Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boeren zijn niet principieel gekant tegen het verbouwen van bomen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Boeren zijn niet principieel gekant tegen het verbouwen van bomen

Ir. H. A, van der Meiden, Stichting Bos en Hout:

4 minuten leestijd

"Ik heb wel boeren horen zeggen: ik produceer liever hout dat nodig is dan produkten waarvan ik moet lezen dat er te veel van zijn". Directeur H. A. van der Meiden van de Stichting Bos en Hout te Wageningen, betoont zich een warm pleitbezorger van de uitbreiding van bosbouw in Nederland, vindt het verhaal rond zure regen en bossterfte een „opgeblazen zaak" en introduceert het begrip „oud-hout". Met hem gingen we na in hoeverre het bosbouwbeleid de komende jaren omgebogen moet worden. Is meer bosbouw een oplossing voor het landbouw overschottenprobleem ?

  Nederland mag dan een wereldnaam hebben opgebouwd als het gaat om de export van produkten uit de groene sector, voor zijn houtbehoefte is het bijna volledig afhankelijk van het buitenland. Levert ons eigen bos een miljoen kuub hout per jaar, we importeren nog zeker vijftien keer zo veel, oftewel voor zes tot zeven miljard gulden. Trouwens andere delen van het Europese vasteland kampen met hetzelfde probleem.
  „Ongezond, deze situatie", achtte Den Haag al in 1981. „We moeten grote aandacht besteden aan de houtproduktie. Niet alleen omdat het schaars is, maar ook omdat de houtproducerende landen hun hout steeds meer zelf gaan verwerken", zei de toenmalige minister van landbouw J. de Koning, tijdens de week voor bos en natuur. 
  Sinds die tijd houdt dit thema de gemoederen in beweging. Na wat tussenrapportage heeft de Tweede Kamer nu zelfs de beschikking over een heus Meerjarenplan Bosbouw (MJB). Wat daarin wordt aanbevolen is bepaald geen sinecure. Het plan lanceert een drietal speerpunten: door of samen met de overheid moet er 30.000 tot 35.000 hectare bos worden aangelegd, particulieren moeten nog eens 15.000 ha bos extra ter hand nemen en de overheid moet zorgen voor 10.000 km weg- en bermbeplanting.
  Voor de eeuwwisseling zal een en ander tot stand gebracht moeten worden. De doelstellingen zijn bijzonder ambitieus. In de komende vijftig jaar moet de zelfvoorziening van hout opgekrikt worden van 8 procent naar 25 procent. Bos, dat naast houtproduktie. ook natuurbehoud, recreatie en bevordering van de landschapskwaliteit in zich moet bergen. 

Kritiek
  De Stichting Bos en Hout, die volgens haar doelstelling de houtproduktie in Nederland wil bevorderen en in welks bestuur vertegenwoordigers zitten van organisaties die belangen hebben in hout, juicht veel van wat het MJB wil van harte toe. Ze vindt de forse areaal- en zelfvoorzieningswinst een mooie honorering van een jarenoude wens. Toch worden er verschillende vraagtekens gezet bij de haalbaarheid. Bos en Hout-directeur Van der Meiden: „Voor een bedrijfstak als de bosbouw ontkom je er niet aan om een meerjarenraming te maken. Juist omdat de periode tussen poten en kappen zo lang is, moet er absoluut voorkomen worden dat de raming fouten bevat. Foute beslissingen in de landbouw of je tuin kun je het volgend jaar herstellen, in de bosbouw duurt dat jaren. Men moet dan ook afgaan op wat wetenschappelijk onderzoek en lange ervaring aandragen. In het MJB worden hier en daar voorstellen gedaan, die daar zeker niet op gebaseerd zijn. Men moet wel beseffen dat leken toestanden kunnen aanrichten, die pas onderkend en opgemerkt worden, als het al veel te laat is. Dit als algemene inleiding". Van der Meiden is overigens blij dat trends, door Bos en Hout aangedragen, in beleid zijn omgezet. De regering neemt bosbouw eindelijk serieus. Hij betreurt het echter dat voor de bestaande bossen een „januskopbeleid" wordt gevoerd. „Enerzijds wil men de houtproduktie in bestaande bossen drastisch verhogen, maar anderzijds laat het structuurschema natuur/landschapsbehoud daar nauwelijks ruimte voor. Daarin wordt aangestuurd op conservering van de bossen. Men wil — om een voorbeeld te noemen — de omloopsnelheid van bos ouder dan tachtig jaar, meer dan verdubbelen. Onze berekeningen tonen aan dat dit ons jaarlijks een kleine 400.000 kuub kaphout kost. 

Omstandigheden
  Trouwens, was men zo verstandig geweest vooraf onderzoek te doen, dan wist men dat bestaande bossen op dermate matig vruchtbare gronden staan, dat ze de hoge leeftijd van tachtig jaar of ouder niet of maar net halen. Bij bossen is het net als bij mensen:onder slechte omstandigheden zijn ze eerder aan hun end. Er zijn maar heel weinig bosgronden waar oude bossen wel gedijen. Oude bossen hebben het verdere nadeel dat de produktiviteit afneemt naarmate ze verder boven de vijftig komen". 
  „Dan vraag je je af, jongens waar zijn jullie mee bezig", vervolgt hij. „Zoek dat nu eerst uit voordat je het uitvoert en kosten maakt. Jullie resultaat zal naar alle waarschijnlijkheid worden: grote oppervlaktes slecht groeiend hardhout (eiken), met als bestemming slecht zaaghout en brandhout. Wij van Bos en Hout zijn helemaal niet tegen hardhouten loofbossen, maar wensen dan wel te rekenen met de lange omloopsnelheid en hoge prijs. In de bestaande berekeningen is dat weggemoffeld door de rente maar achterwege te laten".
  
De heer Van der Meiden wijst er verder op dat het idee van langlopende bossen tegengesteld is aan de verhoging van de eigen houtproduktie op korte termijn. Had het MJB naaldhout meer gepromoot, dan was dat wel gelukt. „Men vraagt zich niet af wat wetenschappelijk verantwoord is, maar holt achter het idee aan dat er meer loofhout moet komen. Dit is een gevaarlijke hobby", concludeert ir. Van der Meiden. „Enkele van deze slechte beleidsvoornemens in het MJB leiden tot een jaarlijkse houtoogstderving van meer dan een half miljoen kuub. Wij achten dit in strijd met het regeringsvoornemen om de zelfvoorzieningsgraad te verhogen. Uiteindelijk betekent dit dat er onnodig een beroep gedaan wordt op houtbronnen elders in de wereld. Maar liefst voor het extra sommetje van 200 miljoen gulden per jaar".
  
Nog andere zaken verdrieten Bos en Hout. Het geeft ergernis als het MJB voorstelt 18 procent van het totale bosareaal het accent „natuur" te geven, wat in concreto houtkap onmogelijk maakt of ernstig beperkt. Ir. Van der Meiden vindt het te gek dat ook hier meer dan 200.000 kuub hout blijft liggen. Ook hij vindt „natuurbehoud" belangrijk, maar dan wel gezien in het grote verband. Naast kritiek op bosbehoud, richt Bos en Hout ook haar pijlen op bosbeheer, zoals voorgesteld in het MJB. Zo wil het MJB op grote schaal grote grazers erop los laten. Paarden en forse damherten, die het bosbeheer voor hun rekening moeten nemen. „Ervaringen hebben afdoende geleerd dat dit soort projecten gedoemd zijn om te mislukken. Uiteindelijk moet men de dieren vangen of afschieten omdat ze het natuurlijk evenwicht verstoren. Natuurpark Het Loo is daarvan een illustratief voorbeeld", zegt Van der Meiden.  

Geen geld
  Uiteraard voorziet het MJB ook in het financieringsplaatje. In de meerjarenramingen van Landbouw is voor instandhouding en beheer van „particuliere" bossen circa 27 miljoen gulden gereserveerd, terwijl Staatsbosbeheer kan rekenen op circa 57 miljoen gulden. Verkeer en Waterstaat heeft een fors bedrag begroot voor bosaanleg in Zuidelijk Flevoland en langs rijkswegen; Economische Zaken en Landbouw willen met bebossings- en stimuleringssubsidies de produktiebeplantingen door particulieren een stoot voorwaarts geven. 
  Vooral de financiering van particuliere — in veel gevallen boeren — houtbouw, laat volgens Bos en Hout, maar ook andere deskundigen, veel te wensen over. Ir. A. A. C. van Leeuwen van de afdeling Vastgoed van een bekende levensverzekeringsmaatschappij, drukte het onlangs aldus uit: „De eenmalige uitkering van 3000 gulden (voorstel MJB) moet minstens 9000 gulden worden. Anders houdt de bebosser jaarlijks geen redelijke vergoeding over". Ook de heer Van der Meiden wil die kant op. Hij denkt dat er tien jaar lang een bedrag uitgekeerd moet worden van 800 tot 1000 gulden per ha. Na tien jaar vangen de eerste dunningen aan — het betreft hier populieren — en komen de eerste revenuen binnen. Ir. Van der Meiden: „Vergeet niet dat dr. Sicco Mansholt, oud EEG-landbouwvoorman, twintig jaar geleden al voor een dergelijk plan in deze opzet pleitte. Mansholt voorspelde toen al dat er vijf miljoen hectare landbouwgrond te veel zou komen in de EEG. Een gewaagde bewering voor iemand die juist die grootschalige aanpak wilde bevorderen. 
  Dat zelfde „groeneplan" van Mansholt beval aan een bebossingspremie overeenkomstig de jaarlijkse grondkosten: pacht en (waterschaps)lasten. Op dit moment ongeveer 800 gulden". Van der Meiden typeert de huidige overschotten in de landbouw als „de tragiek van dit moment". Ondanks goede boeren en goed vee, wordt er voor een markt geproduceerd die absoluut niet-realistisch is. Het zou echter tegen de mentaliteit van boeren zijn om produktiebeperkingen te eisen.
  
De directeur van Bos en Hout wijst op enkele zaken die bosbouw voor hem aantrekkelijk maken. Zo is de houtopbrengst vrijgesteld van inkomstenbelasting en is bosbouw erg arbeids-extensief. Boeren die rustiger aan willen doen — om wat voor reden dan ook — en die toch hun grond willen houden, zouden hierin een oplossing kunnen vinden. Hij noemt een boerenbedrijf in Brabant waar men dit principe honoreerde. Vooral wanneer zo'n boer zijn schaapjes op het droge heeft, komt zo'n inkomstenbelastingvrijstelling goed van pas. Hij hoeft trouwens niet bang te zijn voor kapitaalverlies doordat dure landbouwgronden bosgronden worden, (bosgronden hebben ongeveer de helft van de waarde van landbouwgronden en vaak nog minder) omdat van herinplantplicht geen sprake meer is. Wel kan een gemeente lastig doen door in de periode dat bosbouw plaatsvindt, de grond een bosbestemming te geven. Na enig procederen komt de boer daar dan wel weer vanaf, maar daar zal hij niet op staan te wachten. 
  Van der Meiden meent dat snelgroeiende bossen (populieren) met een omloopsnelheid van 15 tot 25 jaar, volop kansen moeten krijgen. Hij is blij dat een werkgroep van Landbouw onder leiding van oud-minister F. van der Stee, tot de conclusie is gekomen dat er jaarlijks twintig miljoen gulden meer boven tafel moet komen, wil de bosbouw kostendekkend worden. Waarom men dat niet doet is hem een raadsel. Het Duitse weekblad Die Zeit publiceerde eind vorig jaar cijfers over de kostprijs van het momenteel gevoerde EG-landbouwbeleid. Deze lagen in de buurt van 2500 gulden per hectare per jaar. Daar steekt die eenmalige bijdrage van 3000 gulden even schril bij af. Hij waarschuwt voor optimistische rekenmethoden, die de boer rijk rekenen. „Je moet alles uit de doeken doen", zegt hij. „Alleen dan kan er verantwoord gekozen worden". 

Zure regen?
  Het mag dan leuk zijn dat er zoveel bos bijkomt, maar handelt men realistisch? Wekelijks worden we immers geconfronteerd met het zure-regenvraagstuk dat veel teweegbrengt, onder meer bossterfte. Weet men daar bij Bos en Hout niet van? Van der Meiden berijdt zijn stokpaardje als hij daarover losbarst. „Die publiciteit is een opgeblazen zaak", oordeelt hij. „Ik sluit heus niet uit dat zure regen hier en daar in sterk vervuilde gebieden, slachtoffers maakt onder de bomen. Maar sterke verhalen over bossterfte, dat is echt onzin: fabeltjes. Er sterven noch in Nederland noch in Duitsland, waar ik regelmatig rondkijk, bossen. Trouwens in Zuid-Duitsland spreekt men al niet meer van zure regen, maar van ozonschade". Opvallend mag in dit verband het onderzoek van de Duitse hoogleraar B. Frenzel heten, die in een weekblad een onbekend plantevirus aanwees als de veroorzaker van bossterfte.

Droogte
  Van der Meiden vervolgens: „Wanneer we bossterfte constateren dan meen ik dat dit komt doordat we tien jaar lang erg veel droogte hebben gehad gedurende het groeiseizoen. Naaldbomen laten daardoor hun oude naalden vallen, wat aangeeft dat een boom in de problemen zit. Men kan dit stress noemen of aantasting van de vitaliteit. Van een Wageningse bodemkundige hoorde ik onlangs de waardevolle verklaring dat bossterfte wel eens veroorzaakt kon zijn door een bovenmatige onttrekking van water uit de grond, vanwege intensieve beregening van het gewas in de droge zomermaanden. Niets is slechter voor een bos dan droge zomers en zachte winters. Dit jaar bloeien de bossen weer op. De winter was dan ook prima en deze zomer mag er ook zijn". Duidelijk is dat er tal van verklaringen over de sterfte van bossen de ronde doen. Van der Meiden veegt ze van tafel en toont met cijfers van het Duitse ministerie van landbouw aan dat die bossterfte in werkelijkheid niet méér inhoudt dan dat ongeveer anderhalf procent van de bomen in Duitsland dood is of binnenkort gaat. Dit is volgens hem heel normaal. Ook bomen gaan eens dood.  

Blindstaren  
  Ook vindt deze afsterving niet plaats geconcentreerd in bepaalde gebieden. Het gaat om individuele bomen in gezonde bossen. De directeur van Bos en Hout beschouwt het verhaal van zure regen niet als „kwaadwilligheid". Hij denkt dat mensen zich blind staren op de milieuvervuiling en per se iets willen ondernemen. Hij vindt dat een „nuttige categorie van onze samenleving". Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs van de relatie tussen zure regen en bossterfte. In Nederland is slechts één goede studie over dit onderwerp gedaan.   
  Boos wordt hij wanneer de acties van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu tegen de zure regen ter tafel komen. Vooral de foto's van dode bomen typeert hij als „misleidend". „Zo moet je mensen niet voor de gek houden", zegt hij. „Een overheid kan zich deze vorm van actievoeren niet.permitteren". 

Zuinig 
  Zijn er ook mogelijkheden om de houtconsumptie te beperken? De wereldbevolking neemt toe en daarmee het houtgebruik. Wat te zeggen van hergebruik van oud hout? Van der Meiden: „Er is veel hout dat op die manier nuttig gemaakt kan worden. Je kunt er wel geen papier uit maken, maar wel geperst hout voor meubelen. Het grote voordeel van dit gebruik is dat ook krom hout nuttig gemaakt kan worden. Het milieuprobleem van veel geverfd en geïmpregneerd hout vormt echter een niet te verwaarlozen nadeel". Hij verwacht dat er in de toekomst zeker mogelijkheden ontstaan voor hergebruik van hout. Wat met oud papier kan, kan ook met oud hout. 

Derde wereld 
  Ondanks het MJB blijft Nederland voor zijn hout aangewezen op het buitenland. Net als elk land van de EEG is het een netto-importeur van hout en houtprodukten. Na aardolieprodukten is hout EG's belangrijkste importprodukt. Hoe staat het met het hout in de rest van de wereld en in het bijzonder de derde wereld. Belangrijke jongens op die markt zijn USA, Canada en USSR. Sinds kort nemen de ontwikkelingslanden ongeveer een kwart voor hun rekening, en dat deel wordt steeds groter. Juist daar ontstaan dan ook de problemen.
  
Daar groeit de bevolking immers het snelst, neemt de ontwikkeling toe en tevens het hout/papierverbruik. India is zelfs al zover dat het in Nederland oud papier koopt. Andere landen kampen met het grote probleem van ontbossing en kap van tropische regenwouden. Er worden zelfs plannen geopperd om tropische (hardhout) importen onmogelijk te maken en om daar een goed bosbeleid op poten te zetten. Wil het evenwicht gehandhaafd blijven dan zal de aanplant gelijke tred moeten houden met de kap.
  Ir. Van der Meiden meent dat zo'n importstop onverantwoord is, omdat dan de economische betekenis van het tropische bos verdwijnt en daarmee het bos zelf. „Je kunt je wel natuurreservaten permitteren in ons rijke landje, maar als je geen geld hebt om fatsoenlijk eten te kopen, wat dan...? We hebben de laatste oorlogswinter meegemaakt wat het betekent als er houtschaarste is. In de grote steden kapte men alle bomen, om maar een vuurtje te kunnen stoken. Veel ontwikkelingslanden verkeren permanent in zo'n ooriogssituatie. Het is ook niet zo dat al dat tropisch hout geëxporteerd wordt. Negentig procent wordt verbrand om eten op te koken of weide/ bouwgronden te kunnen vernieuwen".
  
De heer Van der Meiden wilde dat ontwikkelde landen de ontwikkelingslanden gingen ontlasten door zelf de houtproduktie op te voeren. Ook zal ontwikkelingshulp gericht moeten zijn op een goed bosbeleid. Hij benadrukt dat het hier om een uiterst complexe problematiek gaat waar niet zo even een oplossing voor gevonden is. Wanneer een land, w^ar overschotten hun beslag leggen op de landbouw, overgaat op een teelt waar wel muziek in zit, dan is er in ieder geval een goede stap gezet. „Boeren zijn niet principieel gekant tegen het verbouwen van bomen. Ze produceren liever hout dat nodig is dan produkten die overbodig zijn", aldus de directeur van de Stichting Bos en Hout.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1985

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Boeren zijn niet principieel gekant tegen het verbouwen van bomen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1985

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken