Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SGP: „Onze bezwaren tegen gezantschap bij paus staan nqg recht overeind

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

SGP: „Onze bezwaren tegen gezantschap bij paus staan nqg recht overeind"

Peiling opvattingen RPF, GPV, CDA, Wagenaar, en:

9 minuten leestijd

's-Gravenhage, 1925. De Nacht van Kersten. Den Haag, 1985. Behoort een nacht van Van Rossum tot de reële mogelijkheden? Het is een hypothetische vraag, want zestig jaren hebben hun uitwerking niet gemist. De politieke en kerkelijke landkaart van Nederland in 1985 ziet er heel wat anders uit dan de kaart van Nederland in 1925. Maar toch, in elk geval kan uit het antwoord op de gestelde vraag blijken hoezeer de verhoudingen zijn verschoven.

  Hoe ingrijpend ons land in de afgelopen zestig jaar ooit veranderd is, de SGP heeft haar plaats, als meest stabiele factor in de Nederlandse politiek, behouden. Een kleine partij, als toen, maar voor wie bij tijd en wijle een blik achter het groene gordijn mag werpen, niet onder invloed. En wat niemand in 1925 bevroeden kon, het gezantschap bij de paus werd nog geen twintig jaar later hersteld.
  Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Nederlandse regering in Londen zat, werd de discussie over het gezantschap bij de paus opnieuw aangezwengeld. De redenen waren dezelfde als die welke er in 1915 toe hadden geleid dat Nederland een vertegenwoordiger bij de "Heilige Stoel" kreeg: centrum van diplomatiek verkeer. Onder en op initiatief van de antirevolutionaire minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy, een man die bekend stond als calvinist in hart en nieren, ging Nederland er voor derde keer toe over een „luisterpost" in te richten bij de paus.
  Dit gebeurde overigens zeer tegen de zin van koningin Wilhelmina, die zich tot het uiterste tegen deze stap verzette. De toenmalige minister van buitenlandse zaken, Van Kleffens sprak later van „barren tegenstand" die door de Koningin werd geboden. De macht van de Koningin reikte evenwel niet zover, dat ze het regeringsvoornemen kon verhinderen.

Opvolger ds. Zandt
  Gezien het optreden van de SGP van voor de oorlog zal het niemand verwonderen, dat die partij direct na de oorlog in de Tweede Kamer terugkomt op deze tijdens het parlementsloos tijdperk genomen beslissing. De opvolger van ds. Kersten, ds. Zandt, trekt gedurende een groot aantal jaren ten strijde tegen de door hem zo gevreesde verroomsing van ons land. Het meest bekend wordt de door ds. Zandt in 1953 ondernomen actie tegen de „verroomsching onzer bankbiljetten." De SGP-afgevaardigde tekent bij die gelegenheid protest aan tegen de afbeelding van Sint Maarten op het bankbiljet van ƒ 25,- dat in 1949 in omloop was gebracht.
  Het gezantschap wordt door ds. Zandt voor het eerst aangesneden op 4 december 1946, de dag voor de verjaardag van een andere Sint. In navolging van zijn voorganger Kersten, dient de Delftse predikant samen met zijn-fractiegenoot ir. C. N. van Dis een amendement in op de begroting van Buitenlandse Zaken. De argumenten, die ds. Zandt voor zijn amendement aanvoert zijn bekend: Nederland verloochent zijn geschiedenis, en bovendien is het gezantschap een „erkenning van de geestelijke macht des Pausen" waartegen de Hervorming zich met alle macht heeft gekeerd.
  
De leider van de christelijk-historische kamerfractie, mr. Schmal, schaart zich achter de SGP. Hij wijst erop dat er in 1925 een beslissing is genomen en er in twee jaar niets wezenlijks is veranderd. Daar komt nog bij, zo stelt Schmal, is dit „principiële standpunt" van de CHU al bekend vanaf 1920, toen De Savornin Lohman zich al tegen het gezantschap keerde.

  Van der Goes van Naters, sprekend namens de tot regeringspartij verheven PvdA, brengt naar voren, dat hij het gezantschap los ziet van enige geloofsovertuiging. Voor hem geldt dat het Vaticaan een mini-staat is waar Nederland, net als bij andere staten, diplomatiek vertegenwoordigd dient te zijn. In Europa heeft het Vaticaan de rol van Genève (Volkenbond) als diplomatiek centrum overgenomen. Daarom heeft ons land meer dan ooit belang bij de gezantschapspost. Slechts het kamerlid Scheps valt uit de socialistische boot, omdat hij de vertegenwoordiging bij de paus niet in overeenstemming kan brengen met zijn „evangelische opvattingen."

Opnieuw pogingen
  Op dinsdag 10 december 1946 valt de beslissing. Het resultaat van de stemming is ditmaal weinig verrassend: het amendement wordt met overgrote meerderheid verworpen: 65 kamerleden hebben tegengestemd, 9 kamerleden waren voor. Uiteindelijk waren het alleen de SGP en de CHU, die het amendement-Zandt steunden.
  
Eén jaar later snijdt ds. Zandt de zaak opnieuw aan. Aan het slot gekomen van zijn betoog over de begroting van Buitenlandse Zaken merkt de SGP'er op: „Nog een enkel woord over het gezantschap bij de paus. Onze mening te dezen blijft dezelfde als vorig jaar, maar wij willen geen obstructie voeren en ons parlementair gedragen. Daarom zullen wij, hoewel onze mening dezelfde is gebleven, geen amendement indienen." Met deze woorden is voor ds. Zandt een punt gezet achter pogingen om langs parlementaire weg het gezantschap op te heffen.
  
De eerstvolgende parlementariër, die het pauselijk gezantschap weer te berde brengt is ir. Van Rossum, sinds 1971 de buitenlandman van de SGP-fractie in de Tweede Kamer. In 1975 (de precieze datum is 11 november, dus op de dag af vijftig jaar na de Nacht van Kersten), zegt hij in zijn redevoering over het buitenlands beleid van het kabinet-Den Uyl het volgende: „In de loop van het jaar is de aandacht van de minister al eens gevraagd voor de twee ambassades in Rome, en is gevraagd een combinatie te overwegen. U weet, mijnheer de voorzitter, uit de geschiedenis van onze partij, hoezeer de opheffing van het gezantschap bij de paus ons ter harte gaat. Mogelijk vindt de minister, gelet op zijn algemene houding ten opzichte van godsdienstige opvattingen en mede op grond van budgettaire overwegingen een reden om hier het mes in te zetten." Van Rossums verzoek werd niet ingewilligd door het rode kabinet, waarin rooms-katholieken en antirevolutionairen voor de witte rand mochten zorgen.
  
Zeven jaar later doet ir. Van Rossum opnieuw een poging. Naar aanleiding van het voorgenomen staatsbezoek van de Koningin aan Italië suggereert de staatkundig-gereformeerde afgevaardigde voor de tweede keer de ambassades te Rome samen te voegen. Alweer zonder succes.

Standpunten
  Hoe kijkt de SGP-fractievoorzitter nu aan tegen het gebeurde in 1925? Ir. Van Rossum: „Onze bezwaren tegen het gezantschap bij de paus staan nog recht overeind. Dat hangt natuurlijk samen met onze kijk op de Rooms-Katholieke Kerk. Luther en Calvijn hebben zich altijd verzet tegen de aanmatigingen van de paus, en ook onze voorvaderen hebben strijd geleverd tegen Spanje en Rome. In het gezantschap zien we een erkenning van de pretenties van de paus. Als SGP kunnen we het daar dus niet mee eens zijn. Het principiële standpunt van ds. Kersten en ds. Zandt is ook het standpunt van de huidige SGP-fractie."
  
Hoe zit dat met de andere partijen? De meest met de SGP-verwante fracties in de Tweede Kamer zijn GPV en RPF. Zou het GPV-kamerlid Schutte voor een amendement-Van Rossum stemmen om de gezantschapspost bij het Vaticaan op te heffen? Schutte na enig nadenken: „Die vraag kan ik niet zomaar met een eenvoudig ja of nee beantwoorden. Als het louter en alleen om het gezantschap zou gaan, zou ik waarschijnlijk wel voor zo'n voorstel stemmen, maar het wordt anders, wanneer daardoor een kabinet naar huis zou worden gestuurd dat naar alle waarschijnlijkheid vervangen zou worden door een minder aanvaardbaar kabinet."
  
Ook het RPF-kamerlid Leerling aarzelt. Hij verklaart: „Ook al is de paus leider van een van de christelijke kerken, daarmee heeft hij nog geen recht op wereldlijke macht, ook niet op het kleine stukje grond, dat Vaticaan heet. Een amendement-Van Rossum zou zeker op de sympathie van de RPF-fractie kunnen rekenen; we wijzen zo'n initiatief niet op voorhand af. „Een duidelijk ja of nee laat Leerling echter niet over z'n lippen komen.
  
Wat denkt de neo-antirevolutionair Wagenaar van deze zaak? Hij is de enige die onomwonden antwoord geeft: .,Ik zal tegen zo'n voorstel stemmen. Voor mij staat vast, dat ik het niet eens ben met de opvattingen die in rooms-katholieke kring leven over de paus, maar dat staat los van de vraag of Nederland een vertegenwoordiging moet hebben bij het Vaticaan."
  
Belanden we ten slotte bij het CDA, meer speciaal het CHU-smaldeel binnen de christen-democratische gelederen. Het antwoord van de duidelijk in de rechterflank van deze partij opererende Mateman is openhartig: „De verhouding rooms-katholiek-protestant is totaal anders geworden dan in de jaren twintig; vooral na het Tweede Vaticaans Concilie is er veel veranderd in katholiek Nederland. De scherpe kantjes zijn eraf. Bij het CDA is zelfs geen begin van steun voor een eventueel SGP-amendement, waardoor de gezantschapspost bij het Vaticaan zou verdwijnen, te vinden." Het CDA-kamerlid ziet het gezantschap niet als een godsdienstige kwestie, maar beschouwt de post veel meer als een Nederlandse vertegenwoordiging bij een wereldlijk staatshoofd. De voorstanders van weleer zijn dus „om", zoals dat heet. Lohman, ten spijt.

Amendement?
  Rest nog de vraag of ir. Van Rossum dit jaar bij de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken een amendement zal indienen om het gezantschap bij de paus op te heffen. Opnieuw ir. Van Rossum: "Het heeft geen enkele zin een motie of amendement in te dienen, als je al van tevoren weet dat zo'n uitspraak met overgrote meerderheid zal worden verworpen. Dan kun je beter geen amendement indienen, want met een verworpen amendement doe je de zaak waar je voor staat meer kwaad dan goed."
  
Met deze handelwijze loopt de huidige fractievoorzitter geheel in de lijn van wat de vroegere vertegenwoordigers van de SGP in de Tweede Kamer deden. Ds. Kersten noch ds. Zandt diende klakkeloos voorstellen in. Bij het debat in 1925, dat leidde tot de val van het kabinet-Colijn, erkende ds. Kersten dat „er wat voor te zeggen is" niet elk jaar met hetzelfde amendement te komen. De indiening van zijn amendement op dat moment geschiedde dan ook, nadat de verkiezingen die eerder dat jaar hadden plaatsgehad de SGP'er „eenige hoop" hadden gegeven, zoals hij het zelf uitdrukte.
  
En ds. Zandt (zie hierboven) zag er na één mislukte poging definitief van af verder nog acties tegen het gezantschap te ondernemen. En dat was, gezien de omstandigheden, misschien maar het verstandigst ook.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1985

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

SGP: „Onze bezwaren tegen gezantschap bij paus staan nqg recht overeind

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1985

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken