Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De wijde blik van Abraham Kuyper besloeg ook de kunst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De wijde blik van Abraham Kuyper besloeg ook de kunst

Schoonheid als vrucht van de gemene gratie

13 minuten leestijd

door het heimwee naar het verloren schoon tot de vooruitgenieting der komende heerlijkheid op te klimmen". Daardoor ook is de kunst méér dan alleen maar nabootsen van de natuur. Nee, omdat de kunst een scheppingsgave is, mag de mens ook „kunnen gcHjk God kan, mits natuurlijk naar de maat van ons menschelijk perk". De gave der kunst in de mens mag gezien worden als een afschaduwing, een nabootsing van Gods scheppend handelen. De mens kan uiteraard niet scheppen zoals God schept. Ook al spreken we van een scheppend kunstenaar en van de scheppingen der kunst, de mens schept slecnts de schijn of de vertoning, zegt Kuyper. De principiële grens tussen God en mens moeten we dus scherp in het oog houden; alleen God schept, wij mensen kunnen die schepping bearbeiden en verwerken.

De kunstenaar doet daarbij — zoals gezegd — echter méér dan nabootsen. De Heere heeft namelijk in zijn hart een schoonheidsgevoel gelegd dat „vatbaar is voor de bevatting van een hooger Schoon dan de natuur ons toont". Dat hogere is wel gebonden aan het reële schoon dat de natuur ons biedt.

De kunstenaar mag alleen daaruit zijn vorm en motieven halen, maar daar komt de fantasie, de verbeelding bij om, „mits gevoed door het Schoon der natuur, tot hoger bevatting op te klimmen". In deze zin kan Kuyper zelfs van een veredelen van 's mensen aanzijn spreken! De mens mag van dit schone genieten en er Gods heerlijkheid in aanbidden.

En de kunstenaar die zó mag bezigzijn is kunstenaar bij de gratie Gods! Hij heeft een priesterlijke, dienende functie. Hij ziet met zijn „fijnere oog, wat gij niet ziet". De kunstenaar heeft een rijker verbeelding en geeft weer wat een ander ontgaat. Hij ziet meer en dieper. „Uit zijn ziel belichaamt hij dien indruk in zijn verbeelding". Zo vertolkt bijvoorbeeld de ,,speler en zanger" in rijke volle akkoorden „wat gij zelf nauwlijks stamelen kondt" en „uw ziel voelt zich bevrijd".

Gemene gratie en particuliere genade

De kunst is scheppingsgave, stelt Kuyper. Zij is dus niet door de gemene gratie in het leven geroepen, maar op het terrein van deze algemene genade, namelijk het gewone leven, bouwt de kunst wel „haar eigen tempel". De kunst als scheppingsgave wordt door de gemene gratie van God in stand gehouden. De soevereine God deelt Zijn gaven, ook de gave der kunst, daarbij uit aan wie Hij wil. Het valt dan op dat met deze kunsteave vooral het geslacht van Kaïn bedeeld wordt, „opdat wie de hoogste gaven verzondigd had", zo citeert Kuyper Calvijn, „althans in de mindere gaven der kunst een blijk zou bezitten van Zijn goeddadigheid". In ieder geval — zo zegt Calvijn — zijn „vrije kunsten" gaven die God door elkaar aan gelovigen én niet-gelovigen heeft toebedeeld.

Kuyper maakt hier onderscheid tussen de verstandclljk-artistische werking der gemene gratie, die onder ongelovigen meestal sterker is dan onder gelovigen, en de zcdclijk-godsdicnstige werking die juist op de kinderen des lichts de grootste invloed heeft.

Met dit alles rekening houdend mag daarom ook niet worden gezegd dat alleen christelijke kunst ware kunst is. Nee, kunst blijft kunst, „al wordt ze voor een demonisch doel gebezigd"! Op basis van deze feiten poneert Kuyper daarom dat de kunst een scheppingsgave is en niet uit de particuliere, zaligmakende genade voortvloeit.

Heeft dan deze particuliere genade géén betekenis voor de kunst? Ongetwijfeld wel! Niet in de zin, dat de particuliere genade de kunstvaardigheid m technische zin zou verhogen, maar wel in deze zin dat zij de richting bepaalt van de geest die uit het werk van de kunstenaar spreekt. De particuliere genade schept dus de kunstvermogens niet, maar versterkt en veredelt ze wel. Uit het kunstwerk spreekt altijd óf de geest „uit den hoge", de Heilige Geest, óf de geest „uit de diepte", de Doze geest van satan. Wanneer nu de geest uit de hoge het kunstwerk beheerst, mag gesproken worden van christelijke kunst. Door de directe invloed van de particuliere genade mag zelfs gesproken worden van christelijke kunst in engere zin, in de strikte zin van het woord.

Calvinisme en kunst

Christelijke kunst in ruimere zin is de kunst die door de particuliere genade op indirecte wijze is beïnvloed. Ook het calvinisme, waarvan Kuyper zo'n vurig pleitbezorger is, heeft zien voor de kunst ingezet, zo beweert hij met name in zi|n Stone-lczing Het calvinisme en de kunst. De invloed van het calvinisme is volgens Kuyper vooral geweest dat de kunst door de reformatie in Calvijnsc geest pas echt is vrijgemaakt uit de kerkelijke kluisters. Het is volgens Kuyper een specifiek calvinistische verdienste dat de scheiding tussen de twee gebieden van religie en kunst haar beslag kreeg. Beide moeten zelfstandig kunnen opereren; beide hebben hun Reclameeigen levenssfeer. Deze gedachte, die overigens meer van Kuyper is dan van Calvijn, meer neo-calvinistisch dus dan calvinistisch, hangt nauw samen met Kuypers visie op de soevereiniteit in eigen kring. Daardoor kan Kuyper stellen: „Niet alleen de Religie maar ook de Kunst vraagt daarom bij hoger ontwikkeling om een zelfstandig leven".

Nog een ander typisch accent in Kuypers theologische cultuurbeschouwingen klinkt hierin door, namelijk zijn visie op de ontwikkelinti, de progressie der mensheid. Alles op het brede terrein der gemene gratie is in ontwikkeling, niet toevallig, maar noodzakelijk. De wetten door God Zelf in Zijn schepping gelegd, móéten hun volle uitwerking kunnen verkrijgen. Deze progressie geldt ook voor de religie. Het zal duidelijk zijn dat Kuyper het calvinisme beschouwt als de hoogste ontwikkeling van religie; een religie die zo geestelijk van aard is dat zij de hulpmiddelen van de kunst niet meer mag en kan aanvaarden. Zo komt Kuyper ook tot zijn met veel nadruk uitgesproken stelling dat van het calvinisme geen eigen kunststijl te verwachten is. Dit is echter heel wat anders dan dat er in de levens- en wereldbeschouwing van het calvinisme geen plaats voor de kunst zou zijn. Die is er, gelet op het resumé van Kuypers denken tot nu toe, wel degelijk. Geen Zolang zijn lichaamskrachten het toelieten zat dr. Abraham Kuyper achter z'« bureau in de werkkamer aan de Kanaalstraat in Den Haag (thans Dr. Kuyperstraat) om zijn mensen voor te lichten. Zijn gezag van vroeger was echter inmiddels getaand. enkel terrein is er waarvan Christus niet zegt; „Het is Mijn". Dat geldt ook voor het gebied van de kunst.

Gevaren van de kunst

Overigens onderkent Kuyper ook de gevaren op dit terrein. Hij signaleert bijvoorbeeld het gevaar van wat hij het „clcricalismc van de kunst" noemt, d.w.z. het met laatdunkendheid neerzien door de autonome kunstenaar vanuit zijn ivoren toren op alle ,,lagere" uitingen waaronder zelfs de religie en de vroomheid vallen. Zo'n kunstenaar veroorlooft zich alles, stelt Kuyper, hij stoort zich aan niets, laat dat merken in kledij en haardos als ware hij een Uebcrmcnsch, boven het vulgus verheven.

Kunst is een uiting van de diepten van satan en dcmonie óf van de Heilige Geest, waarschuwt Kuyper. Daarom komt het aan op de verhouding tussen ons persoonlijk zielcleven en ons kunstleven. Vandaar dat Kuyper oók waarschuwt tegen het verafgoden van schoonheid en kunst in zijn tijd.

Het zal duidelijk zijn dat hij alleen maar onheil verwacht van een kunststroming als het Impressionisme en van de Tachtigers in de Nederlandse literatuur hoegenaamd niets moet hebben. „Dat toch de liefde voor de kunst bij velen tot afgoderij leidt, is aan geen twijfel onderhevig". De kunst wordt dan het hoogste doel dat alle middelen heiligt. Ongemerkt kunnen we daardoor in een totaal verkeerde richting worden gedreven. Kunst wordt dan instrument en werktuig van de boze geest. „De Wet Gods kan echter ook de Kunst geen dispensatie verleenen", merkt Kuyper op. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de schilderkunst, waardoor hij het schilderen van het naakt streng veroordeelt. „Wat niet in beeld of op het doek kan gebracht worden zonder het offer der eerbaarheid te vorderen, of de schaamte te kwetsen, moet eenvoudig wegblijven". De kunst is niet autonoom!

Antithese en opdracht

Het kan daarom ook niet anders, of op het terrein van de kunst moet, evenals in de maatschappelijke en politieke verbanden, de antithese gesteld worden. Kuyper stichtte een eigen kerk, een eigen universiteit, stimuleerde een eigen scliool en leidde een politieke partij voor het eigen volksdeel. De antithese kreeg dus ook organisatorisch wel een heel duidelijke en sterke nadruk. Wat de kunst betreft, heeft hij zich minder helder uitgelaten, maar ook hier wilde hij wel degelijk grenzen getrokken zien. Hoe „open" Kuypers houding tegenover de wereld der cultuur ook was, hij kon de cultuur toch niet hoger waarderen dan als een facet van wat hij de „middellijke" godsdienst noemt. Deze moet echter van tijd tot tijd onderbroken worden door rustpauzes waarin God onmiddellijk wordt gediend. Die onderbreking is hard nodig, omdat men anders door de wereld zou worden meegezogen, geassimileerd. Ook bij de aartsorganisaior Kuyper komt bij tijd en wijle gelukkig ook zijn ascetische, mystieke kant te voorschijn! En déze Kuyper weet ook dat we — ziende op de eindtijd — ons bewust moeten blijven van het onvolkomen en gebroken karakter van onze culturele taakuitoefening. Anderzijds staan alle cultuurterreinen open voor de christen en de gevaren die er zijn, mogen ons niet verhinderen ons Goddelijk beroep te vervullen en Gods gaven dankbaar te aanvaarden. Het zou daarom een leemte zijn, wanneer in het leven der christenheid de drang gemist wordt om „onder de inspiratie \an den geest der Palingenesie" zich ook in de wereld van het scnone te uiten en „zo ook op kunstgebied de naam van haar God te verheerlijken". De geest van Christus adelt immers „gansch het leven"!

Kuyper en Ons Tijdschrift

Een enkele keer heeft Kuyper zich met de praktijk van het christenkunstenaar-zijn ingelaten. Dat was bijvoorbeeld in 1906 met zijn artikel in het literaire protcstants-christelijke blad Ons Tijdschrift onder de titel,,Alles is uwe, doch gij zijt van Christus". De voorgeschiedenis van dit artikel is te uitvoerig om hier weergegeven te worden. Het is echter voldoende te weten, dat de aanleiding gevormd werd door een opmerkin" in Kuypers rede ter herdenking van Bildcrdijk in 1905. Daarin verweet hij een aantal jonge christelijke letterkundigen, onder wie het grootste deel der redactie van Ons Tijdschrift, „dat er waarlijk nog belijders van het Theïsme gevonden worden, die zich afsloven om bij deze pantheïstische school (i.e. van de Tachtigers) te worden ingelijfd". Kuypers ergernis was vooral ingegeven door de brochure Calvinisme en Snobisme die Hk. Mulder (een der redacteuren van Ons Tijdschrift) onder het pseudoniem Adel Anckersmith toen juist geschreven had. Na veel redactioneel geharrewar werd Kuyper uitgenodigd zijn opmerking nader toe te lichten, en zo mogelijk de meningsverschillen uit de weg te ruimen. De redactie van Ons Tijdschrift was er namelijk van overtuigd dat Kuyper de tachtiger kunstbeginselcn ten onrechte afwees en dat eveneens het verzet van de Tachtigers tegen een dichter als Bilderdijk niet te verklaren was vanuit afkeer jegens het Christendom.

Kuyper accepteerde de uitnodiging en schreef het gevraagde artikel, waarin nij het voor zijn betoog fundamentele onderscheid maakte tussen het wezen en de opvatting van de kunst. De kunstopvatting is volgens Kuyper altijd een produkt van de tijdgeest. De moaerne tijdgeest, zegt Kuyper terecht, wendt zich af van het Christendom en is pantheïstisch. Daarom heeft hij scherpe kritiek op de Beweging van Tachtig. „Een kunstschool nu, uit zulk een tijdgeest, met zulk een kunstopvatting voortgekomen, moest wel eindigen met in het wezen der poëzie zelf een innerlijke vervalsching aan te brengen". Als de tijdgeest niet deugt, mag men haar kunstopvattingen ook niet als model voor christelijke kunst nemen, zo hield hij de letterkundigen voor. Vorm en inhoud zijn immers één, zegt Kuyper, die op dit punt de Tachtigers graag gelijk geeft omdat het goed past in zijn redenering. Daarom moet ook de literaire antithese gesteld worden: „En zoo er uit de jongere letterkundige beweging onder ons welhaast weer echte kunst zalopbloeicn, dan wachten we de zangers in, die het wezen der poëzie diepvoclcnd, de vervalsching der SOgers er in afwijzen, en aldus uit den levenden wortel der kunst ons een poëzie geven van het verjongd Christelijk bewustzijn, gelijk die tintelt in onzen tijd". En even verder schrijft hij — verlangend naar een vernieuwd christelijk literair leven — op niet mis te verstane wijze: „Maar juist daartoe is vóór alle dingen noodig, dat het tafellakcn tusschen onze jongere school en de SOgers eens en voor goed worde doorgesneden. Men moet uit zijn gebondenheid loskomen en weer vrij adem kunnen halen uit eigen Goddelijke inspiratie."

In het wezen der poëzie ligt de onderlinge verwantschap van de dichtscholen aller ecu wen, maar in de bijzondere kunstopvatting die bij de SOgers heerscht, uit zich dit wezen der Hendrik Mulder (een der redacteuren van Ons Tijdschrift) ergerde Kuyper door het schrijven van de brochure „Calvinisme en snobisme". poëzie in een schema, een vorm, een wijze van te werk gaan, een manier van zich te uiten, een soort stemming, een categorie van aandoeningen en gewaarwordingen, die niet toevallig, maar in het pantheïstisch beginsel zelf gegeven zijn. Wie daarin onzerzijds zich verplaatst en hangen blijft, is weg. Hij toen kan de kracht niet ontwikkelen, die de pantheïsten ontwikkelen, omdat hij hun geest mist. En ook, hij kan uit eigen geest niet zingen, omdat de pantheïstische vorm hem een koord om de vleugels slaat, dat bij hem niet past".

Kritiek en waardering

In kort bestek zijn een aantal van Kuypers gedachten over de kunst weergegeven. Hebben we daar nog iets aan, en zo ja welke gedachten kunnen we overnemen? En wat moeten we afwijzen? Of is dit alles volkomen achterhaald?

Het is duidelijk dat Kuyper zich ook in zijn beschouwingen over de kunst als een nco-calvinist presenteert. Calvijn zelf kende wel het begrip algemene genade, maar gebruikte dat niet zoals Kuyper voor een imposant politiek, maatschappelijk en cultureel bouwwerk. Zeker, ook Kuyper kende het pelgrimzijn zoals Calvijn in zijn overdenking van het toekomstige leven daar\'an zo treffend blijk gaf, maar Kuypers pelgrim is toch een man „die op den weg naar het eeuwige vaderland nog een onmetelijke taak op aarde had te vervullen". Daardoor is zijn visie op de taak van de (verondersteld) wedergeboren christen ook zo uitgesproken positief. Bij Kuyper is de zin van de tussentijd — tussen hemelvaart en wederkomst — gelegen in het tot ontplooiing brengen van het scheppingsleven, het afwerken van een cultuurprogram.

Ons past, in het voetspoor van Calvijn, een veel bescheidener instelling, die we het beste als cultuurascese kunnen omschrijven. Dat betekent weliswaar geen cultuurmijding, maar we moeten wel goed beseffen waar we bij een centraal stellen van onze vreemdelingschap op deze aarde, de accenten leggen.

Dat betekent nogmaals géén doperse wereldvlucht waartegen Kuyper overigens ook dikwijls ten onrechte fulmineerde. Het is zoals Douma zegt in zijn studie over de algemene genade: We zijn hier wel niet thuis, maar we zijn wel op z'n plaats. Ook op het gebied van de kunst mogen we daarom in opzien tot de Heere doen wat onze hand vindt om te doen.

Dat betekent evenwei ook onvermijdelijk de realiteit van de antithese in ons kunstzinnig bczig-zijn. Dat in ieder geval kunnen we ons door Kuyper laten gezeggen, hoezeer we een groot deel van zijn beschouwingen als té speculatief, té optimistisch en té activistisch moeten afwijzen. Kuyper op jonge leeftijd (± 1870)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1986

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

De wijde blik van Abraham Kuyper besloeg ook de kunst

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1986

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken