Bekijk het origineel

Drie psalmboeken als basis Voor Staatberijming 1773

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Drie psalmboeken als basis Voor Staatberijming 1773

—over psalmberijmers en psalmgezang—

7 minuten leestijd

Na de verschijning in 1566 van de psalmbundel van Datheen zijn er talrijke pogingen ondernomen deze berijming tegen betere in te ruilen. Het zou tot 1762 duren eer de Algemene Staten zouden besluiten tot verbetering of een algehele verandering van de bundel over te gaan. Hoe belangrijk deze beslissing ook was, het was nog maar een principebesluit.

Eigenlijk ging aan dit besluit de uitgave van een nieuwe bijbel vooraf, welke in 1735 door het Haagse predikantengeslacht Muilman ter hand was genomen. Achter in deze bijbel zouden de psalmen van Datheen worden afgedrukt. Toen in 1754 al twee vellen van het psalmboek waren afgedrukt kwam men tot de slotsom te trachten een aantal „aanstotelijkheden" te verbeteren. De geschiedenis doet het al vermoeden: er ontstond een golf van kritiek, waarbij geen enkele classis in gereformeerd vaderland achterbleef.

Instelling

De Algemene Staten achtten in 1762 de tijd rijp voor een nieuwe psalmberijming. Er verliepen nog vele jaren, alvorens er in kerkelijke kringen meer eenstemmigheid kwam. Ten slotte waren er nog maar twee tegenovergestelde opvattingen: de Zuidhollandse wilde berijming van Voet ingevoerd zien en de Noordhollandse synode synode wenste een keuze uit Voet, Ghysen en die van het Genootschap „Laus Deo, Salus Populo" (Eer aan God, heil aan het volk). En zo besloten de Staten van Holland en West-Friesland op 30 april 1772 om aan de Staten Generaal een „Selectus" voor te stellen uit genoemde drie berijmingen. Mede op aandringen van stadhouder Willem V verklaarden de „Edele Groot Mogende Heeren" der Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden zich op 6 mei 1772 akkoord met dit voorstel en men besloot dat uit elk gewest (provincie) „en uit het landschap Drenthe" een predikant zou worden afgevaardigd om uit de drie berijmingen een keus te maken, waarbij men slechts gehele berijmingen van een psalm uit een der bundels zou overnemen. Van regeringszijde werden twee commissarissen benoemd en aan de commissie toegevoegd. Op 12 januari 1773 vingen de kerkelijke afgevaardigden aan met het keuzewerk. Men vergaderde op de tweede verdieping van het Mauritshuis in Den Haag. Wekelijks wisselde men van voorzitter. Tijdens de eerste zes zittingen werden de nodige regelingen getroffen voor de spelling en andere taalkundige perikelen en werden er afspraken gemaakt over de verdere gang van zaken. Na 6 maanden, op de 118e zitting kwam men eindelijk met alle psalmen (en de daaraan toegevoegde „Eenige Gezangen") klaar. Nu de balans kon worden opgemaakt, bleken er van Ghysen 10, van Voet 82 en van „Laus Deo" 58 psalmen te zijn overgenomen. Wie waren deze dichters?

Ghysen

De oudste bundel was die van Hendrik Ghysen (1633-1693), goud- en zilversmid te Amsterdam. Bovendien was hij daar voorzanger in de Amstelkerk. We mogen aannemen dat hij in die functie een bijzondere belangstelling had voor de menigte aan psalmberijmingen die was en werd gepubliceerd. In elk geval ging hij ook zelf aan de slag. Uit 17 verschillende berijmingen koos hij die regels, die hij het beste vond. Een precisiewerk, waaruit in 1686 een bundel ontstond die van veel smaak getuigde: „Den Hoonig-raat der Psalm-dichten". In zijn voorrede verklaart Ghysen de titel van zijn bundel: „dat velen hier stichting en zoetigheid in zullen vinden, gelijk mij het uitzuigen van deze honing aan het gehemelte zoet is geweest". Bij elke zin of regel schreef hij de naam van de dichter, zodat men kon zien uit welke bloemen de honing gepuurd was. Dat bijna een eeuw na het verschijnen ervan deze bundel tot de drie uitverkorene behoorde mag op z'n minst een postume hulde aan Ghysen genoemd worden.

Voet

Johannes Eusebius Voet (1703-1778) studeerde medicijnen in Leiden en werd daarna arts in Den Haag. Als vrijetijdsdichter verscheen al in 1744 van hem de bundel „Stichtelijke gedichten". Tevens werkte hij aan een nieuwe psalmberijming, waarvoor hij bij medewerkers te rade ging. Enkele van die medewerkers waren ongetwijfeld de Amsterdamse predikant Rutger Schutte en zijn Haagse vriend Ds. Johannes van Spaan. (Beiden waren in 1773 afgevaardigden van de provincie Noord- en Zuid-holland). Ds. Van Spaan was voorzitter van het Haagse Dichtgenootschap „Kunstliefde spaart geen vlijt", waarvan Voet honorair lid was. Aan verschillende personen stuurde Voet proefbladen met het verzoek om opmerkingen. Toen in 1763 zijn „Proeve eener nieuwe berijming van het boek der Psalmen" verscheen schreef hij dan ook in de voorrede: „ontworpen door Johannes Eusebius Voet, beschaafd en voltooid door een Genootschap van Godgeleerden, Taal- en Dichtminnaars, te samen leden der gereformeerde kerk in Nederland". Voet stelde zich ten doel: de Statenvertaling zo „nabij te volgen als mogelijk was", aan de „zwier der dichtkunde niet te veel toe te geven, in de tekstuitbreidingen Schriftuurlijke en eerbiedige woorden en uitdrukkingen te gebruiken, de Oosterse spreekwijze te vermijden en met behoud van Datheens „versindeling" „de zuiverheid der Nederduitsche taaie in een zagtvloeijende dichtmaat te bewaren". Dat deze berijming van Voet „uit den schoot der Nederlandsche Gereformeerde Kercke mogt geboren worden" is een voor die dagen veelbetekenende opmerking.

Laus Deo, Salus Populo

Immers, in 1759 had het Amsterdams dichtgenootschap „Laus deo, Salus Populo" ook een nieuwe psalmberijming uitgegeven. In tegenstelling tot Voets medewerkers kwamen de leden van dit dichtgenootschap voor een deel uit doopsgezinde en remonstrantse kringen. Toen zij ontdekten dat in kerkelijk Nederland de wind uit een andere hoek begon te waaien en de kans op invoering van een nieuw psalmboek groter werd, sloegen zij de handen ineen, „opdat aan het onbetamelijke zingen der gemeente een einde zou komen". Van geen der bestaande bundels achtten zij het peil hoog genoeg. In het rijmwerk van Datheen zou vrijwel niets van de „zieltreffende verhevenheid en goddelijke schoonheid" te vinden zijn, zo waren zij van mening. Onnodig te zeggen dat het voorbericht van de Laus Deo-bundel niet getuigt van reformatorisch inzicht in de Heilige Schrift. Ofschoon de leden van dit genootschap aanvankelijk hun namen verborgen hielden, bleek later dat het om zeven mannen en een vrouw ging, van wie het echtpaar Nicolaas Simon van Winter en Lucretia Wilhelmina van Merken op het terrein van de dichtkunst de meeste bekendheid genoten. In verschillende remonstrantse en doopsgezinde gemeenten (Amsterdam en Rotterdam) werd hun bundel in gebruik genomen.

Voltooiing

Maandag 19 juli 1773, 's middags om half twee, na de 121e zitting (de slotzitting) werden de predikanten door Prins Willem V ontvangen in de vergaderzaal van de Algemene Staten. Eén van de dominees nam de vrijheid om tot de Prins te zeggen: „Uw Doorluchtige Hoogheid heeft nog pas gisteren de noodzakelijkheid der psalmverandering ondervonden en allersterkst voor de Gemeente tentoongesteld". „Ja", was het antwoord, „van overlang heb ik de noodzakelijkheid gezien, maar gisteren heb ik die gevoeld. En ik wilde geen deel hebben, noch door mij meezingen, noch door mijn schijnbare goedkeuring, aan blasfemie en godslastering, welke ik denk zich te openbaren, als men God bij een dronken man vergelijkt".

Wat was er namelijk gebeurd? In de Grote Kerk te Den Haag was het de gewoonte om als voorzang een psalm of — als deze te lang was — een gedeelte ervan (tot de pauze) te zingen. Zo zong men het hele psalmboek door! Op de bewuste zondagmiddag waren de verzen 30 tot'en met 33 van Psalm 78 aan de beurt. Toen drie coupletten waren gezongen en het vierde zou worden aangeheven, sloeg de Prins het kerkboek dicht en schoof het verontwaardigd ter zijde. Hij had daar namelijk zien staan: Maer gelyck een dronckigh mensch hem opmaket,/ Als de wijn wel verteert is en ontwaket,/ Die seer luyd' tiert, en maeckt een seltsaem wesen:/ Alsoo is oock onse godt opgeresen,/ En sloegh 't achter deel der vyanden quaet;/ 't Weick hen een eeuwige schand' is en smaet.

Voor alle ceremonieel begon was Ds. Van Spaan verzocht „het eerste Inwydings gebed te doen, 't Geschiedde met eene eerbiedige stilte der toehoorders, en eene luide smeekstem van den voorbidder".

Aan het einde van het afscheidsgehoor, na de ondertekening van de „nieuwe" Psalmberijming, gaven de predikanten elkaar een broederlijke kus. Daarmee kwam aan „het grote werk" een einde. Josua van leperen doet in zijn „notulen" nog de volgende mededeling: voor dat men uiteen ging werden de honoraria uitbetaald. De predikanten kregen hun „daggeld" (variërend van zes tot negen gulden, verhoogd met enige „penningen" voor reiskosten); de twee commissarissen kregen elk 1500 gulden; de beide amanuenses moesten genoegen nemen met de helft. De boden die in het Mauritshuis dienst hadden gedaan, ontvingen ieder 100 gulden en de weduwe Bultjens, die als conciërge in het Mauritshuis woonde, 50 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Drie psalmboeken als basis Voor Staatberijming 1773

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken