Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tussen Poolse „civielen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tussen Poolse „civielen" en militairen botert het niet

Veiligheidswezen in toenemende mate door leger beïnvloed

8 minuten leestijd

De Poolse geheime dienst (Sluzba Bezpiecentva of SB) kwam in de laatste maanden van 1984 sterk in het nieuws door de moord op de populaire priester Jerzy Popieluszko. De SB heeft een slechte reputatie op het gebied van moorden met een politiek doel. Het was niet de eerste keer dat katholieke geestelijken die zich te zeer met de verboden vakbond "Solidariteit" identificeerden, werden bedreigd of zelfs gedood. De hulpbisschop van Gdansk, mgr. Kluz en de dominicaanse priester Kowalczyk kwamen al eerder onder uiterst verdachte omstandigheden om het leven. Ook na de moord op Popieluszko bleven geestelijken een belangrijk object voor treiterijen. In de nacht van 19 op 20 november werd de priester Eugeniusz Kosciolko uit Kazimierzowka bij Lublin door gemaskerde mannen overvallen en met de dood bedreigd.

De Poolse geheime dienst ressorteert onder het ministerie van binnenlandse zaken (MSW). Behalve de staatsveiligheidsdienst is er de militaire inlichtingendienst (Z-2) die onder het ministerie van defensie valt.
Met de SB (vroeger aangeduid als UB of Urzad Bezpiecentva) wordt tegenwoordig in hoofdzaak de zogenaamde „Derde Afdeling" van de Poolse geheime dienst aangeduid. Deze afdeling draagt zorg voor de onderdrukking van staatsgevaarlijke personen en organisaties.
Er is ook een speciale afdeling, de Vierde, vooral belast met het onderdrukken van dissidente geluiden binnen de kerken. Tot die „Vierde Afdeling" behoorden drie hoofdverdachten in de moord op pater Popieluszko, te weten kapitein Gregor Piotrowski en diens ondergeschikten Waldemar Chielevski en Leszek Pekala.
Tussen afdeling III en afdeling IV bestaat een nauwe samenwerking: de  kerk heeft zich immers van het begin af achter de beweging „Solidariteit", die op haar beurt weer nauwe banden met de dissidentenbeweging „KOR" heeft, gesteld.
Er is ook een „Eerste Afdeling", die zich op activiteiten in het buitenland en tegen buitenlanders toelegt en die al evenzeer een zekere reputatie heeft. Er leven in West-Europa en Noord-Amerika grote Poolse gemeenschappen die in niet onbetekenende mate door Poolse geheime agenten zijn geïnfiltreerd.

Buiten schot
De vierde die in de affaire-Popieluszko in staat van beschuldiging werd gesteld was kolonel Adam Petruszka, officieel aangeduid als „plaatsvervangend hoofd van een afdeling van het ministerie van binnenlandse zaken". Zijn directe chef, generaal Zenon Platek werd wegens plichtsverzuim geschorst.
De in de Poolse media niet nader genoemde „afdeling" is afdeling IV geweest, omdat als grond voor de schorsing „gebrek aan toezicht" werd aangevoerd, wat erop wijst dat de drie hoofdverdachten in de ambtelijke hiërarchie onder generaal Platek ressorteerden.
De in hoogste instantie politiek verantwoordelijken werden echter zorgvuldig buiten schot gehouden. In de eerste plaats is dit de huidige minister van binnenlandse zaken, generaal Czeslav Kiszcak, die wordt beschouwd als een persoonlijke vriend van de sterke man in Polen, generaal Jaruzelski. Kiszcak volgde in 1981 generaal Miroslav Milewski als minister van binnenlandse zaken op. Milewski, die tevens lid van het Politburo is, wordt gezien als een ideologische hardliner en een tegenspelervan Jaruzelski.
Het gerucht gaat dat Milewski, wiens carrière binnen het Poolse veiligheidsapparaat werd opgebouwd, zijn vervanging door de „militair" Kiszcak nooit heeft kunnen verkroppen. Milewski's machtige vrienden in Moskou zorgden ervoor, dat hij als lid van het Politburo belast werd met het toezicht op de veiligheidsdienst. Als zodanig fungeerde hij als de belangrijkste verbindingsman tussen de partij en het ministerie van binnenlandse zaken (MSW), vooral de afdelingen van de veiligheidsdienst.

Twee facties
Het Westduitse blad „Der Spiegel" wijst op het bestaan van twee „facties" binnen het Poolse ministerie, in het bijzonder het daaronder ressorterende veiligheidsapparaat, te weten de traditionele „politiefactie" en de „militaire factie". Deze zouden sinds 1981 (na de benoeming van Jaruzelski's geestverwant generaal Kiszcak tot minister van binnenlandse zaken), elkaars competentie bestrijden. Kiszcaks benoeming zou dan kunnen worden gezien als onderdeel van een veel bredere reorganisatie van het Poolse veiligheidswezen, waarbij de sleutelposities geleidelijk door militairen zouden moeten worden ingenomen. Bij die „reorganisatie" zijn meer dan 2000 ontslagen gevallen.
Deze operatie stuit begrijpelijkerwijze op fel verzet bij de oudere „civiele" garde die de invloed van de militairen te groot ziet worden en die vreest dat daardoor de greep van de partij op het ambtelijk apparaat zal afnemen.
Soortgelijke conflicten hebben zich ook binnen de hoogste leiding van de Sowjet-Unie afgespeeld, waar in het Politburo altijd gepoogd is een zorgvuldig evenwicht tussen partij, de „civiele" KGB (geheime dienst) en de militairen te bewaren. Dreigden de militairen de overhand te krijgen, dan sloten partij en veiligheidsdienst (KGB) zich aaneen teneinde de invloed van de militairen terug te dringen; maar werd de invloed van de veiligheidsdienst te groot, dan kwam het tot een verbond tussen partij en leger.

Beleefdheidsgeste
Aanvankelijk werd generaal Jaruzelski, die tevens partijleider is, gezien als de enige figuur die in Polen orde op zaken kon stellen, maar in 1983 liet de Russische partijleider Andropov zich negatief uit over „burgerlijk-reformatorische ideeën" die hun kans krijgen als de partij zijn „leidende rol" laat verslappen. Andropovs opmerkingen, gemaakt omstreeks het tweede bezoek van de paus aan Polen (juni 1983), vormden een duidelijke waarschuwing aan de Poolse militairen de suprematie van de partij niet prijs te geven.
Aan de andere kant werd Jaruzelski, vier maanden later, door Cuba met de Orde van José Marti, een van de hoogste onderscheidingen, onderscheiden. En tijdens zijn bezoek aan Moskou in mei 1984 kreeg Jaruzelski van de nieuwe Russische partijleider Tsjernenko de Lenin-orde uitgereikt (Jaruzelski was bij die gelegenheid bij hoge uitzondering in burgerkostuum gehuld). Wèl gaf Tsjernenko in zijn rede herhaaldelijk te kennen dat de Poolse communistische partij bij de normalisatie in Polen een kardinale rol speelt.
Het toekennen van de Lenin-orde kan enerzijds als een gebaar van erkenning van Jeruzelski's politiek van stabilisering worden gezien, anderzijds ook als een beleefdheidsgeste die niet automatisch de erkenning van de toegenomen rol der militairen behelst. De waarschuwing aan het adres van Jaruzelski dat het primaat in de Poolse politiek aan de partij toekomt, is in dit verband veelbetekenend.

Fluistercampagne
Is Moskou bij de moord op de populaire priester Popieluszko betrokken geweest? Wat is de rol van de KGB bij dit alles geweest? Het is opmerkelijk, dat juist regeringswoordvoerder Jerzy Urban, volgens Keston News Service, enkele Westerse journalisten zou hebben ingefluisterd, dat politburolid Milewski wel eens met het komplot tegen Popieluszko te maken zou hebben gehad. Volgens Keston News Service maakte de fluistercampagne deel uit van een bewuste poging tot desinformatie om vooral generaal Jaruzelski zoveel mogelijk van alle blaam te zuiveren en zijn politiek in een „gematigd" daglicht te stellen.
Het is mogelijk. Maar het is waarschijnlijker dat Jaruzelski niets met de moord op Popieluszko te maken heeft gehad en dat hij via zijn woordvoerder Jerzy Urban probeerde de positie van een van zijn belangrijkste tegenspelers (Milewski) te ondermijnen.
Inderdaad wordt Politburolid Milewski door velen als de feitelijke „man op de achtergrond" gezien. Hij zou zich dan van gefrustreerde elementen binnen het veiligheidsapparaat, alle, net als hij, ontevreden over de toenemende invloed der militairen, hebben bediend.
Volgens „Der Spiegel" had men in Moskou al in 1981 de „broederlijke hulp" (militaire interventie volgens de Brezjnev-doctrine) willen uitlokken, waarna het omvangrijke Poolse veiligheidsapparaat rigoureus alle oppositie zou onderdrukken. Met zijn onverwachte afkondiging van de „staat van beleg" in december 1981, zou Jaruzelski deze rechtstreekse bemoeienis door Moskou hebben weten te verijdelen (in de maanden daarvoor was in de Russische media op verkapte wijze op een dergelijke interventie gezinspeeld). Daardoor kon na 1981 de macht van de militairen ten koste van de macht der geheime politie sterk toenemen.
De KGB is via een „liaison" in de ambassade met het Poolse ministerie van binnenlandse zaken, en dus met het veiligheidsapparaat, verbonden. Vóór 1957 was het toezicht van de KGB veel directer. Overigens heeft de KGB ook een eigen netwerk in Polen opgebouwd, dat in nauwe verbinding staat met pro- Moskou gezinde partijleden (en Politburoleden).
Volgens John Barron is de „Elfde Afdeling" van het Eerste Hoofddirectoraat van de KGB met de contacten met Oosteuropese en Cubaanse zusterdiensten belast. De KGB, zegt Barron, geeft in het geheim ook leiding aan eigen agenten in het Oostblok.

Geen bewijzen
Kenners van het Poolse veiligheidsapparaat, zoals de voormalige en naar het Westen overgelopen Poolse ambassadeur in Japan, M. Rurarz, zijn van mening dat het vooral de KGB is geweest die achter de moord op Popieluszko heeft gezeten.
Het is bekend, dat de KGB voor het plegen van „politieke moorden" en dergelijke een speciale afdeling heeft. Maar bewijzen voor KGB-bemoeienis bij de moord op Popieluszko zijn er niet. Het scenario, dat de KGB, bijvoorbeeld via de lijn Milewski naar de verontruste leden in het Poolse veiligheidsapparaat, tot de moord op Popieluszko opdracht zou hebben gegeven, is echter niet geheel onwaarschijnlijk. Popieluszko's dood zou een volksopstand hebben kunnen uitlokken die de Russen tot ingrijpen zou hebben gedwongen waardoor Jaruzelski aan de kant geschoven zou worden.

Liever „civielen"
Anderzijds zijn er argumenten die tegen een Russische betrokkenheid pleiten. Een volksopstand in Polen zou de stabiliteit in heel Oost-Europa in gevaar brengen en het is juist Jaruzelski die daarvoor met zijn voorzichtig manoeuvreren tot op zekere hoogte borg staat.
Jaruzelski heeft na de moord op Popieluszko zijn positie alleen maar versterkt. In november nam hij de algehele supervisie over de geheime dienst op zich en de aan hem getrouwen versterkten hun posities ten opzichte van de orthodoxe partijleden. Dit kan in Moskou niet met welgevallen zijn gadegeslagen. Over de precieze achtergronden van de moord op Popieluszko valt dus weinig met zekerheid te zeggen. Wel staat vast dat het conflict tussen de „militairen" en de „civielen" binnen de Poolse geheime dienst er iets mee te maken heeft en dat Moskou meer op de hand van de „civielen" dan van de „militairen" is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 maart 1985

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Tussen Poolse „civielen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 maart 1985

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken