Bekijk het origineel

Voor vijfhonderd gulden een dak boven je hoofd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor vijfhonderd gulden een dak boven je hoofd

Voor deze mensen geen enkele boom of bloem, zelfs geen vogels, behalve dan gieren en kraaien

9 minuten leestijd

Een prachtig project. Dat vonden de leerlingen van de tweede klas van de reformatorische scholengemeenschap "Guido de Brés" in Rotterdam. In het kader van hun project "Ons dagelijks brood" zetten zij zich in voor een verkoopactic ten behoeve van Woord en Daad. In enkele weken, net voor de paasvakantie, verkochten zij voor 54.000 gulden aan goederen. Volgens de heer 't Lam, medewerker van Woord en Daad, is de helft van dit bedrag winst. Dat betekent geld voor 54 woningen. Of, in Indiase termen gedacht: een heel dorp wordt vernieuwd.

Wat voor ons gewoon is, kan voor een ander soms als luxe gelden. De zorgen voor de eerste levensbehoeften (voedsel, kleding, onderdak en warmte) kennen wij niet meer als dagelijkse zorg. In veel landen van de Derde Wereld ligt dat volstrekt anders. Tientallen miljoenen mensen verkeren in dermate armoedige omstandigheden, dat die zorg een groot deel van hun levenslast uitmaakt.
Ruw geschat, want exacte gegevens ontbreken in veel landen, zijn er ruim 100 miljoen daklozen. Deze mensen leven in de meest primitieve omstandigheden; overal waar ze niet weggejaagd worden. Met name in de grote steden van India, maar niet alleen daar, leven mensen in deze erbarmelijke omstandigheden.
Dominique Lapierre beschrijft in zijn boek "De Stad der Vreugde" de lotgevallen van een verarmde boerenfamilie die naar de grote stad is getrokken. Die 'Stad der Vreugde" is een krottenwijk; altijd nog een iets betere behuizing dan de straat. De eerste paar dagen leefden ze in een van de grote stations, maar, schrijft Lapierre, „die avond kwam hij laat terug op het station, doodmoe en verdrietig, maar voldaan, omdat hij zijn gezin zou verrassen met het eerstverdiende geld". Maar het bleek dat hèm een verrassing wachtte. Zijn vrouw en kinderen waren verdwenen. Het andere gezin ook. Hij vond hen ten slotte terug op het terrein achter het busstation. „De politie heeft ons met stokslagen weggejaagd", vertelde zijn vrouw huilend. „Zij dreigde ons in de gevangenis te stoppen als ze ons weer op het station zagen".

Slapende mensen

De familie Pal wist niet waar ze naar toe moest. Ze staken de grote brug over en liepen rechtdoor. Het was pikkedonker. Maar ondanks het late uur was het nog druk op straat. Daas van de drukte van die schreeuwende, door elkaar krioelende mensen, belandden ze op een plein in het hart van de stad. Deerniswekkend in haar armoedige boerensari liep Aloka met haar jongste zoon op de arm en haar dochter bij de hand. Manooj, de oudste, liep voor zijn vader uit. Ze waren zo bang dat ze elkaar zouden kwijtraken, dat ze aan één stuk door naar elkaar riepen in het donker. De stoep lag vol met slapende mensen, van top tot teen in stukken khadi gewikkeld. Het leken wel lijken. Zodra ze een vrij plekje hadden gevonden, stond de familie Pal even stil om op adem te komen. Ze stonden naast een familie die daar al bivakkeerde. De moeder was bezig chapati te roosteren.
De mensen kwamen oorspronkelijk uit de omgeving van Madras, maar gelukkig spraken ze ook wat Hindi, een taal die Hasari een beetje verstond. Ook zij hadden hun land verlaten voor de luchtkastelen van Calcutta. Ze boden de familie Pal een warme koek aan en maakten ruimte vrij op het trottoir, zodat ze zich naast hen konden installeren. De gastvrijheid van deze onbekende, hartelijke mensen deed Hasari goed. Zijn gezin zou veilig zijn in hun gezelschap, tot hij werk gevonden had. Die middag had hij zijn lesje op harde wijze geleerd. „In deze onmenselijke stad, waar mensen tijdens hun werk sterven, zou het wel heel vreemd moeten gaan als ik er niet op een goeie dag de plaats van een dode kan innemen".

Achterstand steeds groter

Er wordt ook in India veel gedaan om ,de huisvesting te verbeteren. Maar door de snelle bevolkingsgroei (de bevolkingstoename bedraagt ongeveer 15 miljoen mensen per jaar!) wordt de achterstand steeds groter.
En dan is er het allesbeheersende armoedeprobleem; velen hebben geen werk, kunnen zich nauwelijks in leven houden. Anderen zijn iets minder arm, maar zijn toch niet in staat de maandelijkse huur op te brengen.
Zo blijft er een (steeds groter wordende) groep verstoken van de meest elementaire huisvesting.
In het boek van Lapierre komt het gezin Pal pas in een krottenwijk terecht als de vader als riksjakoelie werk gevonden heeft.
"Met haar rechthoeken van lage huizen rondom kleine erven, leek de Stad der Vreugde inderdaad meer op een arbeidersbuurt dan op een krottenwijk. Ze was echter de houdster van het trieste record van het dichtstbevolkte gebied ter aarde; 130.000 inwoners per vierkante kilometer. Er was voor deze 130.000 mensen geen enkele boom, geen bloem, geen vlinder, zelfs geen vogels, met uitzondering van de gieren en de kraaien. De jongste kinderen wisten niet wat een struik was, een bos of een vijver; de lucht was zo vol met kooldioxyde en zwavel, dat er minstens één persoon per gezin aan deze luchtvervuiling stierf. De verzengende hitte sloeg de mensen en dieren acht maanden per jaar lam.

Levensverwachting

De moesson maakte de steegjes en de krotten tot één poel van modder en uitwerpselen. Hier was door lepra, tuberculose, dysenterie en alle deficiëntieziekten de levensverwachting teruggebracht tot een van de laagste ter wereld. Hier leefden 8500 buffels en koeien, permanent vastgebonden in hun stallen vol mest, en gaven melk die besmet was door microben. Maar het ergste was de extreme armoede die er in de Stad der Vreugde heerste. Negen van de tien bewoners hadden nog niet eens één roepie per dag om drie ons rijst te kopen. En zoals alle andere slums, werd ook de Stad der Vreugde in het algemeen genegeerd door de andere inwoners van Calcutta, behalve als er van misdaad of stakingen sprake was. De wijk werd gezien als gevaarlijk en stond slecht bekend. Dit samenraapsel van onaanraakbaren, paria's en asocialen werd een wereld apart, waarin men als het ware buiten de wereld leefde".
Ondanks de doffe ellende is het leven niet voor allen uitzichtloos. Een Franse priester gaat temidden van deze verschoppelingen wonen en probeert iets van het Evangelie voor te leven. Dat komt meer voor. Met name is in Calcutta het werk van moeder Teresa bekend geworden.
Op het platteland zijn de problemen nauwelijks minder groot, maar omdat daar de bevolkingsdichtheid veel lager is, lijkt het wat minder omvangrijk. Toch zijn het juist de uiterst moeilijke omstandigheden op het platteland die de mensen naar de steden doen vertrekken.

Kommervol

In het laatste nummer van Woord en Daad stond een beschrijving van een streek in Kerala (Zuid-India): „In de uitgestrekte rubberbossen, nabij de dorpen Edamatton, Palayam en Kuttara, wonen erg verspreid de rubbertappers met hun gezinnen, veelal in kommervolle omstandigheden. De verdiensten zijn amper voldoende voor de aankoop van het noodzakelijk voedsel; medische hulp, medicijnen, een goede behuizing, zijn luxe, waaraan de meesten uit zichzelf nimmer toekomen.
Men leeft veelal in zeer armoedige onderkomens; een schamele hut (één ruimte), met wanden van leem of gevlochten matten, het dak van gedroogde palmbladeren, een vloer van aangestampte aarde. De dakbedekking moet regelmatig vernieuwd worden, maar daar komt meestal wegens geldgebrek niet veel van terecht. Met name in de regentijd wreekt zich dit en het wordt duidelijk dat het dak zo lek is als een mandje, met alle gevolgen van dien.
Zonder hulp van buitenaf is er geen verandering van enige betekenis mogelijk. De Stichting probeert op bescheiden wijze toch te doen wat mogelijk is. Zij heeft daarvoor een bijzondere goede vorm gevonden: samen met de plaatselijke bevolking werken aan woningverbetering. Dat laatste woord is eigenlijk fout; het gaat om nieuwbouw, voor mensen die voorheen in primitieve omstandigheden woonden.

Werkzaam aandeel

Onder leiding van een uit de bewoners te vormen comité worden ploegen samengesteld, welke een werkzaam aandeel gaan leveren bij de renovatie van de huizen, stuk voor stuk volgens een door het comité op te maken urgentielijst. De zuster-organisatie van Woord en Daad zorgt voor deskundige begeleiding en de noodzakelijke materialen.
Denkt u zich eens in, dat een moeder van vijf kleine kinderen na zo'n renovatie aan haar uitputtende dankbetuiging kon toevoegen: „Voor het eerst van m'n leven heb ik het afgelopen regenseizoen droog gezeten!"
Het gaat om een bescheiden aantal, namelijk ongeveer 700 huizen. De armoede wordt er niet minder door (hoewel, als in de regentijd alles droog blijft, bespaart dat op termijn veel goederen en —veel belangrijker nog— de kinderen worden minder vaak ziek!). Zo'n project is dus niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.
Het gaat bij ontwikkelingshulp evenwel om zeer uiteenlopeVide zaken, die wel alle —op kortere of langere termijn— één doel beogen: verbeteren van de levensomstandigheden van medemensen die daar zelf niet de mogelijkheden toe hebben. Het bieden van een waterdicht dak is dan bepaald niet niks, vooral niet in een gebied waarin de moessonregen gedurende geruime tijd in een voor ons ongekende intensiteit valt.

Zelfwerkzaamheid

Niet minder belangrijk is de zelfwerkzaamheid die bij de huizenbouw gevraagd wordt. Natuurlijk, deze mensen hadden daar eerder mee kunnen beginnen, maar vergeet niet dat ze een essentieel deel, namelijk het dak, niet konden betalen. En daarmee was het hele idee niet erg zinvol. Nu kunnen ze van plaatselijke (iiaterialen, klei, stenen maken. Om goed en snel te kunnen werken, is een minimum aan samenwerking en organisatie nodig.
Zo'n eenvoudig project kan de uitzichtloosheid van hun situatie doorbreken; er is een concreet doel bereikbaar, en met een bescheiden handreiking blijkt dat doel realiseerbaar. En het zou niet voor het eerst zijn dat de dorpsbevolking na zo'n actie opnieuw iets ter hand ging nemen.
In de derde plaats: een dak boven je hoofd biedt meer dan bescherming tegen de regen. Je hebt een 'echt' huis, en daarmee kom je los uit de modder waarin je gedwongen leeft. Zo'n zeer eenvoudig huis geeft ook een stukje identiteit. Voor ons niet goed na te voelen; voor daklozen en krotbewoners nadrukkelijjk wel. Je bent minder verschoppeling, want je hebt een huis. En zou dat niet belangrijk zijn...

Wel zinvol

Wat die druppel op een gloeiende plaat betreft: jaarlijks worden vele honderden miljoenen guldens als ontwikkelingshulp aan grote projecten —vaak prestigeprojecten— besteed. Soms zinvol, jammer genoeg vaak van betrekkelijk weinig invloed op het leven van de arme bevolking. Daarbij komt nog dat veel door westerse deskundigen voorgestelde projecten te weinig aansluiten bij de werkelijke problemen van een ontwikkelingsland.
Kleine, goed gekozen projecten, waarbij de mensen zelf ingeschakeld kunnen worden, zijn bepaald niet spectaculair, maar wel zinvol.
En elke bewoner krijgt naast een dak nog iets: een Bijbel. Logisch, maar er is nog een andere trieste logica. Die Bijbel vroeger uitreiken had geen zin; tijdens de regenperiode zou die in de schamele hutten zo vaak nat zijn geworden, dat er in korte tijd niets van was overgebleven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1987

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Voor vijfhonderd gulden een dak boven je hoofd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1987

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken