Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Antirevolutionaire voortrekkers onder invloed van W. Bilderdijk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Antirevolutionaire voortrekkers onder invloed van W. Bilderdijk

De verhouding tussen Da Costa en Groen van Prinsterer (II)

16 minuten leestijd

Binnen de internationale geestesbeweging van het Reveil is er sprake van een geleidelijke evolutie van een contra-revolutionaire naar een anti-revolutionaire gezindheid. De Franse revolutie deed de gedachte der volkssoevereiniteit triomferen, had een breuk geforceerd tussen kerk en staat en een einde gemaakt aan de suprematie van de Gereformeerde Kerk en — tijdelijk — ook van het Oranjehuis.

De eerste uiting van het Reveil was contrarevolutionair: terugkeer naar de tijd voor de revolutie! De opkomende antirevolutionaire richting echter begeerde, onder volstrekte afwijzing van de leer der volkssoevereiniteit de geest der revolutie op elk terrein te bestrijden, maar tevens onder aanvaarding van de revolutionaire verworvenheden elke conservatieve zuurdesem uit te zuiveren.

Zowel Groen van Prinsterer als Da Costa heeft voor de opkomst der antirevolutionaire richting grote betekenis gehad. Heel hun jarenlange en uitvoerige correspondentie is van deze zaak doortrokken. En uit alles blijkt dat bij hun opinievorming hun beider onvergetelijke leermeester Willem Bilderdijk (1756-1831) een.belangrijke rol heeft gespeeld.

Beide geleerde juristen, zowel Groen als Da Costa, hadden de invloed van deze universele geleerde op diens privaatcolleges ondergaan. Beide strijders tegen de geest des tijds, hoewel Groen in mindere mate dan Da Costa, voelden aan hem de hoogste dank te zijn verschuldigd.

Invloed van Bilderdijk

Bilderdijk had in de revolutie de openbaring van het ongoddelijk streven gezien, welke lijnrecht indruiste tegen de ordinantiën Gods. Bilderdijk was ook één van de eersten geweest, die de revolutie in haar heilloos beginsel had doorgrond en de oorlog had verklaard. Zijn levensloop heeft zich ook duidelijk afgetekend tegen de donkere achtergrond van de staatkundige gebeurtenissen in Nederland. Bilderdijk was het symbool zijner natie!

Fel striemde hij de uit het buitenland geïmporteerde afgoderij met de rede, de filosofische deugdbetrachting, de proclamatie van de rechten van de mens, de ongeremde vrijheidsdrang. Zonder meer was hij afkerig van de nieuwerwetse constitutie, van het zogenaamde neutrale onderwijs, van de verlichte denkbeelden die van de kansel werden verkondigd. Bij de vaststelling van de constitutie was volgens hem niet de Schrift maar de menselijke rede als opperste wetgever geraadpleegd. Bilderdijk was een uitgesproken voorstander van een aan Gods wet onderworpen landsvaderlijk vorst en tegenstander van wat we nu zouden noemen de parlementaire democratie.

Dr. H. Bavinck merkt in dit verband ten aanzien van Bilderdijk op: „Hij wilde geen vorst, die door een constitutie aan zijn volk gebonden was en omringd werd door ministers, wier slaaf hij was, terwijl zij dienaren des volks waren; maar zulk een vorst was naar zijn hart, die in zijn geweten aan Gods wet zich verbonden gevoelde en daarom zijn volk vaderlijk en liefderijk regeerde. Gezalfde in Gods naam, zoo sprak hij de Koning aan."

AI had hij een open oog voor machtsmisbruik van de vorst (Napoleon!) en voor de belangen van het volk (de historische privileges) de gruwelen en de dwaasheden van de revolutie met haar leus van vrijheid, gelijkheid en broederschap hadden hem dermate afkerig gemaakt van de volkssoevereiniteit, dat hij zonder uitbeding koos voor de patriarchale of monarchale regeringsvorm.

Het volk diende onafhankelijk te worden gemaakt van eerzuchtige politieke demagogen, zoals deze zich in de revolutionaire bewegingen hadden aangediend. En — dit ter zijde — wat te denken van de huidige parlementaire democratie met haar verkiezingsleuzen, actieprograms, kiezersmanipulaties, pressiegroepen en wat dies meer zij zonder de flauwste notie van theocratie?

In de richting van de staat vinden wij, volgens Bilderdijk, die van het huisgezin terug. Het vaderlijk gezag handhaaft in het huisgezin vrede en eensgezindheid. In de monarchie is de koning de vader van het huisgezin, in de aristocratische regeringsvorm wordt deze nog verondersteld als waarde hij onzichtbaar rond. Maar de volksregering (democratie) is een misgeboorte van het menselijk onverstand. Voor Bilderdijk was dus de monarchie heilig omdat hier het „droit divin" gold, het goddelijk recht der vorsten.

Bilderdijk was voluit contrarevolutionair. Hij wilde terug naar de kerkelijke en staatkundige toestand van voor de Franse revolutie. Het verval in kerk en staat schreef hij dan ook toe aan de wettelijk ingevoerde gelijkstelling der gezindheden; de onderscheidene religies. In plaats van de „waarlijk godlooze afscheiding van kerk en staat" begeerde hij weer de suprematie van de aloude gereformeerde kerk der vaderen.

Het betekende dan ook voor hem een grote teleurstelling te moeten constateren dat na de restauratie van 1813 Nederland wel was herrezen maar niet genezen van het revolutiegif. „De scheiding tusschen kerk en staat bleef bestaan. Joden, Deïsten en Roomschen, Socinianen en Arminianen kregen met de zonen van Luther en Calvijn dezelfde rechten. De vorst werd aan een constitutie gebonden en daardoor feitelijk van zijn souvereiniteit beroofd en van het volk afhankelijk gemaakt. In één woord, de (oude) tijd keerde niet weer" (Bavinck).

Geestelijk discipelschap

Het behoeft geen betoog dat de meeslepende verhandelingen van Bilderdijk op zijn soms twee en een half uur durende colleges, gedragen door zijn universele kennis en dichterlijke verbeeldingskracht, een onuitwisbaar stempel op zijn discipelen heeft gedrukt. Door heel de briefwisseling tussen Groen en Da Costa heen flakkert de vlam van de opvattingen van Bilderdijk.

Het is inzonderheid Da Costa die niet kan nalaten herhaaldelijk de aandacht te vestigen op „zijn onvergetelijken vriend", op „zijn dierbaren ontslapen Leermeester", op de „in de grond der zaak zoo miskende en verguisde Bilderdijk, van wiens doornen wij thans de rozen genieten." Deze discipel schreef: „Ik ben onder de leiding van den God mijner vaderen aan Bilderdijk het hoogste verschuldigd, wat op aarde een mensch den anderen te danken kan hebben."

Naarmate Da Costa ouder wordt, wordt de geestverwantschap met zijn „dierbaren Vader in het geloof" nog intensiever beleefd. Inzonderheid komt dit tot uitdrukking bij de door Da Costa verzorgde uitgave van „Bilderdijks Dichtwerken" (1856-'59, in 15 delen) en in zijn levensbeschrijving „De mensch en de dichter Bilderdijk" (1859).

Ook Groen van Prinsterer erkende met blijdschap grote verplichtingen aan Bilderdijk te hebben. Niettemin heeft hij meer dan Da Costa zijn zelfstandigheid tegenover Bilderdijk bewaard. Zijn lijfspreuk was dan ook: „nemini me mancipavi", ik heb mij aan niemand verpand! Een volgzaam discipel van deze geleerde zoals Da Costa was hij nimmer en eens merkte hij op „dat hij door Bilderdijks contrarevolutionaire felheid nimmer was meegesleept."

Da Costa's „Bezwaren"

Da Costa was na zijn bekering tot het christendom voluit contrarevolutionair, zoals uit zijn eerste, kennelijk door Bilderdijk geïnspireerde publikatie, de „Bezwaren tegen den geest der eeuw" (1823), is gebleken. De schrijver achtte de constitutie mét geen waarachtig christendom bestaanbaar, omdat het landsvaderlijk gezag der vorsten van Godswege hierin niet werd gehandhaafd.-Evenals Bilderdijk achtte hij de eenhoofdige monarchale regeringsvorm een duidelijk teken en bewijs van de bescherming en bewaring Gods.

Da Costa verklaarde zelfs dat de koning aan de eed, door hem^op de grondwet afgelegd, niet gebonden was indien dit hem verhinderde te doen wat Gode welbehagelijk was. Hij verwees hierbij naar zijn betrekking als christen-koning, die, gelijk zijn voorzaten, geroepen is „de Hervormde Geloofsbelijdenis te handhaven". Deze stellingname deed veel stof opwaaien. Da Costa's opvattingen werden zelfs staatsgevaarlijk geacht, de politie hield zijn huis in de gaten en velen distantieerden zich openlijk van hem.

Geleidelijk heeft zich echter, vooral na 1830 en mede onder invloed van de lezing van Groens „Nederlandsche Gedachten", een wijziging in Da Costa's opvattingen voorgedaan. In de relatie tussen Groen en Da Costa heeft Willem de Clercq volgens RuUmann een trait d'union — een zekere verbindingsschakel— gevormd.

Reeds in zijn eerste brief aan Groen - die van 3 febr. 1830 — betuigt hij zijn instemming met de geest en strekking van Groens „Nederlandsche Gedachten", het door deze schrijver van 1829'32 uitgegeven orgaan. En ofschoon hij meent, dat het godonterend denkbeeld van de oorspronkelijke volkssoevereiniteit hierin nog niet openlijk en beslissend genoeg wordt verzaakt, betoont hij zich evenals Groen.geen tegenstander meer van een grondwet. Integendeel, hij spreekt in deze brief van een „betamelijk ontzag voor de constitutie als eene bestaande verordening" wier naleving — en dat blijkt uit de door Groen hierbij gemaakte aantekening — „geen huldebetoon is aan de liberale theorie."

Als Da Costa op oudere leeftijd spreekt over de uitgave van zijn „Bezwaren" handhaart hij dit, zijn levensprogram als uitdrukking van zijn innerlijke zielsovertuiging, maar hij betreurt „eenige jeugdige onbedachtzame uitdrukkingen" en zijn „contrarevolutionaire overmoed".

Veranderingen

De evolutie in Da Costa's denkbeelden sinds 1823 komt in de correspondentie met Groen steeds sterker tot uitdrukking. Inzonderheid geldt dit ten aanzien van de strijd voor kerkherstel. Er dient niet te worden gestreefd naar herstel van eeti vroegere toestand. „De kracht der Kerk is in hare hoop op de toekomst." Een nieuwe tijd brengt nieuwe vijanden, nieuwe behoeften, een nieuwe ontwikkeling ook van wetenschap en Schriftkennis. „Belijdenisgeschriften, liturgie. Bijbelvertalingen, kanttekeningen, alles is voor verbetering, voor ontwikkeling vatbaar.... Leven is ontwikkeling, geen stilstaan, geen achteruit gaan! Op politiek terrein is dit het beginsel der antirevolutionaire richting tegenover de contrarevolutionairen."

Het veranderde gevoelen van Da Costa werd mede geïntensiveerd onder invloed van de Afscheiding van 1834. Sprak deze ook niet van „wederkeer", van terugkeer naar een vroegere toestand met een duidelijke binding aan de belijdenisgeschriften? Da Costa kwam echter onder invloed van zijn chiliastische geloofsbeleving wat gereserveerder te staan tegenover de historische belijdenis en wilde de formulieren niet naast de Bijbel gesteld zien. Inzake de strijd voor kerkherstel kwam het medisch standpunt van Da Costa tegenover het juridische van Groen te staan.

Instemming

Tekent deze opvatting zijn gewijzigde houding in de kerkelijke strijd, in staatsrechtelijk opzicht raakte Da Costa van „de uitnemendheid van den constitutioneelen, mits van revolutionairen zuurdeesem gezuiverden staatsvorm" in toenemende mate overtuigd. Op 11 november 1852 schreef hij aan Groen, dat hij instemde met diens formulering van het onderscheid tussen de contrarevolutionaire richting van Bilderdijk en „uwe en onze antirevolutionaire beginsels", zoals Groen deze in zijn „Ongeloof en Revolutie" had geformuleerd.

Da Costa spreekt in dit verband zelfs van de essentiële wijziging. „Niet door te willen terug keeren tot een vroegeren (toch ook zelven reeds ongezonden) toestand en het proces der ziekte met geweld te willen verstoren komt men de bestaande ellende te boven." En dan vervolgt hij: „De leiding Gods sints dertig jaren heeft ons kunnen overtuigen dat geen afschaffing van constituties, geen formeel herstel van een Gereformeerden Staat en kerk, ons hier het historische, daar het echt geestelijke beginsel kan weder geven; maar dat de vijand overwonnen, althans bestreden kan en moet worden op zijn eigen terrein."

„Het Oogenblik"

Da Costa's zielevriend Capadose, die op het contrarevolutionaire standpunt van de „Bezwaren" was blijven staan — ook inzake de vaccinatie — vond Da Costa veel te .geavanceerd en ook de Haagse vrienden, tot wie behalve Groen ook Elout en Singendonck moeten worden gerekend, schrokken wel enigszins toen ze van hem hoorden dat hij „uit een Christelijk standpunt voor een meer rechtstreeksch verkiezingsstelsel niet (zou) terugdeinzen."

Toen het revolutiejaar 1848 ook in de Reveilkring beroering teweegbracht, schreef Da Costa zijn brochure „Het Oogenblik, een woord over het „Ontwerp van Grondwetherziening". Hij merkte hierin op: „Het geloof wil ook in onze dagen, in ons vaderland, zeer zeker uitbreidingen van vrijheid; vrijheid van Godsdienst, vrijheid van onderwijs, vrijheid der slaven. Het wil... in onze dagen ongetwijfeld ook uitbreiding van politie^ ke vrijheid."

Groen van Prinsterer, in vele opzichten eensgeestes met Da Costa, vond „Het Oogenblik" schijnbaar althans met den geest der eeuw ietwat homogeen." Van rechtstreekse verkiezingen, waar zijn vriend in 1848 voor ijverde, was Groen een tegenstander. Hij vreesde dat Da Costa het onderscheid tussen het historisch-monarchale en het revolutionairmonarchale niet voldoende onderscheidde en het wat optimistische vers van Da Costa: „Zij zullen ons niet hebben, de Goden van de tijd", noemde Groen een illusie: „En zie, zij hadden ons reeds."

Aandrang

Volgens dr. W. Aalders is het vooral Da Costa geweest die er bij Groen op aangedrongen heeft om een eigen koers te varen tegen alle conservatieve, contrarevolutionaire denkbeelden in. Waar hij bij Groen voor pleit is, „dat het Protestantsche wezen onzer natie denkbaar blijft met een constitutie, die, overeenkomstig den loop des tijds, geene Roomschen of Joden uitsluit.

Tot de door de revolutie verkregen rechten behoorden nu eenmaal de gelijkstelling der godsdiensten. De rechtstreekse verkiezingen achtte Da Costa „evenmin uit haren aart revolutionair, als de ministerieele verantwoordelijkheid, als geheel de constitutioneele monarchie."

Het is onmiskenbaar dat het standpunt van de min of meer geëvolueerde Da Costa is te herleiden tot zijn theologische visie op de leer der (dadelijke) heiligmaking, tengevolge waarvan hij in conflict kwam met de theoloog Kohlbrugge. Ook zijn standpunt inzake het verbindend gezag der belijdenisgeschriften — waarvan Da Costa immers niet wilde weten — is hier in het geding.

Deze belijdenis moest zich immers „manifesteren in den vorm en naar den eisch van Gods eigene gezette tijden." Leven eist ontwikkeling, vooruitgang, evolutie, geen wederkeer. Het activisme van Da Costa komt hier toch wel haaks te staan op het „lijdelijkheidsstandpunt" van Kohlbrugge en van Da Costa's leermeester Bilderdijk.

Aalders concludeert zelfs dat het Neocalvinisme, waarvan dr. Kuyper de vertegenwoordiger was, door het chiliastisch activisme van Da Costa is aangeraakt en dat Kuypers neocalvinisme niets anders is dan Da Costa's leer der (dadelijke) heiligmaking in het groot. Het kan niet worden ontkend dat de dichterlijke apologeet Da Costa mee zijn stempel heeft gezet op de opkomst der antirevolutionaire richtina en aan de wieg heeft gestaan van de antirevolutionaire partij.

Maar hoewel ds. Evenhuis van mening is dat Da Costa zich van een contrarevolutionair Bilderdijkiaan heeft ontwikkeld tot een in maatschappelijke en politieke vraagstukken progressief christen, niettemin mogen wij hem geen onzuivere bedoelingen toeschrijven. Da Costa bleef onwankelbaar staan op het Schriftuurlijk fundament in zijn strijd tegen modernisme en ontkerstening. ..Het onderscheidend kenmerk onzer Gereformeerde leer is toch nevens de zaligheid van den zondaar, ook de verheerlijking, boven alles, van God." (18 juli 1852) En zijn levensdevies bleef gelijk aan zijn zwanenzang:

't Geheim van alle zegen (Oranje en Neerland! hoor 't) is in Gods vrees gelegen. Zijn dienst. Zijn gunst. Zijn Woord!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Antirevolutionaire voortrekkers onder invloed van W. Bilderdijk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1984

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken