Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In Dordt klinkt Franck op z'n best

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In Dordt klinkt Franck op z'n best

Arie J. Keijzer over zijn orgels, zijn stijl en zijn wens om verstaanbaar te zijn

9 minuten leestijd

,Ik kan me voorstellen dat de mensen moeite hebben met bij voorbeeld muziek van Siegfried Reda. Dan speel je zoiets ook minder, ' want je wilt met de muziek die je speelt ook graag verstaanbaar zijn voor de mensen". Iemand die vooral graag bij het luisterend publiek in de gunst wil blijven en dus wel platgetreden paden bewandelt? Integendeel, het citaat is van Arie J. Keijzer, die het publiek ook best iets voor durft te schotelen waar wat langer op gekauwd dient te worden.

Onlangs werd na jarenlange restauratie de Grote Kerk in Dordrecht weer in gebruik genomen. Tegelijk was het gerestaureerde Kam-orgel weer voor het eerst in alle glorie te horen. Een gesprek met de organist van de Grote Kerk, Arie J. Keijzer, gaat als vanzelf over het Dordtse orgel, maar eveneens over dat van de Rotterdamse Doelen, waar Keijzer ook organist is. Verder over z'n muzikale ontwikkeling en het lesgeven aan het Rotterdams Conservatorium; een gesprek vooral ook over Keijzers muzikale stijl.

Eiland
Het eiland Goeree-Overflakee lijkt rijk gezegend met orgeltalent; dat blijkt bij voorbeeld regelmatig uit de resultaten van amateurconcoursen. Arie Keijzers wieg stond op dat eiland, in Nieuwe Tonge om precies te zijn. Daar deed hij dus de liefde voor de muziek op, maar voor de studie zocht hij het buiten het eiland. Piet van den Kerkhoff werd, na vader Keijzer, de tweede orgelleraar. Keijzer noemt Van den Kerkhoff een groot musicus, maar als pedagoog bestreek hij een te groot gebied. „Hij gaf lessen voor orgel, piano, zang en koordirectie. Misschien moest dat ook wel in die tijd vlak na de oorlog, maar de lessen konden daardoor niet optimaal zijn". Specialist op orgelgebied was wel Adriaan Engels, van wie Keijzer vooral de techniek leerde, „het fijnzinnige van het technisch orgelspelen", zoals hij zelf zegt. Na het accent op het technisch aspect bij Engels, volgden de lessen van George Stam, „een echte muzikant, waar vooral de interpretatie en de voordracht de aandacht kregen". Ten slotte volgde dan nog Siegfried Reda in Duitsland, bij wie Keijzer zich met name met de hedendaagse (kerk)muziek bezighield. Na die studie is hij al weer bijna twintig jaar organist van het concertgebouw De Doelen en sinds 1976 ook van de "Dordtse Dom".

Subtiel
Dat lijken zo op het eerste gezicht twee heel verschillende taken, maar Keijzer ziet ze duidelijk op één lijn. Hij heeft nauwelijks voorkeur voor een van beide. „In de Doelen staat een neo-barokorgel, uitstekend geschikt voor Buxtehude en andere Noordduitse meesters. Het is een subtiel en doorzichtig instrument, heerlijk om te bespelen. Hier in Dordrecht gaat het om een orgel uit 1859, een romantisch instrument dus. Voor de restauratie was het orgel erg zwaar te bespelen, nu is de toetsdruk normaal geworden. Er zijn een tremulant op het rugwerk en een pedaalkoppel naar het derde klavier bijgeplaatst. En wat de klank betreft, die is qua karakter niet veranderd, maar doordat alles weer grondig is schoongemaakt, klinkt het orgel veel stralender en helderder. Het juicht!
Ook dat is dus een heerlijk orgel. Hier komen romantische orgelwerken beter tot hun recht, vooral door de akoestiek van bijna tien seconden. Die voegt toch wel zoveel aan een werk toe, dat er een zekere wijding van uitgaat. Anderzijds, als je bij voorbeeld Bach in de Doelen speelt is het lijnenspel van de muziek weer duidelijker".

Idioom
Keijzer schuwt het moderne repertoire niet. Ook zijn eigen composities en improvisaties hebben een zeer eigentijds klankidioom. Opmerkelijk daarbij is dat bijna al die muziek gebaseerd is op teksten van psalmen of gezangen. Religieuze muziek dus?
„Ik wil in die muziek inderdaad de tekst tot uitdrukking brengen, de harmonieën moeten ook een illustratie zijn van het desbetreffende vers. Maar ook zonder tekst kan muziek religieus zijn. Neem bij voorbeeld het Derde Choral van Franck: je ruikt de wierook als het ware. In de Doelen komt zoiets niet echt tot z'n recht. Je probeert het daar zo goed mogelijk te benaderen, maar Dordrecht is eigenlijk de enige kerk in Nederland waar die muziek zó mooi klinkt. En dan zeggen de mensen natuurlijk: Dat zegt hij omdat hij daar toevallig zelf organist is, maar dat is niet zo".
Voor veel hoorders is Keijzer te modern. Hij kan zich dat ook nog enigszins voorstellen: „De muziek van Siegfried Reda bij voorbeeld wordt nauwelijks uitgevoerd. Zijn werk is heel moeilijk toegankelijk en ik kan me dan ook best voorstellen dat mensen daar moeite mee hebben. Dan speel je dat ook steeds minder, want je wilt met de muziek die je speelt ook graag verstaanbaar zijn voor de mensen.
Aan de andere kant moet je toch ook wel eens dingen spelen die niet op het eerste gehoor verstaanbaar zijn. Het komt er dan wel op aan dat je uitleg geeft, dat is ook bijbels. Neem nu mijn bewerking over Psalm 22. Die eindigt met een vreselijk dissonerend akkoord, te erg om aan te horen. Maar als je beseft waar het in die psalm over gaat, als je leest hoe Jezus met grote stem riep en de geest gaf, dat is niet mooi, dat is verschrikkelijk! Dat kan ik niet met een mooie grote drieklank weergeven. En vooral hier in de Grote Kerk klinkt zo'n slotakkoord na als een verschikkelijke kreet".
Toen het Dordtse orgel opnieuw in gebruik werd genomen, speelde Arie J. Keijzer een eerste uitvoering van zijn Derde Orgelsymfonie. De symfonie is gebaseerd op vijf passie- en paaskoralen, vandaar de naam Opstandingssymfonie. In een van de landelijke dagbladen werd als kritiek op het werk geuit dat het muzikale teveel gebukt gaat onder de religieuze boodschap van de maker, maar daar is Keijzer het absoluut niet mee eens. „Wanneer ik daarin een gedeelte schrijf over "Als ik in gedachten sta, bij het kruis van Golgotha", dan sta ik daar ook. En dan loop je niet zomaar weg hoor, dan gaan er zoveel gedachten door je heen! Het is wel een moeilijke melodie, eigenlijk te eenvoudig, wat zoetig ook; die heeft tijd nodig om die spanning bij dat kruis weer te geven. Die spanning probeer ik dan door middel van de harmonieën op te bouwen".
Het is duidelijk dat Keijzer religieuze muziek wil schrijven. De tweede vraag is natuurlijk of het ook muziek is voor de eredienst. Als voorbeeld noem ik zijn partita over psalm 64 in een bundel van de Vereniging van Organisten van de Gereformeerde Gemeenten. (De bundel was vooral bedoeld voor gebruik in de eredienst, maar heel wat organisten en kerkgangers hadden moeite met het gehanteerde idioom). Keijzer kent de problemen uit z'n zondagse praktijk, maar zegt over de genoemde partita: „Wat ik daar gedaan heb, was helemaal niet modern, juist zo ouderwets als wat! Ik heb ook geprobeerd om rekening te houden met de gemiddelde organist. Hoewel je toch snel te hoog grijpt, omdat het juist bij een eenvoudig stuk veel moeilijker is de muziek mooi te spelen. Belangrijk vind ik dat de cantus firmus herkenbaar is; dan worden nieuwe harmonieën beter geaccepteerd".

Stijlverschil
„Hier in de Grote Kerk worden diensten gehouden door Confessionelen en Gereformeerde Bonders. Bij de confessionele diensten kan ik meer aan orgelmuziek kwijt. In bondsdiensten wordt een nieuwe taal sneller afgewezen. Natuurlijk is er een wereld van verschil tussen mijn muziek en bij voorbeeld die van Jan Zwart. Maar ook dat vind ik fijne muziek. Ik heb het ook in de Doelen wel gespeeld. Die stijlverschillen maken het juist zo boeiend. En de mensen vergeten vaak dat het feest der herkenning pas plaats kan vinden als je bepaalde muziek meer keren gehoord hebt. Daarom kan er ook in een Gereformeerde Bondsdienst heel wat, als de gemeente maar met je meegroeit. Overigens, van ultramoderne zaken als met je vuisten spelen of je ellebogen op het klavier, daar moet ik niets van hebben. Daar is een orgel niet voor!"
„Je ontwikkelt natuurlijk wel je eigen taal. Ik ga altijd achter het orgel zitten en als ik dan een paar aardige maten heb, schrijf ik die op. Een paar keer spelen, er ontstaan een paar nieuwe maten, weer opschrijven, en zo ontstaat geleidelijk een heel werk. Ik kies dus niet vooraf een vorm. Ik voel me ook niet zo thuis in het schrijven van bij voorbeeld een fuga, dat is me te dogmatisch. Neem nu mijn Eerste Symfonie: ik had een mooi Andante gemaakt en toen dacht ik: Daar zitten best elementen in die ik kan gebruiken voor een groots eerste deel. Maar als je denkt in de richting van een symfonie, dan kan die natuurlijk niet uit twee delen bestaan, dus moet er ook een Scherzo en een Finale komen. Zo gaat dat. Ik ben meer muzikant dan theoreticus. Het systeem blijkt pas achteraf, als alles op papier staat. De theoretici komen pas later. Bij mij is het innerlijk gevoel voor verhoudingen belangrijker dan de theorie".

Achtergronden
Natuurlijk kwam ook Keijzers werk aan het Rotterdams Conservatorium ter sprake. Hij zegt erover: „Les geven is mooi werk. Om te zien hoe die mensen zich ontwikkelen. Meestal gaat het ook om heel gemotiveerde leerlingen. En bovendien moet je zelf blijven lezen als je les geeft in uitvoeringspraktijk en historische ontwikkeling".
Beïnvloedt Keijzer zelf z'n leerlingen?
„Ik ben ervan overtuigd dat die beïnvloeding er is. Je draagt toch je opvattingen uit. Soms worden die helemaal overgenomen, als men zich daarin herkent. Maar je maakt het ook mee dat ze het helemaal niet met je eens zijn. En dan kan er al pratend toch iets goeds uit komen. Er is bovendien meer: veel muziek is ontstaan uit geloofsvervaring. Je kunt koralen van Bach niet spelen zonder ook over de inhoud van de tekst te praten en de relatie daarvan tot de muziek. Omdat de meeste studenten een kerkelijke achtergrond hebben, kun je daar goed over praten".
Op het theologische zijpad dat we daarna langdurig bewandelen, blijkt dat Keijzer over een grote bijbelkennis beschikt en een levendige interesse in theologische zaken heeft. Je begrijpt zo iets van de achtergrond als hij tot slot nog eens het laatste deel van de Opstandingssymfonie laat horen, met het massaal mee te zingen slotlied "Ik zeg het allen dat Hij leeft".
Het blijft een erg weerbarstige stijl, maar wel indrukwekkend. Zeker daar in Dordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

In Dordt klinkt Franck op z'n best

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken