Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Doleantie blijft nageslacht boeien dank zij intrigerende Abr. Kuyper

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Doleantie blijft nageslacht boeien dank zij intrigerende Abr. Kuyper

Over oorsprong en karakter van de tweede grote uittocht uit de Hervormde Kerk

13 minuten leestijd

In 1886 had de Doleantie plaats. Een kerkhistorisch feit dat brede aandacht heeft getrokken. Nadat de Afscheiding in 1984 al op grootse wijze was herdacht, kreeg de Doleantie in het afgelopen jaar een beurt. Dat de Doleantie die aandacht krijgt, zal zeker ook te maken hebben met de intrigerende persoonlijkheid van Abraham Kuyper, die als klokkenist der kleine luyden het nageslacht blijft boeien.

Kuyper, die zijn lezers wist te beroeren met zijn vlammende taal in de "Standaard" en de "Heraut". Kuyper, die als volksredenaar de massa wist te bezielen. Deze leider wapende in woord en geschrift zijn aanhang. Wat heeft deze man een ontzaglijke hoeveelheid werk verzet in zijn lange en arbeidzame leven. Kuyper kon al dat werk aan doordat hij het strak organiseerde en een precieze dagindeling had.

Zelfs zijn dagelijkse wandelingen en het theedrinken had hij op de minuut af ingedeeld. Als hij de drukproef van een van zijn vele boeken moest corrigeren, stelde hij een schema op en berichtte hij de uitgever op welke dag deze de drukproef terug kon verwachten. Je kon veilig rekenen op de toegezegde dag. Nog op hoge leeftijd was die pijnlijk nauwkeurige dagindeling kenmerkend voor Kuyper. Toch heeft deze indrukwekkende persoonlijkheid hetzelfde nodig gehad als alle stervelingen. Op zijn sterfbed merkten de dochters, die hem verzorgden, dat hun vader wat zocht. Zij vermoedden dat hij een van zijn boeken wilde hebben. Maar welke? Hij had er zoveel geschreven. De dochters gingen de titels opnoemen, maar vader schudde telkens nee. Ten slotte fluisterde hij: „De Bijbel". Had Luther al niet eens gezegd dat al zijn boeken vernietigd mochten worden als men de Heilige Schrift maar kon blijven lezen?

Scheiding
Ondanks ons respect voor de geestelijke vader van de Doleantie gevoelen wij toch ook de scheiding die er ligt. Kuyper is geen calvinist, zoals de geestelijke vader van de Afscheiding dat is geweest.

In het herdenkingsboek dat wij als uitgangspunt namen voor dit artikel, stelt prof. Doekes zonder voorbehoud dat Kuypers' dissertatie één doorlopende bestrijding vormt van de theologie van Calvijn. Toen Kuyper zich later (vooral na de ontmoeting met Pietje Baltus in Beesd) meer kon vinden in de oude gereformeerde leer, kon deze leer hem toch nog niet afdoende bevredigen. Hij wilde de gereformeerde leer van de zestiende eeuw overbrengen in het denken van zijn tijd.

Desondanks imponeerde het Kuyper dat de leer van Calvijn zo'n taaie kracht bezat dat deze na eeuwen nog bekend was bij eenvoudige lieden. Hoe was het mogelijk dat het calvinisme zo bleef voortleven ? Na diepgaande studie vatte Kuyper zijn antwoord samen in zijn stoere gebeeldhouwde zinnen: „Calvijn had een Kerk gesticht, en door dien vasten Kerkvorm zegen en vrede in de ontvankelijke gemoederen weten te spreiden, onder alle natiën van Europa en overzee, in stad en vlakte, tot bij den arme en de man, die niets was".

Johannes a Lasco
Zo wilde ook hij, Kuyper, een kerk stichten, die voldeed aan de eisen van de negentiende eeuw, bestand tegen de noden van de wordende industriële maatschappij, hecht wortelend in de harten van kleine luyden en ontwikkelden. Kuyper heeft bij zijn kerkelijk optreden laten blijken meer dan voor Calvijn waardering voor Johannes a Lasco te hebben, de Poolse hervormer, een der beste leerlingen van Erasmus, wiens bibliotheek hij kreeg na Erasmus' dood. De dissertatie van Kuyper was ook gericht op het kerkbegrip van A Lasco. Kuyper zag de kerk enerzijds als een organisme dat zijn doorwerking behoorde te hebben in de maatschappij, in het christelijke gezin, in de christelijke school, in de staat. Dank zij de gemene gratie was het ook mogelijk voor de christen om zuiverend en getuigend de wereld in te trekken. Anderzijds was de kerk ook een instituut met kerkdiensten, ambtsdragers en ledenvergaderingen.

Reglementenbundel
Juist in Amsterdam, de plaats waar Kuyper op 10 augustus 1870 met een zeer geleerde preek de herdersstaf had opgenomen, kwam de kerk als instituut in botsing met de geldende kerkelijke reglementen. Het waren bepalingen die een halve eeuw daarvoor de Afscheiding hadden veroorzaakt. We zien hieruit welk een kwaad het keurslijf van de Algemene Reglementenbundel van 1816 voor het kerkelijk leven heeft opgeleverd. Nimmer mag de kerk bestuurd worden als ware zij een vereniging. De kerk dient geleid te worden aan de hand van een schriftuurlijk gefundeerde kerkorde.

Zowel in 1834 als in 1886 was de proponentsformule in het geding. De proponentsformule was de verklaring die een kandidaat met preekbevoegdheid diende te ondertekenen. In 1883 luidde de tekst als volgt: „Wij ondergeschrevenen, door het Provinciaal Kerkbestuur van ... tot de evangeliebediening in de Hervormde Kerk toegelaten, beloven, dat wij daarin overeenkomstig onze roeping met ijver en trouw zullen werkzaam zijn en de belangen van het Godsrijk, in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde Kerk, met opvolging harer verordeningen, naar vermogen zullen behartigen".

Voorbehoud
In 1834 had ds. De Cock de zinsnede gekritiseerd waarin de proponenten beloofden de leer, welke overeenkomstig Gods Woord in de formulieren is vervat, aan te zullen hangen. Het woord "overeenkomstig" hield een voorbehoud in. In de formule van 1886 was er van een binding aan Schrift en belijdenis zelfs in het geheel geen sprake meer. Wel beloofden de proponenten zich aan de verordeningen van de kerk te zullen houden. Dat sloeg dus op de Algemene Reglementenbundel van 1816.

Geen wonder dat de scheidslijnen tussen orthodoxen en modernen steeds duidelijker zichtbaar werden. Zo kwam het tot een uitbarsting toen ouderling G. Ruys na het beluisteren van een moderne preek verontwaardigd de gemeente toeriep: „Als ouderling der hervormde gemeente verklaar ik aan de vergadering, dat de leer welke die man zoo even verkondigd heeft, is eene leugenleer, niet uit God maar uit de duivel". Een soortgelijk protest heeft ouderling W. Knap laten horen. Het gaf een geweldige opschudding. Iemand schreef: „Het ruyst en knapt in Amsterdam".

Georganiseerd
Achter het protest van de orthodoxen ging de stuwende kracht van Kuyper schuil. Daarmee is tevens de Doleantie getekend als een veel meer planmatige, georganiseerde en krachtig geleide beweging dan bij de Afscheiding het geval was. Het verschil met de Afscheiding is frappant. Het ongewilde, ongeorganiseerde en spontane maken de kracht en de bekoring uit van de Afscheiding. De leidslieden van deze beweging waren overigens ook veel minder onderlegd dan de dolerende kopstukken. Hoe weinig De Cock op scheuring uit is geweest, blijkt uit de brief van maart 1833 aan Kohlbrugge: „Niet de breuk, noch de scheuring, maar wederkeering en herstelling is mijn hartelijkste wens". Consequent volgens deze lijn onthield De Cock zich van ambtswerk tijdens zijn schorsing. Er is meer wat onderscheidde. De Afscheiding putte vooral uit het geestelijk erfgoed van de Nadere Reformatie. Binnen de kring der dolerenden bestond daar veel minder affiniteit mee.

Samen met de afgescheidenen hebben de dolerenden in ruime mate de kaart van kerkelijk Nederland bepaald. Maar de dolerenden hebben de Afscheiding niet gezien als een verwante beweging. De afgescheidenen zelf hebben zich veel meer opengesteld voor de Doleantie dan omgekeerd. De nog in leven zijnde voortrekkers van de Afscheiding (ds. A. Brummelkamp en ds. S. van Velzen) hadden best oog voor de verschillen, maar de drang tot de vereniging woog zwaarder bij deze predikanten.

Verheven
Omgekeerd voelden de meeste dolerenden zich verheven boven de eenvoudige afgescheidenen. Vereniging was in de ogen van deze lieden meer een zich nederig voegen van de afgescheidenen bij de dolerenden dan een samensmelting van twee gelijke partijen. Kuyper deed alsof er buiten zijn gereformeerde partij geen andere gereformeerden meer te vinden waren. Bekend is zijn woord dat de afgescheiden groep „krank aan de levenswortel" zou zijn. Hij sprak ook nooit over de Christelijke Gereformeerde Kerk, maar altijd over de afgescheidenen.

Hij hamerde er steeds op dat men in 1834 en volgende jaren zien van de kerk had afgescheiden, nieuwe gemeenten had gesticht en een afzonderlijk genootschap gevormd. Hij zag dit als een grote fout, omdat men hiermee het gereformeerde erf prijs zou hebben gegeven. De afgescheidenen wierpen tegen dat zij geen scheuring hadden beoogd in 1834, maar terug waren gekeerd naar de oude gereformeerde beginselen, waarvan het Hervormd genootschap was afgeweken.

Loswerken
In 1886 konden de afgescheiden woordvoerders bovendien de vraag stellen wat nu nog het verschil was met 1834 aangezien de dolerenden eveneens buiten het Hervormd genootschap kwamen te staan. Kuyper beklemtoonde van zijn kant dat hij en zijn geestverwanten geen afscheiding wilden. Hij spande zich bijzonder in om alle schijn te vermijden alsof men de kerk verliet en er een nieuwe kerk werd opgericht. Hij sprak van loswerken, niet losscheuren.

Zo was ook de visie van de andere dolerenden. Kootwijk sneed bij voorbeeld de synode af, dat was alles. Geen afscheiding, maar afsnijding. Daarmee werd van meetaf aan in een zekere zelfverheffing afstand genomen van de Afscheiding en haar voortrekkers. De bekende ds. W. van den Bergh formuleerde de volgende drie verschillen tussen 1834 en 1886. De afgescheidenen hadden zijns inziens weinig schuldbesef over de verwording der kerk. Verder stelden zij de hervorming van de plaatselijke kerk minder centraal dan de dolerenden. Ook werd bij hen elke afzonderlijke gemeente beschouwd op collegialistische wijze; als een onderafdeling van de ene kerk in Nederland.

Zo scherpte men de verschillen aan, waarbij men de Doleantie van 1886 toch wel uitnemender heeft geacht dan de Afscheiding van 1834. Om het verschil tussen afsnijding en afscheiding door te hebben moest men evenwel van goeden huize komen.

Vereniging
Ondanks al deze zwarigheden kwam het toch tot een vereniging van beide groepen. De afgescheidenen hebben daarbij wel een paar keer geducht moeten slikken. Onder andere toen Kuyper op een samenspreking met deputaten de kant en klaar gedrukte bepalingen voor een ineensmelting uit zijn jaszak haalde. Of toen de dolerenden als vanzelfsprekend aannamen dat de theologische opleiding in Kampen maar overgeheveld moest worden naar Amsterdam. Op 17 juni 1892 kreeg de vereniging haar beslag. Voor een kleine vijfhonderd plaatsen gaf dit weinig moeilijkheden, omdat daar voorheen slechts één kerk had bestaan (of christelijk gereformeerd of dolerend). Slechts in 112 plaatsen was er rneer dan een. Daar was samensmelting dus nodig. Indien men dat niet wenste, kon men voorlopig nog blijven bestaan als gereformeerde kerk A of gereformeerde kerk B. Met de tijd zou de begeerde eedheid dan wel tot stand komen. Deze weg leek beter begaanbaar dan een eenwording-onder-druk.

Naam
De naam Gereformeerde Kerken in Nederland is met bijzondere zorg gekozen. Hierachter schuilt de gedachte van een bond van plaatselijke kerken, die een waren in confederatieve zin. ledere gedachte aan een landskerk of een landelijk kerkinstituut wilde men afsnijden. Nu wist men wel dat in de 17e eeuw veel over de "Gereformeerde Kerk in Nederland was gesproken", maar men wees er op dat die benaming slechts een dogmatische, oratorische of geografische betekenis had en nooit een kerkrechtelijke.

Met de keus voor het meervoud wilde men tot uitdrukking brengen dat elke plaatselijke kerk een complete kerk was met zijn eigen rechten en plichten. Het ging er om de zelfstandigheid van de gemeente, ingebed in het kerkverband, aan te duiden. „Dit grondbeginsel nu van ons Gereformeerd Kerkrecht zou te loor gaan, indien wij, gelijk thans, voor vrije keus gesteld, den aiouden naam van Gereformeerde Kerken opzettelijk in dien van Gereformeerde Kerk gingen omzetten".

Homogeniteit
Vijftien jaar na 1892 vond er opnieuw, maar dan op kleinere schaal, een vereniging plaats. Nu van ledeboerianen en kruisgemeenten tot Gereformeerde Gemeenten in Nederland (1907). Het zou interessant zijn om die twee met elkaar te vergelijken. Naar mijn mening was er in 1907 veel meer homogeniteit bij de verenigende partijen. Zowel de ledeboerianen als de kruisgezinden hadden hun wortels in de Afscheiding van 1834 en het hele klimaat daaromheen.

In 1892 kwamen twee partijen bij elkaar die in leer, tucht en dienst verder uit elkaar lagen. Afgescheidenen en dolerenden hadden hun eigen theologische en dogmatische bagage. Die twee sloten lang niet zo goed op elkaar aan als het geval was bij de ledeboerianen en kruisgezinden.

We gaan tot slot de inhoud van het hier aan te kondigen fraai uitgegeven herdenkingsboek nog even na. De volgende onderwerpen komen aan de orde: Wederkeer in Doleantie (H. Bouma); "Het is mijn moeder!", (L. Doekes); het Doleantiekerkrecht en de afgescheidenen (D. Deddens); het conflict Gunning-Kuyper over de weg van de kerk Kamphuis); Mr. dr. W. van den Bergh en zijn aandeel in de Doleantie (M. J. Arntzen); Ds. J. J. Ploos van Amstel, voorman van de Doleantie in Friesland (J. Wesseling); De zuivere lijn van J. C. Sikkel (C. Smits); Doleantie en diakonaat (C. Trimp); Voortrekkers over nakomers (P. A. Bergwerff).

Andere benadering
Het boek is royaal geïllustreerd en voorzien van een literatuurlijst alsmede een register van personen en geografische namen. Al deze hoofdstukken laten zich goed lezen en zijn zonder meer het bestuderen waard. Wel dient men oog te hebben voor de geheel andere benadering van Afscheiding en Doleantie van deze vrijgemaakte auteurs. In de titels van de herdenkingsboeken over Afscheiding en Doleantie komt het woord "Wederkeer" voor. En zo beschouwt men ook de Vrijmaking van 1944 als een wederkeer. De schrijvers zien in de vereniging van 1892 het reformatorische "samen-op-weg' van de vorige eeuw, waaraan vastgehouden mocht worden in de Vrijmaking van 1944 en volgende jaren.

N.a.v.: "Doleantie-Wederkeer". Opstellen over de Doleantie van 1886. Onder redactie van D. Deddens en J. Kamphuis. Uitg. Vijlbrief, Haarlem, 1986. 345 blz., prijs 45,50 gulden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1987

Reformatorisch Dagblad | 34 Pagina's

Doleantie blijft nageslacht boeien dank zij intrigerende Abr. Kuyper

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1987

Reformatorisch Dagblad | 34 Pagina's

PDF Bekijken