Bekijk het origineel

„Het dreigt te escaleren een hetze tegen de hele krijgsmacht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Het dreigt te escaleren een hetze tegen de hele krijgsmacht"

"Toestanden bij pantserinfanteriebataljon Oirschot „niet meer dan incident"

3 minuten leestijd

Ouders vragen verontrust in telefoongesprekken met de soldatenvakbond of hun dienstplichtig kind straks werkelijk door het leger wordt mishandeld. "Het beeld van een bende waar wordt gevloekt, gezopen, geschopt, geslagen en getrapt, is volkomen misplaatst", zegt opperwachtmeester der cavalerie R. Joustra, voorzitter van de Koninklijke vereniging van onderofficieren „Ons Belang". De ruggegraat van het leger recht zich onder de beschuldigingen van dienstplichtigen.

  Het leger kon de dienstplichtigen van de Alfa-compagnie van het 17e pantserinfanteriebataljon in Oirschot dit voorjaar niet meer verbazen. De infanteristen waren gehard. Ze waren vernederd, uitgescholden en soms geschopt en geslagen.
  
Twee van hun kwelgeesten kregen in mei door de compagniescommandant het rode erekoord uitgereikt, dat hen onderscheidde als uitmuntende militairen. Op dat moment onderzochten twee generaals al maandenlang de wantoestanden bij de Alfa-compagnie.
  
Vorige week zijn de twee onderscheiden onderofficieren geschorst. Zij moeten zich verantwoorden voor de Krijgsraad. Ook de commandant en zijn plaatsvervanger wacht een dagvaarding voor het militaire gerecht. Zij zijn niet geschorst, maar hebben een straf-overplaatsing gekregen. Vier andere onderofficieren zijn ook overgeplaatst en worden intern gestraft. De erekoorden zijn weer ingenomen. 

Zwartboek
  Volgens de soldatenvakbonden (Algemene vereniging van dienstplichtige militairen (VVDM) en de Algemene vereniging van Nederlandse militairen (AVNM) zijn de infanteristen binnen de Koninklijke Landmacht het haasje. De meest recalcitrante bond (VVDM) brengt volgende week een zwartboek uit, waarin misstanden bij de pantserinfanteriebataljons in Den Bosch, Assen en Zuidlaren aan de kaak zullen worden gesteld.
  VVDM-secretaris Hans de Wilt: „Ik wil heus niet zeggen, dat wat in Oirschot is gebeurd, regel is, maar soms loopt het de spuigaten uit. Het kader van het 44e pantserinfanteriebataljon in Zuidlaren, dat vroeger in Libanon zat, vindt, dat het de eer van Libanon hoog moet houden, en dat blijkt dan ook wel uit de behandeling van de soldaten."
  In tientallen telefoongesprekken met dienstplichtige soldaten en afgezwaaiden, noteerden de belangenverenigingen tal van mishandelingen. AVNM-voorzitter Pieter van den Ban: „Als het kader zich te buiten gaat aan een gewelddadige behandeling van de soldaten, gebeurt dat vooral tijdens velddiensten. Op het moment, dat een beroepskaderlid fysiek geweld gaat gebruiken, is hij niet meer geschikt om dienstplichtigen op te leiden. Tijdens een bivak komen spanningen al gauw naar boven door gebrek aan slaap, onvoldoende eten en zware oefeningen.
  De soldaten zijn bezig onder oorlogsnabootsende omstandigheden. Scheldend en tierend forceert het kader de hele groep naar een bepaalde prestatie. Tijdens marsen mag niemand achterblijven." Medebestuurslid Richard Zeelenberg: „De één zegt: ik geef je een trap, en een ander doet het." Volgens Van den Ban en Zeelenberg komt het herhaaldelijk voor, dat soldaten met een medische mutaties van de militaire arts, waarin deze de commandant adviseert hem vrij te stellen van bepaalde diensten, worden gedwongen aan de velddiensten en marsen deel te nemen.
  Van den Ban: „Verschillende keren moest zo'n soldaat later worden opgenomen in het militaire hospitaal. Door het grote aantal simulanten gaat het kader er van uit, dat iemand die iets mankeert, zich wil drukken. Naderhand kijken ze dan wel of het een echte klacht is geweest." 

Angst
  Zelden beklagen onbillijk behandelde soldaten zich bij hun meerderen. „Angst dat een klacht gevolgen heeft voor hun verdere diensttijd weerhoudt hen", vermoedt Van den Ban. „In theorie is er een heel sluitende beklagregeling, maar de dienstplichtigen zijn bang, dat zij daar door het kader de rest van hun diensttijd mee worden lastig gevallen. De jongens denken: als ik mij maar koest houd, kom ik het wel door." „Dan blijkt ook, dat ze helemaal niet zo mondig zijn, als wel eens wordt gedacht", meent De Wilt. „Bij de pantserinfanterie zitten veel mensen van 17 en 18 jaar, en ja, die worden zo snel geïntimideerd, die denken dat het in het leger normaal is wat er allemaal gebeurt. Zij zijn zo onder de indruk van een schreeuwende sergeant, dat zij zeker in de opleiding daar niets over durven zeggen."
  Nadrukkelijk stellen de AVNM-bestuursleden Van den Ban en Zeelenberg dat misstanden zoals die zich hebben afgespeeld in Oirschot incidenten zijn. „Het is niet zo dat de hele krijgsmacht bestaat uit schreeuwende en tierende (onder)officieren, die naar believen een schop en een klap uitdelen. Wij denken dat het vaak om incidenten gaat waarbij mensen één keer over hun toeren raken."

Ruggegraat
  Als kleine baasjes van de landmacht staan de onderofficieren in de militaire hiërarchie tussen de officieren en dienstplichtigen in. De dienstplichtige soldaten komen en gaan om de veertien maanden, officieren nemen na twee, drie jaar weer afscheid van een onderdeel. De altijd aanwezige onderofficieren worden wel als ruggegraat van het leger beschouwd. De opwinding rond de wantoestanden bij het zeventiende pantserinfanteriebataljon in Oirschot ervaart voorzitter Joustra van de onderofficiersvereniging Ons Belang als een onrechtmatige smet.
  Joustra: „Het dreigt te escaleren tot een hetze tegen de hele krijgsmacht. Zo van: Zie je wel: het is daar een bende, er wordt gevloekt, er wordt gezopen, er wordt geschopt, er wordt geslagen, er wordt getrapt, en onze arme jongens worden mishandeld. Ik vindt dat beeld van de krijgsmacht volkomen misplaatst." „De Nederlandse beroepsmilitair en in het bijzonder de onderofficier staat door de jaren heen toch wel bekend als integer, vakbekwaam en goed opgeleid. Jaarlijks leveren wij duizenden dienstplichtigen af, waar eigenlijk toch nooit kritiek op is. En als er dan een ongelukje onderweg gebeurt, moet men dat er niet uittillen als kenmerkend voor dè sfeer binnen de hele krijgsmacht. En dat dreigt nu wel te gebeuren. Dit zijn incidenten, hoe jammer genoeg ook."
  „Aan de andere kant is de krijgsmacht door de integratie in de afgelopen jaren een afspiegeling geworden van de burgermaatschappij. Als je dan nagaat dat we zo'n 80.000 tot 90.000 militairen in actieve dienst hebben, zowel beroeps- als dienstplichtig, nou, vergelijk dat dan eens met een stad van die omvang. Daar gebeurt ook wel eens wat. Ook met de regelmaat van de klok. In zo'n grote gemeenschap van militairen gebeurt inderdaad ook wel eens wat."
  De toon in het leger wil Joustra in geen geval grof noemen". „Functioneel, een beetje passend bij het opleidingsbeeld en dat wil niet zeggen dat het beledigend of krenkend voor de mensen zou zijn. Hier en daar zal het echt wel eens gebeuren, hier en daar zal er echt wel eens één de nodige vloeken lanceren, terwijl dat niet passend is. Maar het geven van commando's en het soms een beetje luid geven van commando's, het luid corrigeren bij een oefening hoort er wel bij, en dan heb ik het niet over schoppen, trappen en slaan. Dat blijf ik veroordelen." 

Rompslomp
  Irritaties en spanningen bij het kaderpersoneel worden volgens Joustra niet veroorzaakt door de mondig geworden dienstplichtigen. De opleiding van het beroepspersoneel is daarop afgestemd. Joustra: „Het probleem zit zuiver in het feit dat we te weinig beroepspersoneel hebben, zodat er te weinig aandacht kan worden besteed aan de dienstplichtige militair. Een tweede punt is dat commandanten, en met name de commandanten op het lagere niveau, zeg maar de compagniescommandanten, steeds meer aan hun bureau gekluisterd worden door allerlei administratieve rompslomp. De commandant is nauwelijks meer in de gelegenheid om bij zijn eigen onderdeel te zijn om ook eens de club te kunnen begeleiden, zijn onderofficieren te kunnen begeleiden. De commandant heeft domweg geen tijd om zich daarmee te bemoeien. Veel meer commandanten dan die in Oirschot dreigen te falen als zij nog meer in de administratieve rompslomp verzeild raken. Dat moet ook een signaal zijn voor de politieke leiding om nu eens eindelijk een keer aandacht aan de krijgsmacht te besteden, en die niet in een hoekje weg te moffelen." 

Miskenning 
  „Onze dienstplichtige moet er van overtuigd zijn, dat hij eerlijk, correct en netjes wordt behandeld", zegt Joustra. „Dat wordt hij ook, door het grootste gedeelte van de beroepsmilitairen, en ik weiger om die beroepsmilitairen nu een stempel op te laten drukken. Dat is een miskenning voor de kwaliteit van de Nederlandse beroepsmilitairen. Zowel officieren, onderofficieren als beroepskorporaals. Ik sta voor die mensen echt in."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

„Het dreigt te escaleren een hetze tegen de hele krijgsmacht

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken