Bekijk het origineel

Bijbelvertaalwerk afhankelijk van toewijding en inzet kerken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bijbelvertaalwerk afhankelijk van toewijding en inzet kerken

Duizenden houden zich bezig met vertaling Gods Woord (II)

8 minuten leestijd

LEIDEN — Rond 1800 vangt de derde periode van het bijbelvertaalwerk aan. De 19e eeuw, in de kerkgeschiedenis de zendingseeuw genoemd, kenmerkt zich door een plotselinge sterke toeneming van vertaalactiviteiten, vrijwel uitsluitendgericht op wat we nu de Derde Wereld noemen. De kerk leert haar zendingsroeping verstaan en overal ontstaan bloeiende zendingsgenootschappen. Hiermee mag niet de indruk gewekt worden alsof er voor 1800 nooit missionaire bijbelvertalingen gemaakt zijn. Dat is wel degelijk het geval, zij het op zeer bescheiden schaal. Aan Nederland komt zelfs de eer toe de eerste vertaling voor zendingsdoeleinden te hebben vervaardigd.

Het betreft hier het Mattheüsevangelie in het Maleis, gesproken in de Indische Archipel, gemaakt door Albert C. Ruijl in 1629. En in 1663 vertaalt John Eliot als eerste de gehele Bijbel voor de „heidenen", in dit geval de Massachusetts-Indianen in Noord-Amerika. Ook in andere koloniën zijn de Nederlanders actief: zo verschijnen in de 17e eeuw de evangeliën in het Favorlang op Formosa (thans een uitgestorven taal) en in de 18e eeuw op Ceylon in het Sinhalees.
 
India en China

Zoals gezegd, rond 1800 komt de grote doorbraak. Geïnspireerd door het Piëtisme in Duitsland en de Evangelical Awakening van Wesley in Engeland, trekt William Carey in 1793 naar India. In het rotsvaste geloof dat het vertalen van de Bijbel de meest effectieve zendingsmethode is, was deze energieke en zeer begaafde man betrokken bij vertalingen in 44 talen (waarvan hij er zelf 26, geheel of gedeeltelijk, alleen of met helpers, vertaalde). Zijn levensdevies was „Doe grote dingen voor God. Verwacht grote dingen van God".

In zijn voetspoor gaat Judson naar Burma en voltooit onder enorme tegenwerking en tegenslag de vertaling in het Burmees (1835). Morrison maakt een vertaling voor het voor de zending gesloten China, die een verreikende invloed zal hebben. Martyn, zeer begaafd maar zwak van lichaam, voltooit in 6 jaar vertalingen van het NT in het Hindustani, Perzisch en Arabisch. En op Tahiti, ver weg in de Stille Zuidzee, verschijnt in 1818 het Lukasevangelie. Kortom, tussen 1800 en 1830 ontvangen 86 talen de Bijbel voor het eerst; dat is dus meer dan in de vooraf gaande 18 eeuwen.

Een en ander ging vaak met grote moeilijkheden gepaard. Niet zelden was er in Europa veel onbegrip voor het werk van deze pioniers; vaak ook droogde de geldstroom op, zodat Carey bijvoorbeeld een tijd lang als schoenmaker in zijn eigen onderhoud moest voorzien. Dan was er strijd tegen inlandse grootheden, die soms fel gekant waren tegen missionaire activiteiten. Of er waren natuurlijke tegenslagen: termieten die belangrijke manuscripten opvraten, een brand die een drukkerij en een magazijn in de as legde, zodat het vertaalwerk van voren af aan kon beginnen. Maar niets kon het werk stoppen, zodat aan het eind van de 19e eeuw al 456 talen een gedrukte Bijbel of een gedeelte ervan bezitten.

Bijbelgenootschappen

Het leeuwedeel hiervan kwam tot stand door de overal ontstane Bijbelgenootschappen. In 1804 ontstond de British and Foreign Bible Society, die zich onmiddellijk achter het werk van omdat er veel aandacht aan goede training besteed wordt. AUe leden van Wycliffe moeten - naast theologische vorming - zomercursussen volgen in taalwetenschap. Dat was en is nog Carey opstelde en ging zorgen voor de steeds nodig, omdat de Wycliffe Bijfinanciën, voor het publiceren van de vertalingen en tevens nieuwe zendelingen rekruteerde. Toen het leerstuk van de Drieëenheid uit de statuten werd gehaald ontstond er een conflict dat leidde tot de oprichting van de Trinitarian Bible Society, waarmee de Gereformeerde Bijbelstichting relaties onderhoudt.

In Nederland was intussen het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) opgericht, dat een eigen accent ging leggen in de zending. Het besloot namelijk om geen zendelingen maar taalgeleerden uit te zenden naar Indonesië, om daar - naast het vertalen van de Bijbel - de streektalen op schrift te stellen en woordenboeken en grammatica's samen te stellen.

Townsend

Dit beleid heeft tot gevolg gehad dat het NBG een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de taalwetenschap. Namen als Van der Tuuk in de Bataklanden (Noord-Sumatra) en Adriani in Midden-Celebes onder de Toradja's kunnen in dit verband genoemd worden. Veel lezenswaardig materiaal is er over deze en andere NBG'ers te vinden in het tweedelige boek van de onlangs overleden J. L. Swellengrebel „In Leijdeckers Voetspoor. Anderhalve eeuw Bijbelvertaling en taalkunde in de Indonesische talen".

Zo groeit het werk, maar af is het nog niet. In de jaren '20 van deze eeuw reist William Cameron Townsand als bijbelcolporteurdoor Guatemala. Hij poogt Spaanse Bijbels te verkopen aan de indianen, maar merkt al spoedig dat daar weinig belangstelling voor bestaat. Op een dag raakt hij in gesprek met een indiaan die hem vraagt: "Als jouw God zo groot is, waarom spreekt Hij dan mijn taal niet?" Dit iaat Townsend niet los en hij besluit het NT in het Cakchiquel te vertalen. De visie die deze man voor het vertaalwerk had was echter zo groot dat hij in 1934 een organisatie oprichtte om jonge mensen te trainen in het beschrijven van onbekende talen: het Summer Institute of Linguistics(SIL). Aanvankelijk werkte men vooral in Midden- en Zuid-Amerika, maar na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er ook in Afrika en Azië afdelingen van het SIL.

De zusterorganisatie Wycliffe Bijbelvertalers werd opgericht om zorg te dragen voor de rekrutering van nieuwe arbeiders, voor het onderhouden van relaties met de kerken in de „thuislanden" en voor de financiën Het vcrtaalwerk heeft door deze organisatle een grote stimulans gekregen, omdat er veel aandacht aan goede training besteed wordt. AUe leden van Wycliffe moeten - naast theologische vorming - zomercursussen volgen in taalwetenschap. Dat was en is nog steeds nodig, omdat de Wycliffe Bijbelvertalers vooral in kleine bevolkingsgroepen werken waarvan de taal nog niet op schrift staat.

Net als de vroegere NBG'ers moeten ze zelf de grammatica's en woordenboeken samenstellen en dat vereist de nodige opleiding. Bovendien zijn de mensen onder wie gewerkt wordt vaak voor een groot deel analfabeet. Een alfabetiseringsprogramma is daarom een wezenlijk onderdeel van het vertaalwerk in zo'n gebied. Daarnaast kent de organisatie ondersteuningspersoneel in de vorm van secretaressen, leerkrachten, piloten, monteurs, computerdeskundigen enz. om het gehele werk zo effectief mogelijk te laten verlopen,

Thans vormt Wycliffe de grootste interkerkelijke zendingsorganisatie met wereldwijd meer dan 5000 leden, onder wie zo'n 80 uit Nederland, die werkzaam zijn in o.a. Suriname, Kameroen, Soedan en Papua Nieuw Guinea. Ruim 225 Nieuwe Testamenten zijn door het werk van Wycliffe gereedgekomen, terwijl dit najaar het 1000e vertaalproject is begonnen.

Bijna klaar?

Wie denkt dat het Bijbelvertaalwerk op de wereld zo'n beetje zijn eind nadert, heeft het geheel mis. Pas nu worden de werkelijke noden gezien en weet men dat er op de hele wereld meer dan 5000 talen gesproken worden. In bijna 1800 daarvan is al een hele of gedeeltelijke Bijbel verschenen (slechts 236 volledig!), maar in meer dan 3000 talen is dus nog nooit een Bijbelboek gepubliceerd. Ter geruststelling: het betreft hier slechts 6 procent van de wereldbevolking, dus voornamelijk kleine etnische groepen, maar dat zijn altijd nog bijna 300 miljoen mensen.

Vandaar dat er onversaagd wordt verdergewerkt. Technische hulpmiddelen worden op grote schaal ingeschakeld: computers en tekstverwerkers nemen de vertalers veel tijdrovende arbeid uit handen. Vertalers kunnen ook steeds meer gebruik maken van de studieresultaten van anderen. Zo verschijnen er speciale bijbelcommentaren voor vertalers, er is een kwartaaltijdschrift (The Bible Translator) en regelmatig worden er studieconferenties gehouden.

De Bijbelgenootschappen zenden thans vrijwel geen vertalers ineer uit. Wel zijn er vertaalconsulenten (zoals de Nederlanders dr. K. A. van der Jagt en dr. K. F. de Blois) die inheemse vertalers begeleiden en trainen in het zelf vertalen. Daarnaast worden veel oudere vertalingen grondig herzien en opnieuw uitgegeven en zo worden Gods grote daden steeds meer op papier vastgelegd, om gelezen en begrepen te worden.

Overleg

Naast de Bijbelgenootschappen en Wycliffe Bijbelvertalers doen ook andere zendingen aan vertaalwerk. Zo is de zending van de Gereformeerde Gemeente bezig in Nigeria, de GZB in Kenia en Nederlandse medewerkers van de Overzeese Zendingsgemeenschap op de Filippijnen. Gelukkig bestaat er veel overleg en wordt dankbaar van eikaars diensten gebruikgemaakt.

Zo groeit en bloeit het bijbelvertaalwerk. Een werk dat, en dat zal iedere vertaler zich ten volle moeten realiseren, volledig door Gods Geest gedragen moet zijn; met als einddoel voor ogen de komst van Gods Koninkrijk, waarin gelovigen uit alle talen zich verlost weten door het bloed van het Lam. Dat werk is ook van ons gebed afhankelijk, van de inzet en de toewijding van de Nederlandse kerken voor de zaak van de zending.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 17 december 1984

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Bijbelvertaalwerk afhankelijk van toewijding en inzet kerken

Bekijk de hele uitgave van maandag 17 december 1984

Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken