Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Na alle rapporten: Wil er nog iemand leraar worden?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Na alle rapporten: Wil er nog iemand leraar worden?

P. Mulder (Driestar): Onderwijs heeft de liefde van mijn hart

7 minuten leestijd

Het lijkt zo langzamerhand buitengewoon onverstandig om te kiezen voor het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs. En als toch voor dat vak wordt gekozen, kunnen aankomende docenten uit verschillende rapporten opmaken wat hun allemaal te wachten staat. Na een enthousiast begin komen ze rond hun vijfendertigste jaar in een „midlevencrisis". Als ze die crisis door zijn, branden ze af op hun leerlingen en raken volkomen uitgeblust, om vervolgens afgekeurd te worden wegens invaliditeit. Overigens is het de vraag of het allemaal wel zo dramatisch is, als uit de rapporten blijkt. Bovendien is het bijna zeker dat ook in andere beroepen crises niet te vermijden zijn.

  Het beroep van leraar schijnt een ideaal beroep te zijn om te onderzoeken. In 1983 promoveerde L. G. M. Prick op zijn proefschrift „Het beroep van leraar". Prick introduceerde de term „midlevencrisis". Tussen de vijfendertig en vijfenveertig jaar maken erg veel docenten een crisis door, omdat ze tot de ontdekking komen dat door hun ouder worden de verhouding tot de leerlingen verandert.
  
In dat proefschrift schrijft Prick dus over een crisis in de loopbaan van docenten, die veroorzaakt wordt door iets waar ze niets aan kunnen doen, maar wat wel alles te maken heeft met hun persoonlijkheid, met hen zelf.
  
In maart van dit jaar publiceerde het Nederlands Genootschap van Leraren (NGL) een rapport onder de titel „Vijf over twaalf". In dat rapport wordt geschreven over de sterke stijging van het ziekteverzuim onder leraren en de toeneming van het aantaf afkeuringen wegens invaliditeit. Volgens het rapport worden die verschijnselen veroorzaakt door allerlei bezuinigingen, niet alleen in de scholen maar ook in de salarissen van docenten. Volgens het NGL is het dus de schuld van de overheid, dat leerkrachten voor hun pensionering de school vaarwel moeten zeggen.

Afgeknapt
  Van de week verscheen er een onderzoeksrapport van de Rotterdamse socioloog drs. A. J. H. van Ginkel onder de titel „Demotivatie bij leraren". Ruim één op de drie leerkrachten in het voortgezet onderwijs acht zich niet (langer) meer geschikt voor zijn functie. Ze zijn teleurgesteld, afgeknapt en uitgeblust als gevolg van de houding van de leerlingen. Volgens dit onderzoek zijn de leerlingen de schuldigen.
  
Inmiddels heeft minister Deetman aan een instituut van de Katholieke Hogeschool in Tilburg opdracht gegeven een breed onderzoek in te stellen naar de zwaarte en omvang van de taak van docenten. Kennelijk hecht de bewindsman veel waarde aan dit onderzoek, want recentelijk heeft hij in een circulaire aan scholen en leerkrachten gevraagd aan dit onderzoek hun volledige medewerking te verlenen.
  
Natuurlijk zou het onzin zijn de inmiddels verschenen publikaties te bagatelliseren. Maar het is evengoed onzin om ze te gebruiken om daarmee het beroep van docent als een onmogelijk te vervullen beroep af te schilderen. Want in de eerste plaats moet bedacht worden dat elk beroep zijn voors en tegens kent. Vervolgens is het een feit dat andere beroepsgroepen nog maar weinig zijn onderzocht, zodat er nauwelijks vergelijkingsmateriaal op dat gebied voorhanden is.

Beperkingen
  De studie van Van Ginkel kent nogal wat beperkingen, die noodzaken tot het plaatsen van vraagtekens bij de representativiteit van de uitkomsten voor het totale voortgezet onderwijs in ons land. Zo heeft Van Ginkel zijn onderzoek beperkt tot docenten, die in Den Haag en Rotterdam werken.
  
Maar zouden leerlingen buiten de grote steden eenzelfde gedrag vertonen? In het persgesprek zei Van Ginkel deze week dat hem dat inderdaad aannemelijk voorkwam. Dit lijkt, zonder verder onderzoek, een ietwat voorbarige conclusie. Als schoolverzuim of spijbelen een gevolg is van demotivatie bij leerlingen - en voor die conclusie is alle reden - dan is het wel opmerkelijk dat het spijbelpercentage in de grote steden aanzienlijk hoger is dan elders in ons land.
  
Helaas heeft Van Ginkel zijn onderzoek beperkt tot het algemeen voortgezet onderwijs. Het zou erg interessant geweest zijn, als hij ook het lager beroepsonderwijs zou hebben onderzocht. Tenslotte is het ook erg jammer, dat de Rotterdamse socioloog in de uitkomsten van het onderzoek geen onderscheid heeft gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

Interactie
  Over Van Ginkels studie spraken we met de heer P. Mulder, rector van de reformatorische scholengemeenschap „De Driestar" in Gouda. Mulder onderschrijft de stelling van Van Ginkel, dat het beroep van leraar zwaar is. Die zwaarte zit niet zozeer in de overdracht van kennis maar wel in de interactie tussen docent en leerlingen.
  
Voortdurend moet de docent de aandacht van de leerlingen trekken en vasthouden, hij moet de klas tot meedoen activeren. Hij moet goed en snel kunnen reageren op voor hem volslagen onverwachte gebeurtenissen. Mulder verzekert dat het echt zwaar is om achtentwintig lesuren per week gedurende veertig weken per jaar die taak te vervullen. Maar zijn leerlingen op reformatorische scholen ook zo ongeïnteresseerd, zo gedemotiveerd? Volgens Mulder is het goed te benadrukken, dat deze leerlingen niet beter zijn dan andere leerlingen. Toch verkeert het reformatorisch onderwijs volgens hem (nog) in een gunstige situatie. De leerlingen weten nog wat gezag is, ze kennen nog zoiets als plichtsbesef en hebben in het algemeen nog wel idealen.
  
„Bovendien, en dat is", zo zei Mulder „niet te onderschatten, onze leerlingen weten sfeer in de school, in de klas, nog te waarderen". Aan die sfeer wordt ook erg veel aandacht besteed op „De Driestar". Maar desondanks blijft het beroep van leraar zwaar.

Gedreven
  Het verwondert Mulder dat economieleraren het meest gedemotiveerd zijn, volgens het rapport „Demotivatie bij leraren", en dat leraren godsdienst en maatschappijleer daarvan veel minder last hebben. Die laatste categorie leraren is zelfs nog minder gedemotiveerd dan sommige conrectoren. Volgens Van Ginkel komt dit doordat godsdienstleraren zich „gedreven" weten. Die leraren zijn ook niet bang om binnenkort „af te knappen" of het bijltje er bij neer te leggen. Ze hebben ook geen spijt van hun keus voor dit beroep en vinden het leuk om met jonge mensen om te gaan. Het hoogst gedemotiveerd zijn dus economieleraren. Mulder weet weinig over demotivatieverschijnselen bij deze categorie te vertellen, omdat hij ze in die omvang niet heeft waargenomen. Wel is het volgens hem waar, dat juist op deze leraren het bedrijfsleven een grote zuigkracht heeft. Van Ginkel constateert dat de demotivatie bij deze docenten een gevolg is van onvoldoende pedagogische en didactische scholing. Niet zelden hebben economiedocenten aan een universiteit een doctorale studie economie gedaan. Maar met deze kennis en de titel van doctorandus zijn ze nog geen goede docenten, ook al zijn ze eerste graads bevoegd.

Lesuren
  Mulder is het eens met de aanbeveling van Van Ginkel om in een volledige betrekking van een docent maar zestien tot twintig echte lesuren op te nemen. De resterende tijd zou de docent moeten besteden aan andere werkzaamheden in de school. Volgens Mulder zou dat het lesgeven ten goede komen.
  
Bovendien krijgen docenten hierdoor de gelegenheid hun eigen werk wat te relativeren. Dat kan erg verfrissend zijn. Met klem protesteert Mulder tegen de maatschappelijke onderwaardering van het beroep van leraar. „Het leraarschap is wezenlijk een zwaar beroep. Een gemiddelde docent aan onze school maakt meer dan vijftig uren per week. Het leraarschap is een zwaar, maar ook een mooi beroep".
  
„Het is uitermate boeiend om met jonge mensen bezig te zijn. Tenslotte is het ook een verantwoordelijk beroep, waarvoor roeping eigenlijk onontbeerlijk is. Normen en waarden moeten worden overgedragen, dat is eigenlijk een onmogelijke opgave. Een docent kan zijn werk alleen maar goed doen, als hij dat in het besef van zijn afhankelijkheid, biddend doet. Maar ondanks alles, ondanks alle rapporten, heeft het onderwijs de liefde van mijn hart", zo besluit Mulder zijn reactie op het rapport van Van Ginkel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Na alle rapporten: Wil er nog iemand leraar worden?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 november 1985

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken