Bekijk het origineel

meervallenkweker Schuilenburg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

meervallenkweker Schuilenburg

6 minuten leestijd

HAASTRECHT — Bert Schiiilenburg uit Haastrecht ziet wel toekomst voor de Afrikaanse meerval in Nederland. Daarom heeft hij initiatieven ontplooid en een eigen viskwekerij opgezet in zijn woonplaats. Hier staat hij voortdurend aan de wieg van duizenden Afrikaanse meervallen en Tüapia's. Dat is bijzonder en specialistisch werk. Bijzonder, omdat er hooguit een, stuk of zes van dergelijke kwekers in ons land zijn. Specialistisch, omdat er héél wat kennis voor komt kijken.

Hoe is Bert in de visteelt terechtgekomen? Na de lagere school in Haastrecht en het christelijk lyceum in Gouda belandde hij in 1978 op de Landbouw Hogeschool in Wageningen. In het eerste studiejaar las hij in een studiegids iets over visteelt. Toen was zijn keuze al snel gemaakt. „Vis heeft me altijd al aangetrokken. Toen dacht ik al gauw: dat moet ik doen", aldus Bert. Zo kwam hij in Wageningen binnen de vakgroep zoö-techniek terecht.

Vooral ha zijn derde studiejaar hield Bert zich bezig met enkele wetenschappelijke onderzoeken bij vissen Zo deed hij onder andere voedingsproeven met de Afrikaanse meerval, de vis waar het bij hem nog steeds om draait. Bij het Friese Tjeukemeer deed hij drie maanden lang onderzoek naar de groei en de voeding van de kolblei, een zoet water vis die verwant is aan brasem. Hierna werkte hij mee aan een groot visvijverproject voor Kenia. Uiteindelijk bracht Bert nog zes maanden door in de Republiek Centraal Afrika, waar hij in het kader van een FAO-project werkte in een broedhuis voor Afrikaanse meervallen.

Eigen viskwekerij

Aanvankelijk wilde hij aaji ontwikkelingshulp gaan doen. Hoewel zijn enthousiasme hiervoor nog steeds niet helemaal weg is, ging Bert na zes maanden Centraal Afrika denken aan een andere richting. Namelijk aan de opzet van een eigen viskwekerij. Bert: „Hier, in Ne-, derland, kwam de meerval er in. Iemand is er hier mee begonnen. Het bleek dat er van de kant van de horeca wel wat belangstelUng was. Toen ben ik hier in het klein begonnen. Eerst in de garage van mijn vader. Dat is zachtjesaan uitgegroeid. Monienteel heb ik bij een boerderij in de buurt een tweede ruimte in gebruik".

Twee soorten •

Sinds enkele maanden houdt Bert zich dus bezig met het kweken van tropische vissen. De Afrikaanse meerval en de Tilapia. Over beide vissoorten heeft Bert heel wat kennis opgedaan. „Heel apart bij de Afrikaanse meerval is dat hij, naast kieuwen, ook een longorgaan heeft. Dat betekent dat hij het uit kan houden in water met een laag zuurstofgehalte. Hij kan zelfs enige tijd buiten het water leven. De Afrikaanse meerval is afkomstig uit Centraal Afrika, waar hij in poelen leeft. In de droge tijd droBert Schuilenburg (met baard) driejaar geleden aan het werk in Centraal Afrika. gen deze poelen grotendeels op, maar met behulp van zijn longorgaan kan de meerval zich daar handhaven. Verder heeft de meerval een soort verharding aan de borstvin. Daardoor kunnen ze zelfs over het land heen „kruipen"."

Opvallend voor deze vis zijn de haren aan de bek. „Voelsprieten", aldus de kweker, „want het gezichtsvermogen van de meerval is slecht". De meerval lijkt in dat uiterlijke punt dus wel iets op de kat. Daarom noemen de Engelsen deze vis niet zonder reden de „catfish".

Naast het zelf kweken houdt Bert Schuilenburg zich ook bezig met het adviseren en begeleiden van „mesters". Dat zijn mensen die de „pootvis" mesten, totdat ze geschikt is voor consumptie. Ten slotte doet hij ook proeven voor het bedrijfsleven. We moeten hierbij denken aan de veevoederindustrie, die geïnteresseerd is in de samenstelling van vlsvoer.

Viskweken

Zoals reeds eerder werd opgemerkt is het kweken van vissen een specialistisch werk. Hoe gaat dat nu? Bert; „Ik heb een aantal mannelijke en vrouwelijke teeltdieren. Er wordt gewerkt met de methode van de kunstmatige voortplanting. Dat moet wel, want deze vissen planten zich in gevangenschap niet voort. Zelfs in vijvers lukt dit vrijwel niet. De vrouwtjes worden ingespoten met hypofysemateriaal. Dat wordt gehaald uit de mannetjes, die geslacht worden. Ongeveer twaalf uur na het inspuiten kun je de eitjes bij de vrouwtjes „afstrijken"."

„Nadat deze eitjes kunstmatig bevrucht zijn, worden ze geïncubeerd in een broedgoot. Na ongeveer vierentwintig uur komen de eitjes uit. Van een vrouwtje kun je ongeveer honderd tot honderd vijf tig gram eitjes krijgen, waarbij er zo'n 700 eitjes in een gram zitten. Niet alle eitjes komen uit. Meestal zeventig tot tachtig procent, een heel enkele keer zo'n negentig procent". ^'T^yi^i;'*:':

Niet alle visselarfjes worden overigens volwassen. Vooral in de eerste dagen gaat er een aantal larfjes dood. Belangrijk voor de kweker is ook een goed menu voor de jonge visjes. „De eerste drie dagen teren de visselarfjes nog op hun dooierzak. Daarna krijgen ze zogenaamde pekelkreeftjes. Dat zijn kreeftjes, die me* behulp van zout water uit eitjes zijn uitgebroed. Dat krijgen ze ongeveer een week. Dan wordt er overgeschakeld op kunstmatig voer. Dat is een mengsel van allerlei ingrediënten als vismeel, diermeel, vitaminen en mineralen. Dat komt gewoon bij een veevoederfabriek vandaan".

Problemen

Bij het kweken van vissen kunnen zich enkele problemen voordoen. Bijvoorbeeld schimmelinfectie bij de eitjes of zuurstofgebrek bij de pasgeboren larfjes. Gelukkig heeft Bert Schuilenburg nauwelijks met deze problemen te kampen. Het blijkt bij de visteelt uitermate belangrijk te zijn om eventuele ziekteverschijnselen vroeg te onderkennen om vervolgens tijdig maatregelen te Hunnen nemen.

De jonge kweker uit Haastrecht geeft hier een voorbeeld van: „Bijvoorbeeld wanneer de vissen aan het wateroppervlak gaan hangen. Dat is een teken dat er iets mis is. Meestal is dan de waterkwaliteit niet in orde. Het water wordt overigens wel continu gefilterd. Dagelijks wordt twintig tot dertig procent van het water ververst. Maar het kan gebeuren dat er desondanks te veel ammonium en nitriet in het biologische filter is terechtgekomen."

Bert Schuilenburg heeft zich op dit moment alleen gespecialiseerd in het kweken van pootvis. Als de Afrikaanse meerval en Tilapia's ongeveer acht weken oud zijn worden ze doorverkocht aan de mesters. Ze wegen dan vijf tot tien gram en ze zijn tussen de tien en de vijftien centimeter lang. Er zijn in ons land in totaal zo'n vijftig mesters. Eens in de maand komen mesters de pöbtvissen bij Bert ophalen. Meestal nemen ze er dan een paar duizend mee.

Bij de mesters blijven ze vier tot zes maanden. Ze hebben dan uiteindelijk een gewicht van vijfhonderd a zevenhonderd gram en een lengte van tussen de vijftig en zestig centimeter bereikt. Uiteindelijk komen de vissen terecht in de restaurants of bij de detailhandel. Meer vallen vlees heeft, als het gerookt is, de smaak van paling. Het heeft evenwel als voordeel dat er veel minder vet in zit dan bij gerookte paling.

Toekomst *' '

Het grote pluspunt van het vlees van deze tropische vissen is dat deze dieren gekweekt zijn in schoon water. Men hoeft dus niet bang te zijn dat men met het verorberen van de vis ook allerlei schadelijke stoffen binnenkrijgt.'Naar aanleiding van dit laatste is Bert Schuilenburg ervan overtuigd, dat de meerval toekomst heeft in Nederland. „Zeker, ik geloof dat men meer zal gaan vragen naar schone vis. Er zal echter nog veel aan promotie op grote schaal gedaan moeten worden. Want de Nederlander is geen viseter en zeker nieuwe vis is er niet gemakkelijk in te krijgen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1986

Reformatorisch Dagblad | 38 Pagina's

meervallenkweker Schuilenburg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1986

Reformatorisch Dagblad | 38 Pagina's

PDF Bekijken