Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoe kwam het orgel in de eredienst?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoe kwam het orgel in de eredienst?

Van voorzangers en weeshuiskinderen tot het koninklijk instrument

6 minuten leestijd

Enige tijd geleden kreeg ik van de redactie een vraag van een lezer doorgespeeld. Eigenlijk waren het twee vragen: hoe kwam het orgel in de eredienst en waarom geen andere instrumenten in de eredienst? Hoewel in andere artikelen al zijdelings een antwoord op de eerste vraag gegeven is („over psalmberijmers en psalmgezang") willen we nog eens de geschiedenis van het orgel in de eredienst verhalen en daar tevens de tweede vraag bij betrekken.

Er bestaat een boek- en grammofoonplaatcombinatie met de titel „Er staat een orgel in...". Er is ook nog een klein boekje met de titel „Er staat een orgel in de kerk". Menigeen zal dat vanzelfsprekend vinden. Toch heeft deze koning der instrumenten niet altijd op die wijze gefunctioneerd zoals wij in onze eredienst kennen. In de 16e eeuw sierden vaak twee instrumenten de godshuizen, zoals op vele plaatsen nu nog het geval is. Het kleine orgel fungeerde als liturgisch instrument bij uitstek. Het grote orgel was voornamelijk concertinstrument.

In Rome's Kerk was echter een kunstpraktijk rond het orgel gegroeid die van tuchteloosheid en bandeloosheid getuigde. De geschiedenis leert ons dat er op vaak ergerlijke manier tussen de verschillende delen van de Mis allerlei onkerkelijke, wereldlijke liederen en „wulpse en wellustige verzen werden georgeld en gefigureerd". Orgelspel in die roomse liturgie gaf aan Misbediening en Maria-verering eenzelfde klankdecor als waarvoor de stedelijke pijpermuziek bij kerkprocessiés en volksoptochten zorgde. Het diende ter afwisseling van allerlei ceremonieel en ter afwisseling van de zang van het priesterkoor.

Reformatorische vrees

Met de komst van de Reformatie waren het vooral de calvinisten die zich tegen déze orgelmuziek verzetten. Zo vond men het in Groningen veel stichtelijker om in plaats van „het orgel pijpen(= spelen)" een ouderling één of twee hoofdstukken uit de Bijbel te laten voorlezen. En wie zich indenkt welke strijd onze vaderen gevoerd hebben tegen de Rooms-Katholieke kerk met al haar bijgelovigheden, begrijpt hun klacht over het spelen van motetten, welke rhuziek zij onafscheidelijk verbonden achtten met de zo verfoeide Maria-verering. Terecht vreesden zij dat het orgel weer tot superstitie (bijgelovigheid) zou leiden. In die geest besloten de eerste (reformatorische) synoden,1574 Dordrecht en 1581 Middelburg, dat „aengaende 't speelen der orghelen in de kercken, het gantsch behoort afgheset te worden". Op vele plaatsen hadden de beeldenstormers hun agressie er al op botgevierd. Men bond touwen om het orgel en trok het met behulp van paarden van de orgelgalerij, las ik ergens.

Daar waar de stadsbesturen eigenaar waren van het instrument, werd het beschermd, maar in de diensten waarin de „nieuwe leer" verkondigd werd, zou het voorlopig zwijgen. En op vele plaatsen waar men geen orgel had, werd wel het altaar opgeruimd, maar zou het nog heel lang duren eer er een orgel voor in de plaats kwam.

Brekend verzet

Van lieverlee brak echter het verzet tegen de orgels. Onder druk van predikanten en kerkeraden gelastten de diverse magistraten de organisten bij de aanvang en het einde van de gereformeerde samenkomsten niets meer te spelen dat aanstoot of ergernis kon verwekken. De organisten dienden de Psalmen Davids aan te heffen, „dan sus, dan soo", „zeven tot acht malen", „met verscheydene registers al zwierende", om een paar oude uitdrukkingen te noemen.

Nog steeds was er van begeleiding van de gemeentezang geen sprake. Niet dat de orgels dat niet aangekund zouden hebben, het was een onbekende praktijk. Men leerde weeshuiskinderen psalmen om „ter grote kercke te helpen zingen".

Op het moment dat er ook in de muziekpraktijk veranderingen intraden — de melodie werd in de hoogste stem (sopraan) gelegd in plaats van in de tenor (middenstem) en ondersteund met akkoorden en een stevige bas — ontstond de gedachte om bij het zingen het orgel te hulp te roepen. Toen Constantijn Huygens in 1640 zijn belangwekkend geschrift over het „Ghebruyck of onghebruyck van 't Orgel" uitgaf, was deze ommekeer in de muziekpraktijk net voltrokken. Huygens stelde zich van die begeleiding bij het zingen door het orgel veel voor.

Wat doet het orgel in de kerk? zo vroeg hij zich af. Het dient enkel tot wat vermaak bij avondbespelingen, die niet meer zijn dan welgekozen tijdstippen om in de donkerste hoeken van de kerk allerlei ongerechtigs te laten geschieden. En bij het naspelen bij de kerkdiensten wil de goegemeente, „walgend van de quackelen, genoodsaeckt geweest twee uren te sitten", met vreugd ontslagen worden. Laten we mitsdien het orgel, zo adviseerde hij tenslotte, in dienst stellen van het psalmgezang, waarin zodoende getracht wordt verandering en verbetering te brengen. Ten opzichte van het klankvolume is het heel wat beter geschikt de gemeente de toon als in de mond te leggen, dan de voorzanger, zo betoogde hij.

Huygens' pleidooi deed echter een tweede strijd ontbranden. Sommigen waren van mening dat de gemeentezang slechts wat correctie behoefde door middel van goede onderwijsmethoden (het aanleren van noten en muzieksleutels). Anderen waren bang dat het orgel tot superstitie zou leiden. Bovendien waren de meeste organisten nog rooms en derhalve „vyanden van den godsdienst". Weer anderen (o.a. Voetius) waren van mening dat alleen het zingen in gunst en genade aangenomen kon worden. Het orgel gaf slechts een „dom geluyt", aldus Voetius. Toch is het er van gekomen. Van lieverlee ging het orgel het zingen „vergezelschappen".

Jan Zwart ziet — in het gedenkboek „Een profeet op de orgelbank" (waarin veel over deze historie vermeld wordt) — de wisselende taak van het orgel als solo-, ensemble- en begeleidingsinstrument, afgetekend in de geschiedenis van de psalmberijmingen. Hij noemt het opmerkelijk dat in de berijming van psalm 150 vers 2 door Hendrik Ghijsen in zijn in 1686 uitgegeven „Honigraat der Psalmdichten enz" voor het eerst gesproken wordt van het orgel als begeleidingsinstrument. Dit valt volgens hem temeer op, waar vroegere berijmers het orgel alleen maar noemen met andere muziekinstrumenten afzonderlijk. Datheen (1566) spreekt van „der basuynen stem, trommels, harpen, fluiten end' der Orghelen gesang"; Revius (1640) van „de stem der Basuynen, luyt, harpe, fluit, trommels, snarenspel en orgels claer en hel" en in 1759 Laus Deo Salus Populo „Dat bazuin en luidt zich sparen! Dat de trommels, snarenspel, orgel harp en fluit verzeil' Om Gods glorie t' openbaren".

In 1774 schrijft Joachim Hess bij een orgelinwijding, dat „zo onder, voor, als na het Gezang, met allerlei Musicale instrumenten, waaronder zig ketel-trommen, trompetten, walthoorns, hautbois en dergelijke bevonden, gevende onder het geluid des orgels zulk een overheerlijke harmonie als men zig nauwelijks verbeelden kan".

Dat die harmonie ook zonder orgel overheerlijk is, kan men zondag aan zondag beluisteren in de Hervormde kerk van Tienhoven. Deze kerk heeft geen orgel. Een blazersensemble begeleidt hier de gemeentezang. Ook dat kan! Toen ik hier ongeveer 25 jaar geleden een dienst meemaakte, maakte het op mij een overweldigende indruk, weet ik nog wel. Wat zullen we dan met de vraag indien er wel een orgel in de kerk is? Ik denk dat de historie het antwoord heeft gegeven. „Om de voys te versterken".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 23 oktober 1984

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Hoe kwam het orgel in de eredienst?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 23 oktober 1984

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken