Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Een veelstemmige melodie'' soms met hooggestemde wanklanken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Een veelstemmige melodie'' soms met hooggestemde wanklanken

Bundel pastorale verzen óf christelijke dichtkunst?

9 minuten leestijd

Christelijke poëzie, ooit verguisd, lijkt momenteel geen kwaad te kunnen doen. De belangstelling voor het vroegere christelijke tijdschrift Opwaartsche Wegen groeit. Christendichters als de vrijgemaakte geref. Koos Geerds en Lenze Bouwers publiceren bij uitgevers als Querido en anderen die vroeger het christelijk geïnspireerde vers geen blik waardig keurden. Medewerkers aan Woordwerk en leden van Schrijvenderwijs doemen op in weinig christelijke bladen als Hollands Maandblad, Maatstaf of het Vlaams-Nederlandse 't Kofschip. Zou nu ook „Een veelstemmige melodie" in de boekenbijlage van VN of door Wam de Moor en Tom van Deel welwillend worden gekritiseerd?

Wel, als deze lieden inderdaad literaire kwaliteitsnormen hanteren - even vooropgesteld dat die bestaan - dan maakt deze recent verschenen bloemlezing onder redactie van enkele Schrijvenderwijs-leden en bestuursleden niet zoveel kans. Want dan vallen zij, net zoals ik, al meteen over de eerste twee opgenomen rijmpjes: van mederedactielid Nel Benschop die beide wijdt aan het dochterje van haar pleegzoon.

Woorden en beelden
Daarin rijmt de bekendste verzenmaakster van ons land onder meer de volgende (slot)regels: „Als je dan hardop schatert als ik met je speel, / je kleine vingers uitspreidt voor een kusje, / geluidjes maakt als van een kwett'rend musje, / dan moet ik slikken om de tranen in m'n keel". U voelt wel aan, als hier ook maar een heel voorzichtige vorm van literaire kritiek op losgelaten wordt, dan blijft de dichteres - die onder andere oud-lerares Nederlands is en daarom op correct woord- en beeldgebruik mag worden aangesproken - helemaal nergens.
Weleens een kind niét hardop, maar geluidloos horen schateren? Moet Marliesje door oma op haar wijd uigespreide vingertjes worden gekust? Of bedoelde de dichteres dat het baby'tje zijn armpjes uitbreidt? Schrijf dat dan. En lijkt babygeluid (Marliesje was een halfjaar) op dat van schreeuwende mussen?

Keeltranen
En vooral: heeft u ook weleens keeltranen? Nel Benschop zondigt hier gewoon tegen de taal en juist zij kan dat weten. Ze gebruikt hopeloos verwarrend de beelden van „iets wegslikken" en „een brok in je keel hebben" en tranen in je ogen krijgen door elkaar en krijgt dan op papier tranen in haar keel. Dat vind ik nu verskunst om van te huilen!
Ik geeft even dit voorbeeld om te laten zien dat „de" literaire kritiek op de gewone wijze met dit soort poëzie niets kan beginnen. Hier passen andere oordelen. Élke grootmoeder zal het vers van Nel Benschop ten volle verstaan en waarderen. Ik begrijp die boodschap natuurlijk ook en heb er vanwege de bezongen zaak geen moeite mee. Maar hóe brengt een dichter dat wat hem ontroert onder woorden? Met die vraag is de criticus bezig en in die zin is het niet te hopen dat „de" kritiek van Anker en Schouten tot Goedegebuure en K. L. Poll zich meester maakt van „Een veelstemmige melodie".

Niet literair?
Ook ik blijf wat tweeslachtig staan tegenover deze eerste bloemlezing van Schrijvenderwijs, hoezeer ik het initiatief ook toejuich. Het heet nu „een beknopte bloemlezing van nieuwe christelijke poëzie" en dat klinkt toch wat pretentieuzer dan de oorspronkelijke opzet. Toen zou het vooral gaan om eenvoudige, pastorale, vrome, bijbelse rijmen en verzen die in Woordwerk als onvoldoende literair geen plaats krijgen.
Maar Schrijvenderwijs heeft nogal wat eenvoudige schrijfsters en dichteressen (ook mannelijke tegenvoeters, maar vrouwen lijken in dit genre de boventoon te voeren) wier bundeltjes niet méér bedoelen dan te getuigen van hun geloof, hoop en twijfel, hun bezig zijn met de Bijbel, hun liefde voor de natuur die zij als Gods goede schepping ervaren. Geen prachtige nieuwe beelden en vondsten, geen eigentijdse wijze van zeggen, geen nieuwe gedachten staan daarbij op de voorgrond. Maar op simpele wijze Gode lofzingen en anderen daarin laten delen.

Getuigenisverzen
Het is vrome evangeliserende verskunst. Met „christeijke poëzie in de meer literaire zin heeft het niets te maken en aan de strenge wetten van vorm en taal, van ritme en metrum, zelfs van moderne „blanke" verzen, heeft de bijbelse rijmer geen boodschap. Nu, zo'n bundel zou naar mijn mening deze bloemlezing worden.
De redactie ervan berustte bij Nel Benschop, Klaas van Elsäcker, Co 't Hart, Enny IJskes-Kooger en Schrijvenderwijs-voorzitter Bert Hofman, die ook redacteur van Woordwerk is. Maar bij de presentatie bleek dat er toch wat anders uitrolde: „nieuwe christelijke poëzie". Dat wekt duidelijk verwachtingen, ook voor hen die de vele tientallen pastorale bundeltjes van de laatste jaren een beetje moe zijn.

Bloeiend genre
Maar „Een veelstemmige melodie" is toch weer tamelijk monotoon en bevat 67 „op de Bijbel georiënteerde gedichten", waarin „het belijdend karakter op de voorgrond staat" en welke verzen „in duidelijke relatie tot het christelijk geloof" staan. De bloei van dit genre is erg gestimuleerd door het werk van Nel Benschop. Aldus Hofman in zijn inleiding. Maar hoe leg ik dat nu uit? Want Nel Benschop rijmt er in miljoenvoud lustig op los en ze laat alom weten dat ze geen enkele literaire pretentie heeft. (Ik vindt dat juist kwalijk, want iemand als zij kan anders en veel beter en ik laak haar gemakzucht waardoor ze niet echt woekert met haar talenten, maar daarover gaat het hier niet direct). De bundel neemt echter ook verzen op van dichters die wèl bewezen hebben, andere dan louter pastorale versjes te schrijven: E. Hofman, Hennie Roth-Veltman, Klaas van Elsäcker, Annie Pansier of Nel Veerman.

Onkritische critici
Er komen ook een paar neerlandici aan het woord die soms ook optreden als literaire critici. Maar niet tegenover hun eigen (rijm)werk. Want drs. Henk van 't Veld en drs. Jan Schipper (beiden te Veenendaal, maar samenhangen zie ik daar niet in...) leveren verzen af waar u en ik niet van achterover vallen omdat ze zo oorspronkelijk en beeldend van taal en vorm zijn. Dat hoeft ook niet; waarom zou de christelijke poëzie ook niet een variant op „lichte versjes" mogen hebben?
Maar Schippers sonnet „Een deur der hoop" vangt zó aan: „Het droeve duister heerste buiten, / het lamplicht gaf slechts stil verdriet / van heimwee naar een ver verschiet / toen ik een merel hoorde fluiten". Wel, zo komt de christelijke letterkunde van onze dagen natuurlijk niet verder. De rest van dit sonnet (met een qua vorm uiterst slordige laatste terzine) bespaar ik u, hoezeer de boodschap van Schippers gerijmel door mij ten volle wordt beaamd.

Clichétaal
Ook Henk van 't Veld, die zo venijnig kritieken kan schrijven, komt in „Witte Donderdag" niet verder dan wat clichétaal en slordig hanteren van het ritme in regels als: „U bent vandaag zo goed / voor wie zo dikwijls eigen eer najaagt / of in wiens hart de bange twijfel knaagt: / U hebt ze allen bij U saamgebracht (...)". Dus een beoordeling naar kennis van de Nederlandse taal biedt ook al geen oplossing. Hoe dan wel?

Als ik het vers „Goudvis" van dominee en bijbelliederenschrijver André Troost lees volgens het gesloten systeem waarin alleen het gedrukte vers telt, ben ik er niet echt wèg van. Maar als ik vermoed dat het hier gaat om een foto van zijn vroeggestorven kind, dan lees ik het met andere ogen en dan verstomt de vormkritiek.

Niet vernieuwend
Maar aan de verzen van Hofman, „Thuis" („De kinderen zijn tot God gekomen") en „Aardbeving" („Het was de laatste tijd / zo stil in de aarde,") beleef ik óók literair genoegen. Hij neemt trouwens wat meer afstand van zijn vroegere, sterk tegen de experimentele Vijftigers aanleunende verstechniek en ziet eindrijm, hoofdletters e.d. niet meer als besmet en van een voorbije tijd.

In zijn introductie merkt hij op dat we geen poëtische vernieuwing moeten zoeken in deze bloemlezing, maar wel een veelvuldig gebruik van bestaande vormen, die goed in staat blijken de steeds voortgaande geloofsbeleving te verwoorden.

Een nieuw lied!
Best mogelijk, maar de Schrift zelf roept op tot het zingen van „een nieuw lied voor de Heere" en dat is wat anders dan een tweedehands vers wat oppoetsen. En Hofmans betoog over déze literatuur die afkerig is van de grote literaire mode kan ik niet altijd volgen. Want juist hij is èn als dichter èn als auteur van twee boeken over literaire kritiek, bijbelse poëzie en de gereformeerde gezindte de exponent van hen die streven naar literaire kwaliteiten en zich keren tegen het al te gemakkelijk neergepende vrome vers.

Zijn voorzichtige uitval tegen de critici van de „hoge literatuur" doet in dit opzicht wat opmerkelijk aan, al sluiten zijn opmerkingen over de in de zestiende eeuw ontstane christelijke gemeenschapskunst nauw aan bij zijn laatste bock over deze materie.

Chr. volkskunst?
Wat verder plaatst hij de opgenomen verskunst weer in een andere traditie: die van de eenvoudige volksliteratuur die in onze letterkunde haar eigen plaats heeft gehad. Aangezien die volkscultuur christelijk gestempeld is staat ook deze poëzie in die traditie. Dat zal wel, maar dat is mij toch wat te mager. En de door Hofman afgewezen tweedeling („In Christus zijn er geen grenzen, ook niet tussen een literaire elite en dichters van lager plan. Van een apartheidspolitiek is hier geen sprake.") hanteert hij als redacteur van Woordwerk juist volop.

De synthese die hij belijdt zoek ik ook, maar zijn oplossing bevredigt me toch niet geheel. Als hij die ten volle serieus neemt ondergraaft hij het bouwsel waarop Woordwerk („christelijk literair tijdschrift") rust en dan is ook christelijke literaire kritiek nauwelijks meer mogelijk. Want wie zal dan tegen een morsige rijmelaar die betoogt Gods eer te bedoelen, nog durven zeggen dat hij broddelwerk voor de papiermolen levert? Zo blijf ook ik met deze „veelstemmige" melodie zitten. Veelvormig is de 84 bladzijden tellende bloemlezing wel. Er valt ook wel te genieten: voor hen die verzen van geloof en troost zoeken en zelfs voor hen die hier en daar zich willen laten verrassen door een mooi beeld, een pakkende regel.

Toch poëzie?
Maar die „nieuwe christelijke poëzie" van de ondertitel blijft me boeien. Wat zouden hedendaagse christen-dichters annex-critici als Henk van der Ent, Ad den Besten of J. W. Schulte Nordholt daar nu van vinden? Zouden ze „Een veelstemmige melodie", ondanks de mooie uitvoering met drie loftrompetten, in alle toonaarden afwijzen?.
De bundel is voor Schrijvenderwijs uitgegeven door redactiebureau De Schans, Schans 37 te 4251 PW Werkendam en kost in de boekhandel ƒ 14,90; voor leden en begunstigers tot 30 juni ƒ 12,50 plus porto (via de uitgever). Men krijgt hiervoor 67 gedichten van 42 poëten, van wie ongeveer de helft leden van genoemde prot. chr. auteursvereniging.

Daarbij zult u verzen van de leden Cornelius Lambregtse of Hans Werkman tevergeefs zoeken. En de niet-leden Lenze Bouwers en Geerds zijn evenmin opgenomen. Die hebben een andere kijk op christelijke letteren dan hun geloofsgenoot Werkman.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1986

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

„Een veelstemmige melodie'' soms met hooggestemde wanklanken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1986

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken