Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een leegstaand monumentaal pand in zwolle heeft geen toekomst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een leegstaand monumentaal pand in zwolle heeft geen toekomst

Overijsselse hoofdstad ontwikkelde in de loop der jaren een eigen beschermb

9 minuten leestijd

ZWOLLE — De zorg voor monumenten kwam in Nederland in het eind van de vorige eeuw op gang. Jonker De Stuers, die toentertijd referendaris was bij het ministerie van binnenlandse zaken, speelde daarbij een vootrekkersrol. Men zegt dat hij in een koetsje door Nederland trok en de gebouwen aanwees die volgens hem monument zouden moeten zijn. Er ontstond langzamerhand een zekere bewustwording met betrekking tot monumentale gebouwen. Naast het Rijk gingen nu ook veel gemeenten op hun monumenten letten. Rond de eeuwwisseling was er in Zwolle echter nog geen spraken van bewustwording, laat staan bescherming.

In 1880 wilde het Zwolse stadsbestuur de monumentale Sassenpoort gaan slopen. Het Rijk diende zich echter bijtijds aan en kocht deze laatste Zwolse stadspoort, zodat het fraaie bouwwerk behouden kon worden. Zo'n situatie is anno 1987 ondenkbaar. Naast 386 rijksmonumenten heeft de gemeente Zwolle nu een 'eigen' monumentenlijst met 86 objecten, waarvan een gedeelte definitief beschermd is en een gedeelte voorlopige bescherming geniet.

Beschermbeleid
In de loop der jaren heeft Zwolle een eigen beschermbeleid ontwikkeld. Zo is er bij openbare werken een bureau monumentenzorg in het leven geroepen. Op dit bureau houden drie ambtenaren zich dagelijks bezig met bescherming en restauratie van overblijfselen uit vroegere culturen. Zij stippelen het, gemeentelijk monumentenbeleid uit voor de komende jaren.
Het bureau monumentenzorg viert volgend jaar zijn 25-jarig bestaan. We gaan terug in de tijd en kijken hoe het huidige Zwolse monumentenbeschermingsbeleid tot stand is gekomen en wat de plannen zijn voor de nabije toekomst.
Door de komst van de Monumentenwet van 1961 werd in de daaropvolgende jaren de bemoeienis van het Rijk met monumenten een feit. Deze wet had tot gevolg dat er een golf van inventarisaties van monumenten op gang kwam.
In Zwolle telde het Rijk circa 350 panden die werden aangemerkt als rijksmonument. Daartoe hoorde onder meer de Sassenpoort, de 'Peperbus' en alle oude kerken die de Zwolse binnenstad rijk is. Het Rijk kwam aan het eind van de jaren '70 tot de slotsom dat Nederland een enorme hoeveelheid monumenten telde.
Men vermeldde op de inventarisatielijst in eerste instantie alleen monumenten van voor 1850. Zo kwam het dat bouwwerken in neo-stijlen (de zogenaamde jonge bouwkunst) niet onder rijksbescberming vielen. Een van de oorzaken waarom deze bouwwerken uit de tijd van de industrialisatie door de rijksoverheid niet beschermd werden, was dat er nog geen belangstelling bestond voor de bouwcultuur van de 19e eeuw.
Het Rijk heeft op deze manier in de periode van 1960 tot 1980 in heel Nederland zo'n 44.000 monumenten van voornamelijk de bouwkunst van voor het jaar 1858 in bescherming genomen.

Stimulering
Hoewel monumentenbescherming een taak is van het Rijk, vond de gemeente Zwolle het nuttig om mee te denken en te werken. Daarom kwam er in 1963 in Zwolle een bureau monumentenzorg van de grond. Restauraties van monumenten werden in de beginjaren van het bureau vooral beperkt door geringe financiële mogelijkheden.
Toen in 1970 de plannen voor een noordelijke doorbraak door de stad Zwolle niet doorgingen en er toch al een karakteristiek gedeelte van de binnenstad was gesloopt, betekende dit een stimulering voor het Zwolse monumentenbeleid. Niet alleen omdat de vele open plekken die in de binnenstad ontstaan waren, opgevuld moesten worden, maar vooral omdat de aangekochte bouwvallige panden gerestaureerd konden worden.
In de daaropvolgende jaren kreeg de monumentenzorg in de Overijsselse hoofdstad gestalte. Omdat er eind 1974 een monumentennota verscheen, werd de mogelijkheid geschapen op, langere termijn een gericht monumentenbeleid te voeren. Dank zij een nieuwe subsidieregeling van het Rijk kon Zwolle in samenwerking met de Rijksdienst voor Monumentenzorg een zogenaamd woonhuisprogramma ontwikkelen en uitvoeren.
Dit programma betrof niet alleen restauratie van monumenten, maar ook van woonhuizen in de omgeving van monumenten. Een van de restauratieprojecten in dit programma betrof panden aan de Waterstraat/Steenstraat, een project dat enkele jaren na uitvoering met de Europa-Nostra-prijs werd bekroond.

Kerken
Behalve het woonhuisprogramma werd een restauratieprogramma voor kerken opgesteld en ingediend bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg, om de benodigde subsidiegelden te krijgen. Het plan hield in dat systematisch alle monumentale kerken in Zwolle zouden worden gerestaureerd. Nadat de Doopsgezinde kerk, de Onze-Lieve-Vrouwenkerk, de Bethlehemsekerk, ten dele de Grote Kerk en de Broerenkerk gerestaureerd waren, moesten de werkzaamheden noodgedwongen worden gestaakt vanwege bestedingsbeperkingen bij het Rijk.
Toch was zo'n planmatige en gezamenlijke aanpak met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vrij uniek in Nederland. Alleen Utrecht werkte met vergelijkbare programma's.
Omdat men in het begin van de jaren '80 begon te beseffen dat bouwsels uit de tijd van de jonge bouwkunst eigenlijk ook beschermd dienden te worden, werd er van rijkswege op aangedrongen om binnen de gemeenten een begin te maken met inventarisatie en bescherming van jonge monumenten. Temeer omdat rijksoverheid nog niet in staat bleek de veelomvattende taak van bescherming van de jonge bouwkunst op schouders te nemen.
Het beschermingsbeleid van gemeenten moest voorkomen dat monumentale panden die erg waardevol zijn en niet door het Rijk worden beschermd, onder gemeentelijk beheer kwamen. In de gemeente Zwolle startte men in 1983 een inventarisatie die gericht was op deze jonge bouwkunst.

Met steun van de vereniging Vrienden van de Stadskern werd vastgesteld dat zo'n 200 individuele monumenten in eerste instantie voor bescherming in aanmerking kwamen. Deze 200 monumentale kadasters vormden 86 objecten, en werden voorlopig opgenomen in een zogenaamde gemeentelijke monumentenlijst.
De monumentenlijst bevat per object de plaatselijke aanduiding, een omschrijving, een plattegrondskaartje en een foto van het monument. Er komen voornamelijk woonhuizen op deze lijst voor, zoals bij voorbeeld panden aan singels en gedeeltes van oude volkswoonwijken.

Voorbeelden hiervan zijn: de Burgemeester van Royensingel, enkele panden rondom het station en rijtjeshuizen in Assendorp. Een vreemd monument op de lijst is de rooms-katholieke begraafplaats aan de Bisschop Willebrandlaan. Ook de Sassenpoortbrug vormt een bijzondere eend in de Zwolse monumentenbijt. Met behulp van deze monumentenlijst werd een monumentenverordening opgesteld. Zowel de monumentenlijst als de monumentenverordening moest nog door de gemeenteraad worden vastgesteld, toen er medio 1985 iets gebeurde dat de gehele Zwolse politiek en bevolking deed sidderen: het gouverneurshuis werd gesloopt.
Zo slecht als het pand was (het had namelijk al een aantal jaren van leegstand doorgemaakt), stond het hoog op de kersverse monumentenlijst te pronken. De ambtelijke molen draaide echter te langzaam; de monumentenlijst was nog niet officieel door de gemeenteraad vastgesteld en zo kon het gebeuren dat het monumentale gouverneurshuis plaats moest maken voor een pompeuze appartementenflat.

Bittere pil
Met de bittere pil van de gouverneurshuisaffaire nog vers op de maag, stelde de Zwolse gemeenteraad in december 1985 de monumentenverordening en monumentenlijst vast. Dit betekende dat een monument dat op de voorlopige monumentenlijst geplaatst was niet meer gesloopt mocht worden. De grondslagen om tot gemeentelijke monumentenbescherming over te gaan, waren gelegd.
Volgens de verordening werd vervolgens een monumentencommissie ingesteld. Deze niet-ambtelijke adviescommissie, die in 1986 aan het werk is gegaan, behandelt bezwaarschriften van eigenaren van wie panden tot voorlopig monument zijn verklaard. Na een jaar bepaalt de gemeenteraad of de voorlopig beschermde monumenten op de definitieve monumentenlijst geplaatst kunnen worden.
De 86 objecten tellende voorlopige monumentenlijst is nu voor de helft afgehandeld, zodat in november de 'laatste' voorlopige monumenten definitief beschermd zullen zijn.
In november komt Monumentenzorg weer met een nieuwe lijst, waarop objecten van meer plaatselijk belang staan. Om hoeveel en welke monumenten het gaat, wil het bureau monumentenzorg nog niet zeggen. Er ligt op het stadhuis tevens een (geheim) concept-voorstel in de vorm van een monumentennota gereed. Deze nota bleek nodig om de monumentenverordening van 1985 duidelijker op schrift te stellen.

Verordening
De beleidsnota die op stapel staat, lijkt dus wat vorm betreft op de verordening, maar is op enkele punten afwijkend. Desondanks spreekt men op het bureau monumentenzorg van een „nieuw monumentenbeleid" als het gaat over de uitvoering van de nota. In november van dit jaar wordt het voorstel in de gemeenteraad behandeld. Van Kregten, hoofd afdeling bouwkunde/monumentenzorg van openbare werken in Zwolle, is bereid een tipje van de sluier over het voorstel op te lichten.
„Het typische van Zwolle is dat al onze monumentale panden als een eenheid bij elkaar liggen. Zo vormt bij voorbeeld de Thorbeckegracht of de Burgemeester Van Royensingel een bijzonder geheel.
„Wil een monument tot een aantrekkelijk stadsbeeld bijdragen, dan moet het functioneren en niet leeg staan. Want een leegstaand monument is ten dode opgeschreven. Je moet geen laken over een monumentaal pand gooien en zorgen dat er nooit meer iets aan gebeurt. Neem bij voorbeeld het Josephgebouw. Nadat deze kerk jarenlang buiten gebruik is geweest, ging het dak lekken. Zulke problemen doen zich minder snel voor bij monumenten die in gebruik zijn".
„Een belangrijk punt in onze concept-beleidsnota is dan ook dat we de raad voorstellen alleen het exterieur van gemeentelijke monumenten te beschermen en niet het interieur. Het nieuwe beleid is er namelijk op gericht dat vooral eigenaren van monumentale woonhuizen 'modebewuster' gaan worden".

Voordeel
„We moeten de eigenaren duidelijk maken dat het in het belang van Monumentenzorg is om juist monumenten te gebruiken en niet verboden voorop te stellen. Het interieur van monumentale panden moet vrij zijn voor gebruik. Dit is niet alleen een voordeel voor de bewoner en/of eigenaar, maar ook goedkoper voor de gemeente, omdat zij minder subsidies hoeft te verlenen op aanpassingen aan het interieur".
„Nu we toch bij het punt van subsidiegelden zijn aangeland, kan ik zeggen dat er in de nieuwe nota ook een voorstel zit voor verbetering van het subsidiebeleid voor eigenaren van monumentale woonhuizen. Het gemeentebstuur vindt dat het aantrekkelijk moet blijven om in zulke panden te wonen", aldus ingenieur Van Kregten.
Het bureau monumentenzorg verwacht dat de Zwolse politiek positief op de beleidsnota zal reageren. Mede door bezuinigingen bij zowel rijks als lagere overheid, zullen er in de komende jaren minder restauraties uitgevoerd worden. Voor de rijksmonumenten is de Rijkssubsidieregeling Restauratie Monumenten per 1 januari 1986 in werking getreden Dat betekent dat gemeenten een zogenaamd meerjarenrestauratieplan bij de minister van WVC in moeten dienen. Alleen de gemeenten die zo'n meerjarenprogramma tijdig gereed hebben, komen in aanmerking voor subsidie.

Carillon
De gemeente Zwolle heeft ook een dergelijk restauratieprogramma, waarbij men tot 1991 behoefte heeft aan 2 miljoen gulden voor het uitvoeren van restauraties aan onder andere het carillon van de 'Peperbus', de bouwhuizen van het voormalige Huis Windesheim en de Grote Kerk. Zwolle heeft tot 1991 echter een budget toegewezen gekregen van 8 ton, zodat men niet in staat is de gewenste restauraties uit te voeren. „Grootschalige restauraties", zegt Van Kregten, „liggen er dus niet in het verschiet".
Op de vraag of Monumentenzorg toch nog een speciale wens heeft, antwoordt Van Kregten: „Wat we graag zouden willen restaureren, is de oude Statenzaal van het voormalige Provinciehuis aan de Diezerstraat. In dit gebouw, een rijksmonument, is de centrale bibliotheek gevestigd. De Statenzaal is echter niet in gebruik en aangezien deze zaal van groot historisch belang is, zal het zeker de moeite waard zijn om haar in oude staat terug te brengen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 9 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Een leegstaand monumentaal pand in zwolle heeft geen toekomst

Bekijk de hele uitgave van woensdag 9 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken