ander Arabisch dialect wordt gesproken en dat de bewoners van al deze landen thans wel samengevat worden onder de naam „Arabische volken", een term die maar weinig te maken heeft met een rasverwantschap en veel meer een taalkundige, religieuze en culturele verwantschap aangeeft.

Indo

Behalve de vorming van deze Arabisch-islamitische taal- en godsdienstgroep, is er nog een ander voorbeeld: dat van de Indo-Europese talen en godsdiensten. De Indo-Europese talen zijn die welke nog heden gesproken worden in bijna heel Europa en een groot deel van Zuid-Azlë, vooral Iran, Pakistan en India. Tot deze taalgroep behoorden ook het Grieks, het Sanskriet (heilige taal van de oude Indiërs) en de Italische talen, waarvan het Latijn de voornaamste geworden is. Al die talen, ook Germaanse, Slavische en Keltische, die daar toen reeds en ook nu nog gesproken worden, vertonen een zekere mate van verwantschap. En evenals tussen de talen van de Indo-Europeanen, moet er ook tussen hun (heidense) goUsdiensten veel gelijkenis bestaan hebben. Taalgeleerden maken dikwijls studie van oude godsdiensten om de daarmee verbonden talen beter te kunnen begrijpen. Het is zelfs zo dat de godsdienstgeleerden deze Indo-Europese godsdiensten weer in Keltische, Germaanse en Slavische families onderverdelen. (Dit kan men vinden in een mooi studiewerk, getiteld „De Godsdiensten der Wereld").

En evenals men de Indo-Europese volken kan indelen in Kelten, Germanen, Slaven, enz., al naar gelang van de godsdienst die ze uitoefenen, kan men dat ook doen aan de hand van de talen die ze spraken. De grenzen tussen taalfamilies en godsdienstfamilies vielen ongeveer samen. Voor deze oude tijden kan men dus spreken van heidense talen en heidense godsdiensten; vandaar dat ik vóór de artikelenserie over „Het Ontstaan van Christelijke Talen", een paar stukjes gewijd heb aan „Het Ontstaan van Heidense Talen" (speciaal Indo-Europese en Keltische).

Toch zullen er lezers zijn die denken: „Dat mag nu allemaal waar zijn, die uiteenzetting over een Arabisch-islamitische dialectgroep en over Indo-Europese talen en godsdiensten, maar geldt dat ook voor het christendom? Door taalgeleerden wordt vrijwel nooit van christelijke talen gesproken". Dat is inderdaad zo, want taalgeleerden tonen in het algemeen maar weinig belangstelling voor christelijk spraakgebruik. Dat stilzwijgen van de taalgeleerden wil echter niet zeggen dat er geen talen onder invloed van de christelijke godsdienst en de christelijke beschaving tot stand gekomen zijn. Die invloed heeft zich gemanifesteerd in West-Europa in de twee belangrijkste taalfamilies van ons werelddeel en misschien.zelfs van de hele wereld, de Germaanse en de Romaanse taalfamilie.

Dialect

Hierbij moet ik echter wel een belangrijke opmerking maken. De Westeuropese talen, zowel de Germaanse als de Romaanse, zijn in de periode van de 8e tot de 12e eeuw uitgegroeid van vrij primitieve dialecten, die haast alleen in spreektaalvorm bestonden, tot echte cultuurtalen met een mooie literatuur. (Vóór die tijd gebruikte men steeds het Latijn als men een document wilde opmaken). Juist in deze eeuwen rond het jaar 1000 heeft het Latijn als taal van de beschaving en van de christelijke godsdienst een machtige invloed uitgeoefend in West-Europa; meest op het Romaans, dat min of meer uit het Latijn is voortgekomen, maar toch ook op het Germaans. Nu vormen deze eeuwen rondom het jaar 1000 een bijzonder onbekend tijdvak, dat men wel het duisterste deel van de ,,donkere Middeleeuwen" zou kunnen noemen. Onze kennis van de talen die er toen in West-Europa gesproken werden is uiterst gering.

Over de eerste ontwikkeling van de christelijke terminologie in de Germaanse en Romaanse talen zijn we zodoende maar slecht geïnformeerd. Voor het christelijke Grieks kan men putten uit de Septuaginta, het Nieuwe Testament en de Griekse kerkvaders. Voor het Latijn hebben we de beschikking over de kerkvaders Tertullianus en Augustinus, over de Oudlatijnse bijbelvertalingen en de Vulgata. Maar voor de Romaanse en Germaanse talen, speciaal voor het christendom daarin, hebben we zeer weinig bronnen.

Dit alles maakt de ontwikkeling van het christelijk taalgebruik in die tijd moeilijk grijpbaar. Toch is dit ten zeerste te betreuren, want juist in deze tijd heeft de christelijke kerk zich in WestEuropa gevestigd en moesten dus de heidense talen die verband hielden met de heidense godsdiensten vervangen worden door een christelijke terminologie.

Kerkhistorici

Wat voor verrassende omwentelingen er toen in de taal tot stand gekomen zijn blijkt het best uit de ontwikkelingen die plaatsgevonden hebben in Zuid-Europa. De duidelijkste uiteenzettingen daarover kan men vinden bij kerkhistorici. In Zuid-Europa vestigden zich machtige Germaanse stammen, zoals de Goten, Longobarden, Bourgondiërs en Franken. Dit waren heidenen of soms aanhangers van de christelijke ketterse sekte der arianen. Zij spraken echt-Germaanse talen, evenals wij, maar zijn in de 7e eeuw en later gekatholiseerd. Gekatholiseerd wil zeggen dat ze overgingen tot de katholieke of rechtzinnige kerk en geromaniseerd wil zeggen dat ze een Romaanse, van het Latijn afstammende taal gingen spreken, de taal van de christelijke volken (van oorsprong vaak Kelten of Israëliërs) waartussen de Germanen zich gevestigd hadden. De verchristelijking van de beschaving en de verchristelijking van de taal hield ongeveer gelijke tred. Daardoor zijn er in Zuid-Europa geen Germaanse talen meer overgebleven. En de Romaanse taalfamilie is als het ware opgegroeid rondom de christelijke katholieke beschaving van die dagen. Dat er dus christelijke talen kunnen ontstaan blijkt uit het bovenstaande ontegenzeglijk.

Dat het Latijn zo'n grote invloed kon uitoefenen, ook na de val van het Romeinse Rijk, is voor een groot deel gekomen door de religie en dan speciaal door de autoriteit van de paus. De pausen vulden als het ware het machtsvacuüm op, dat er ontstaan was toen er geen keizers meer waren. De mensen vertrouwden nu niet meer op de keizer, maar op de paus. En de christelijke woorden die ze het meest gingen gebruiken hadden vaak maar weinig betrekking op de Bijbel, maar op de kerk met haar sacramenten, kloosters en heiligen.

Apostolos

Welke christelijke woorden zijn er toen in de Westeuropese talen gekomen? In verschillende van de voorgaande artikelen heb ik reeds woorden gegeven als voorbeelden van de Griekse invloed, die er via het Latijn is uitgegaan op de Westerse talen. Ik herinner hier aan een paar van de meest sprekende voorbeelden van Griekse woorden zoals apostolos en euaggelion. Via het Latijnse apostolus en evangelium zijn die naar de Romaanse talen van West-Europa overgekomen. (Italiaans apostolo en (e)vangelo; Frans apótre en évangile). Ook naar de Germaanse talen (Nederlands apostel, evangelie; Duits, Zweeds, Deens Apostel, Evangelium).

Maar behalve deze twee uitermate technisch klinkende woorden, waarin men het Grieks haast nog horen kan, zijn er veel meer christelijke elementen in de Westeuropese talen doorgedrongen. Ik noteer hier eerst een aantal uit het Latijn afkomstige namen van begrippen die in de Germaanse én in de Romaanse talen voorkomen. Zij hebben betrekking op de Bijbel of oude kerkelijke gebruiken: ark, altaar, discipel, edik, feest, kastijden, klooster, kruis, mis, non, "oïfer,'offerande, palm, pestilentie, sacrament, schrift, sulfer, tabernakel, tempel, testament. Deze van oorsprong Latijnse woorden vinden we nu nog (bijna) allemaal terug in de Germaanse en Romaanse talen.

Het aantal dergelijke woorden dat uit het Grieks via het Latijn in de Westeuropese talen is doorgedrongen, is nog groter: aalmoes, aarts(vader), abba, abt, abdis, amandel, apocrief, apostel, balsem, balsemen, blaam, blasfemeren, bijbel, bisschop, ceel, cedel, ceder, christen, cypres, diaken, duivel, efa, efod, engel, evangelie, gomer, kanon, kanoniek, kardinaal, katheder, kathedraal, katholiek, klerk, koraal, kristal, kroon, leek, martelaar, monnik, mirre, mirte, olie, orgel, paradijs, patriarch, pijn, plaag, priester, profeet, psalm, purper, school, spelonk, spons, ^agoge, talent, tiran, troon, zak en smaragd. (Sommige-van deze woorden, zoals abba, balsem, efa, zak, smaragd en paradijs waren door het Grieks weer aan het Hebreeuws of een andere Vooraziatische taal ontleend). Hier kan men nog aan toevoegen de namen van vier boeken van Mozes: Genesis, Exodus, Leviticus, Deuteronomium en de edelstenen die slechts op enkele plaatsen in de Bijbel voorkomen: agaat, amethist, beril, chalcedon, chrysoliet, chrysopraas, hyacint, jaspis, saffier, sardius, sardonix.

Gelatiniseerd

Bij het zien van zo'n indrukwekkende lijst woorden die zowel door de Germaanse als door de Romaanse talen aan het Latijn ontleend zijn, zou men bijna de indruk krijgen dat de Westeuropese talen allemaal grotendeels gelatiniseerd zijn. Want als er zoveel Latijnse of Grieks-Latijnse woorden in een taal doordringen, wordt de eigen woordenschat dan niet vervangen of weggedrukt? Dit is echter niet het geval geweest, tenminste lang niet met allé Westeuropese talen. Alleen de Romaanse talen (Frans, Italiaans, Spaans, enz.) die min ofvmeer uit het Latijn zijn voortgekomen, hebben ongeveer de hele Latijnse woordenschat, ook de religieuze woorden, overgenomen. Men noemt de Romaanse talen dan ook wel voortzettingen van het Latijn.

Met de Germaanse talen is het heel anders gegaan. Weliswaar hebben ook die tientallen religieuze begrippen met naam en al uit het Latijn (soms indirect uit Tiet Grieks) overgenomen; hierboven vindt u een lijstje van de belangrijkste. Deze lijst zou nog vele malen zo groot worden als we er aan gingen toevoegen de alleroudste Latijnse woorden uit de heidense tijd: ketel, keuken, kist, kopen, kamer, enz. en de Latijnse of Grieks-Latijnse woorden van de christelijke beschaving en wetenschap uit de Middeleeuwen: idee, mirakel, karakter, examen, retorica, scholastiek. Dit alles heeft meegewerkt aan de latinisering en daardoor aan de verchristelijking van de taal.

Maar de Germaanse talen uit NoordEuropa, ook het Nederiands, hebben lang niet alle woorden overgenomen die de Romeinen zeiden in het Latijn en die de Romaanse Volken later zouden zeggen, ieder in hun eigen taal. Verscheidene malen heb ik reeds geschreven over het Latijnse woord ecclesia (kerk), dat in geen enkele Germaanse taal is nagevolgd. Een ander mooi voorbeeld is het Latijnse peccatum (zonde). Daaraan beantwoorden de Romaanse vormen peccato (Italiaans), pêche (Frans), pecado (Spaans en Portugees). In de Germaanse talen bestaat hiervoor een heel ander type woord, zoals zonde (Nederlands), sin (Engels), Sünde (Duits) en synd (Zweeds).

Zo is het zeer vaak gegaan. In veel gevallen hebben de Germaanse talen een eigen type woord ontwikkeld. Dat was dan geen overname van een woord, maar een vertaling ervan, vaak een zeer interessante. Heel dikwijls komt dit voor bij Bijbels-christelijke woorden. De volgende maal wilde ik er een paar voorbeelden van behandelen hoe de Germaanse talen ook op deze wijze verchristelijktzijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1984

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Het ontstaan van Christelijke talen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 april 1984

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken