Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Weg naar een minder zoute Rijn is nog lang

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Weg naar een minder zoute Rijn is nog lang

De eer van Mitterrand dreigt op het spel te komen staan

9 minuten leestijd

Onbelemmerd lozen de Franse kalimijnen in de Elzas zeven miljoen ton afvalzout per jaar in de Rijn. Voor wie nog enig geloof hecht aan de uitvoering van het Rijnzoutverdrag, waardoor de zoutlozingen moeten worden beteugeld zijn de laatste berichten uit de Elzas weinig bemoedigend. Een juridische strijd tegen het staatsbedrijf, die zich al jarenlang voortsleept, zal volgens vice-voorzitter Ben van der Aa van de stichting Rein water nog wel even duren. In het begin van de volgende eeuw zal de winning van kali, bestemd voor de kunstmestfabricage, niet langer rendabel zijn. Is het recht sneller dan dat de kalimijnen zijn uitgeput?

Het Franse staatshoofd heeft zijn eer verbonden aan het terugdringen van de zoutlozingen door de kaiimijnen in de Rijn. Tijdens zijn staatsbezoek aan ons land zei president Mitterrand op 6 februari 1984 in een tafelrede tot koningin Beatrix: „Ik zal er persoonlijk op toezien dat de Franse verplichtingen worden gehonoreerd. Ik geef u mijn woord en een Fransman houdt zich aan zijn woord."

Schade
Van de totale zoutvracht die de Rijn bij Lobith ons land binnenvoert, is 40 procent afkomstig van de kalimijnen. Drie experts uit Frankrijk, België en Nederland, onder wie prof. W. B. van der Molen van de Lanbouwhogeschool in Wageningen, hebben berekend dat in de zomermaanden 20 procent van het zout in het boezemwater in het Westland afkomstig is van de kalimijnen. De tuinders in het Westland en bloemkwekers in de regio Aalsmeer lijden onder dit hoge zoutgehalte van het water, dat zij gebruiken om hun produkten te besproeien. Zij zijn gedwongen kostbare ontziltingsapparatuur aan te schaffen. De Franse zoutlozingen berokkenen de Westlandse tuinders jaarlijks zo'n 45 miljoen gulden schade. Voor waterleidingbedrijven die het Rijnwater gebruiken als grondstof voor drinkwater, vormt het hoge chloridegehalte van het Rijnwater een punt van aanhoudende zorg. De kritische grens wordt bereikt bij 200 mg zout per liter, dan gaat de waarschuwingsfase in. Dat betekent dat de inname van water uit de Rijn wordt gestaakt.
Het chloride in het zout tast de ijzeren en stalen buizen van de waterleidingnetten aan, waardoor de waterkwaliteit erop achteruit gaat. Chloride versnelt het roesten van de buizen waardoor een gebobbeld oppervlak ontstaat. Die roestpuntjes vormen goede aanhechtingspunten voor bacteriën. De roest maakt het water troebel en de was kun je er niet meer zo goed mee doen. Vervanging van de leidingen door buizen van cement of ijzeren buizen bekleden met een beschermlaag is een kostbare zaak.

Ongevaarlijk
Voor de menselijke consumptie is een hoog chloridegehalte in het drinkwater volgens de waterleidingbedrijven ongevaarlijk. Het maximaal toegestane zoutgehalte heeft geen invloed op de gezondheid van mensen, al moeten mensen die helemaal geen zout mogen gebruiken, wel oppassen. Ook kleine kinderen zouden er in sommige gevallen last van kunnen krijgen. In de jaren dertig kieperden de kalimijnen het afvalzout dat uit de bodem van de Elzas met de kali werd gewonnen, voor het eerst in de Rijn. Tot die tijd werd het zout bovengronds opgeslagen, maar het sijpelde tot grote woede van de boeren met het regenwater de aarde in. Geleidelijk aan hebben de Fransen hun zoutbergen in de Rijn gestort. Sinsdien wordt al het afvalzout door deze rivier afgevoerd.
Na jaren moeizaam onderhandelen sloten de Rijnoeverstaten West-Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Nederland in 1976 een verdrag dat de schadelijke verzilting aan banden moest leggen. Volgens afspraak zou het verdrag anderhalfjaar na ratificatie door de vier nationale parlementen in werking treden. In het Rijnzoutverdrag verplichtte Frankrijk zich jaarlijks één van de zeven miljoen ton afvalzout achter te houden door het te injecteren in poreuze kalk-zandsteenlagen op 1600 meter diepte in de Elzasser bodem. Merkwaardig genoeg werd in het verdrag afgeweken van het principe dat de vervuiler betaalt. De benadeelden van de vervuiling moesten miljoenen guldens op tafel leggen om de injecties te financieren. Nederland betaalde ruim 24 miljoen gulden. Frankrijk en Duitsland droegen elk 21 miljoen gulden bij en Zwitserland 4,25 miljoen gulden. Dat geld staat als het goed is al negen jaar ongebruikt op een Franse bankrekening.
Onder druk van de opstandige Elzasser bevolking onthield het Franse parlement zijn goedkeuring aan het verdrag. Aangevoerd door burgemeesters, vakbondsleiders en milieuactivisten verzette de bevolking van de Elzas zich hevig tegen de uitvoering van het akkoord. Zij vreesde dat grond- en drinkwater door inspuiting van het zout in de bodem kouden worden aangetast.
Het onderzoek naar de gevolgen van inspuiting richtte zich aanvankelijk op Reiningue, een dorp in het hart van de Elzas. Geologen toonden aan dat het zout hier nooit in contact zou kunnen komen met het grondwater. Hun bevindingen konden de bevolking niet geruststellen. Zij bleef zich hardnekkig verzetten tegen de injecties.
De Franse overheid week uit naar een alternatieve locatie: Chalampé, een dorp aan de oever van de Rijn. Pal tegen de Duitse grens wilden de onderzoekers een proefboring doen. Zo ver is het niet gekomen. Het onderzoek moest worden afgebroken omdat demonstranten, onder aanvoering van burgemeester Schweitzer van Chalampé de boorlocatie bezet hielden en er een tentenkamp inrichtten.

Warm water
De Duitse regering liet de Fransen weten dat zij inspuiting van afvalzout bij Chalampé nooit zou accepteren. Volgens het zoutverdrag mocht Frankrijk de locatie Reiningue laten schieten voor een andere, mits geen hinder, overlast of andere gevolgen zouden ontstaan voor het grondgebied van de andere verdragspartijen. De Duitse deelstaat Baden-Württemberg vreesde dat er verziltingsschade zal optreden rond steden als Freiburg wanneer het zout in de bodem bij Chalampé zou verdwijnen. Ook enkele kuuroorden maakten zich zorgen over de kwaliteit van hun warme water.
Het Rijnzoutverdrag werd uiteindelijk op 5 juli 1985 door het Franse parlement geratificeerd. Als gevolg van deze ondertekening moeten de Fransen op januari 1987 beginnen met zoutinjectie in de Elzas. Of die datum wordt gehaald, blijft zeer twijfelachtig. Latere proefboringen bij Chalampé zijn teleurstellend verlopen. Vorige maand bleek dat de bodem daar niet geschikt is om het zout in te spuiten. De steenlagen op meer dan 1600 meter diepte zijn niet poreus genoeg om het zout, aangelengd met water, op te zuigen.
Het misiukken van de proefboringen bij Chalampé betekent dat de in het verdrag genoemde locatie bij Reiningue, opnieuw in aanmerking komt. De Franse president, die zijn woord gaf aan koningin Beatrix, moet hier echter nog hevige tegenstand van de bevolking overwinnen. Het ligt voorde hand dat de zoutinjectie opnieuw wordt uitgesteld, waarmee het zoutverdrag uit 1976 zo langzamerhand alle waarde heeft verloren. De eer van het Franse staatshoofd staat op het spel.

Processen
De Franse kalimijnen wordenniet alleen aan de onderhandelingstafel aangepakt. Ondersteund door de stichting Reinwater procederen drie Westlandse tuinders sinds 1974 tegen het staatsbedrijf Mines de Potasse d'Alsace. Drie deskundigen onderzochten het verband tussen de zoutlozingen van de kalimijnen en schade van de kwekers. De samenhang is volgens de expert overduidelijk.
De Rotterdamse rechtbank oordeelde op 16 december 1983 dat de zoutlozingen van de kaiimijnen onrechtmatig zijn. De kalimijnen moesten een nog nader vast te stellen bedrag aan schadevergoeding aan de gedupeerde tuinders betalen. Volgens rechtbankpresident mr. L. ter Kuile mochten de kalimijnen zich niet beroepen op hun vergunningen in Frankrijk, omdat daarin uitdrukkelijk is bepaald dat belangen van derden onaangetast moeten blijven.
De kalimijnen gingen bij het gerechtshof in Den Haag in hoger beroep tegen het Rotterdamse vonnis. Deze week werden de pleidooien gehouden. De advocaat van de kalimijnen, mr. C. D. van Boeschoten, verweet de Rotterdamse rechtbank dat zij strengere eisen aan de mijnen heeft gesteld dan in het zoutverdrag is overeengekomen. Hij legde er de nadruk op dat het onwenselijk zou zijn als de Nederlandse rechter zich niets van het verdrag aantrekt. Nederland zou dan volgens hem te veel vragen: zowel schadevergoeding als naleving van het verdrag.

Lang
Tot verbazing van de stichting Reinwater wijst het Hof eerst op 10 september arrest, met de mogelijkheid dat het een tussenvonnis zal worden. Mr. Van Boeschoten heeft al aangekondigd dat hij in cassatie gaat als de tuinders opnieuw in het gelijk worden gesteld. „Met andere woorden, de weg is nog lang", verzuchtte Ben van der Aa, vicevoorzitter van Reinwater.
De zoutlozingen van de kalimijnen zijn inzet van nog meer civiele processen. Tien Nederlandse partijen, waaronder de stichting Reinwater, de gemeente Amsterdam, de provincie Noord-Holland, de Verenigde Waterleidingbedrijven en diverse hoogheemraadschappen, hebben in Frankrijk verschillende procedures tegen de vervuiler aangespannen.

De administratieve rechtbank in Straatsburg verklaarde in juli 1983 de bezwaren van de Nederlandse partijen tegen twee lozingsvergunningen voor de mijnen gegrond. In het hoger beroep dat door de kalimijnen is ingesteld, wordt binnen enkele maanden een uitspraak verwacht. Tegelijkertijd wordt een beslissing verwacht over de klacht bij de Franse Raad van State waarom het gunstige vonnis uit 1983 geen gevolgen heeft gehad.

De prefect van het departement Haut-Rhin heeft zich niets gelegen laten liggen aan het Straatsburgse vonnis. Enkele dagen nadat de rechtbank de lozingsvergunningen vernietigde, verstrekte hij de kalimijnen een nieuwe vergunning, die nauwelijks verschilde van de vorige. „Die vergunning moest er voor zorgen dat de kalimijnen konden doorgaan met de zoutlozingen", aldus mr. C. Heemskerk, directiesecretaris van het Noordhollandse Provinciale Waterleidingbedrijf. Hij woonde dinsdag in Straatsburg de hoorzitting over deze zaak bij. Hij noemt het merkwaardig dat de vergunning van augustus 1983 is bestempeld ats een „rnaatregel" en dus niet voor vernietiging in aanmerking komt. In dit proces is binnen twee maanden een uitspraak te verwachten.
Na de ondertekening door het Franse parlement van het Rijnzoutverdrag heeft de prefect van Haut-Rhin op 5 september 1985 opnieuw een lozingsvergunning verleend aan de kalimijnen. Op grond van deze vergunning kunnen de zoutlozingen onverminderd worden voortgezet, totdat de prefect op grond van het Rijnzoutverdrag ingrijpt. Ook tegen deze vergunning zijn "in Straatsburg bezwaren ingediend.
Ten slotte hebben de tien Nederlandse partijen op 7 oktober 1983 bij de rechtbank in Mulhouse een strafklacht tegen de kalimijnen ingediend vanwege de overtreding van weftelijke voorschriften. Vier van de tien Nederlandse partijen zijn in dit proces niet ontvankelijk verklaard vanwege hun privaatrechtelijke structuur. Hiertegen is door de partijen na een negatieve beslissing in hoger beroep cassatie aangetekend bij de Hoge Raad in Parijs. Een uitspraak wordt over drie weken verwacht.

Passend
De rechter van instructie in Mulhouse kondigde een jaar geleden passende maatregelen aan tegen de kalimijnen tijdens de duur van het proces in verband met de vertraging die in deze zaak is opgelopen. Hij heeft twee deskundigen opdracht gegeven nog eens te onderzoeken hoe het zit met het verband tussen de zoutlozingen en de daaruit voortvloeiende schade. De Nederlandse partijen laten zich door de jarenlange vertragingen de moed niet ontnemen, al twijfelen zij aan de goede trouw van de Fransen. „Wij moeten optimistisch zijn", aldus mr. Heemskerk. „Wij weten dat het hard nodig is dat de zoutlast in de Rijn wordt verminderd. Wij moeten er met elan achteraan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 March 1986

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Weg naar een minder zoute Rijn is nog lang

Bekijk de hele uitgave van Saturday 22 March 1986

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken