Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kamer stuurt haast nooit meer ministers weg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kamer stuurt haast nooit meer ministers weg

Spanningen ontlaadden zich het vaakst boven het hoofd van de minister van financiën

11 minuten leestijd

Ooit trad een minister af omdat hij een aanrijding had veroorzaakt. Ook is het gebeurd dat een bewindsman opstapte omdat de Kamer een gulden op zijn salaris kortte. Die tijden lijken voorgoed voorbij. Er moet schijnbaar heel wat gebeuren voordat een minister eigener beweging zijn biezen pakt of de Kamer besluit hem het bos in te zenden. Na het geval-Van Aardenne en de affaire-Braks is de vraag gerechtvaardigd: Hoe bont moet een minister het maken eer de Kamer hem naar huls stuurt?

Wie de staatkundige geschiedenis van Nederland bekijkt, ziet dat ministers, even afgezien van benoemingen op andere posten, globaal genomen op vier verschillende manieren tussentijds vertrekken. Wel moet daarbij bedacht worden dat de scheidslijnen niet altijd even scherp te trekken zijn en niet ieder geval even gemakkelijk is in te passen. Het betreft een groep van circa 90 man die eerder dan verwacht en gehoopt de regeringsploeg moest verlaten (de oorlogsjaren niet meegerekend).

Heteenvoudigst te bedenken is de situatie dat een minister het niet kan vin- den met zijn medeministers, met andere woorden als er ruzie is in het kabinet. Meningsvershillen zijn er natuurlijk gedurig, al was het alleen maar omdat Nederlandse kabinetten immer bewindslieden bevatten van verschillende politieke kleur, maar slechts sporadisch komt het tot onoverbrugbare tegenstellingen. Lopen die langs de partijlijnen, dan is er sprake van een kabinetscrisis, omdat er dan een breuk in de coalitie ontstaat.

Financiën en defensie
Spanningen binnen de ministerraad ontladen zich, zo leert de parlementaire geschiedenis, het vaakst boven het hoofd van de minister van financiën. Dat wekt geen verbazing. Hij is verantwoordelijk voor de inkomsten en de verdeling van de uitgaven. De praktijk wijst uit dat conflicten met de zogenaamde "sectorministers", ministers die verantwoordelijk zijn voor een bepaald deel van het overheidsbeleid zoals onderwijs en volkshuisvesting, dikwijls niet te vermijden zijnl'

Tegenover de wens van de één om de eindjes aan elkaar te knopen staan de verlangens van de anderen om 'hun' belangen zoveel mogelijk te verzilveren. Onlangs nog speelde deze belangentegenstelling toen minister Ruding het bij de begrotingsbesprekingen aan de stok kreeg met zijn collega's Deetman en Nijpels.

Een andere sector waar betrekkelijk veel hoofden rollen is de landsverdediging, iets wat mede te wijten is aan de omstandigheid dat het departement dat nu Defensie heet lange tijd gesplitst was in tweeen: Oorlog en Marine. Tot 1926, het jaar waarin de ineenschuiving plaatsvond, telden kabinetten dan ook twee 'militaire ministers', waardoor er verhoudingsgewijs veel van hen konden vallen. Overigens leidde de samenvoeging in 1926 tot het vertrek van degene die toen minister van oorlog was en tijdelijk Marine waarnam. Minister Van Rooyen was het niet eens met de herverkaveling en hield het al na anderhalve maand ministerschap voor gezien.

Met één mond
Het recentste voorbeeld is minister van defensie Kruisinga, die in 1978 over de neutronenbom geheel andere opvattingen koesterde dan collega Van der Klaauw van buitenlandse zaken. Het kwam toen tot de zeldzame vertoning dat twee bewindslieden elkaar in het openbaar tegenspraken, zich beiden erop beroepend het enige echte regeringsstandpunt te verkondigen. Zoiets is staatsrechtelijk uit den boze, omdat de regering met één mond behoort te spreken. Na kabinetsberaad bleek Kruisinga aan het kortste eind te hebben getrokken.

Aan een ministercrisis als gevolg van een conflict in de ministerraad komt de Kamer meestal pas achteraf te pas, namelijk als de minister-president het vertrek van een van de zijnen komt mededelen. Anders is het als er een ministerscrisis ontstaat door het optreden van de Kamer zelf, als de Kamer het vertrouwen in een bewindsman opzegt. Deze categorie is verreweg het omvangrijkst. Opvallend is ook hier het grote aantal defensieministers die sneuvelen.

Begroting verwerpen
Hoe zegt de Kamer het vertrouwen in een bewindsman op? Een oud en veel gebruikt middel om een onwelgevallige minister naar huis te sturen, is het verwerpen van zijn begroting, waardoor hij geen geld meer kan uitgeven, of ook wel het korten van het symbolische bedrag van één gulden op zijn salaris. In de vorige eeuw is dit 'paardemiddel' —ondanks staatsrechtelijke bezwaren van onder anderen de liberale professor Buys en de christelijk-historische staatsman De Savornin Lohman, die het verwerpen van de begroting om redenen die los staan van de cijfers ongeoorloofd achtten— frequent gebruikt. Weigerde een minister hardnekkig uit andere tekenen van onvrede en ongenoegen de noodzakelijke gevolgtrekking te maken, dan bracht de Kamer als ultimatum remedium het verwerpen van zijn begroting in stelling. De laatste keer dat op deze manier een eind kwam aan de loopbaan van een minister was in 1920, toen minister Bijleveld van marine in aanvaring kwam met de kamermeerderheid, waaronder zijn eigen anti-revolutionaire fractie.

Ministers zijn ook nogal eens opgestapt nadat ze in de Kamer geen meerderheid wisten te krijgen voor een hen dierbaar wetsontwerp. Soms maakte een minister al voor de stemming duidelijk dat verwerping van het voorstel zou worden opgevat als een blijk van wantrouwen. Zo bij voorbeeld in 1927, toen de gezaghebbende en alom gewaardeerde jhr. Van Karnebeek zich na negen jaar ministerschap van buitenlandse zaken genoodzaakt zag terug te treden, toen de Eerste Kamer het na jarenlange onderhandelingen ondertekende Nederlands-Belgische Traktaat verwierp.

In diezelfde lijn ligt overigens de ontslagaanvrage van ministers die er de brui aan geven omdat de Kamer het lef had een motie of amendement, aan te nemen waarvan de minister had verklaard dat dit voor hem „onaanvaardbaar" zou zijn.

„Geen Sterke figuur"
Vrij talrijk is het aantal ministers die het veld ruimen omdat ze in feite niet voor hun taak berekend zijn. Zwakke broeders in het kabinet, die óf voor de Kamer op de loop gaan óf in het debat niet opgewassen blijken te zijn tegen kritische vragen. Meestal zijn het onervaren lieden, die te laat moeten erkennen dat 'de politiek' een hard bedrijf is.

Bekend is het afscheid van minister Van Rooy van sociale zaken en volksgezondheid in 1961. Zelfs partijgenoten van de minister laten doorschemeren hem „geen sterke figuur" te vinden. Als de Kamer midden in de behandeling zit van de inderdaad ingewikkelde materie van de kinderbijslagverzekering, verschijnt op een gegeven moment premier De Quay in de Kamer om de verbaasde aanwezigen te laten weten dat Van Rooy „om persoonlijke redenen" ontslag heeft gevraagd en gekregen. „...Mijn indruk is", zo voegt De Quay daar aan toe, „dat hij zich niet langer in staat achtte het wetsontwerp (...) in de Kamer te verdedigen".

Later, in 1978, is er in de pers hier en daar gespeculeerd op vervanging van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Van der Klaauw. Ook hij, een buitenstaander die uit de diplomatieke dienst was weggeplukt, kon in en met de Kamer aanvankelijk slecht uit de voeten, maar tot ontslag kwam het uiteindelijk niet, ook al omdat 'de brekebeen' van het eerste kabinet-Van Agt het steeds beter ging doen. Als er gesproken wordt over ministers die de eer aan zichzelf houden, dan dienen dezulken met name gezocht te worden in deze groep.

Binnenbrand
In de vorige eeuw was het voortijdige vertrek van een minister geen uitzonderlijke gebeurtenis. Van het derde ministerie- Heemskerk bij voorbeeld zaten er op het eind van de rit nog maar drie van de zeven oorspronkelijke ministers. Om het nog een graadje erger te maken: binnen anderhalf jaar tijd verloor dit kabinet maar liefst drie ministers van oorlog.

Tegenwoordig is het daarentegen een zeldzaamheid als de Kamer een individuele bewindsman de laan uit stuurt. Sterker nog, sedert 1961 is dit niet meer voorgekomen. Over de reden daarvan is al veel gezegd en geschreven. Feit is dat de Kamer niet meer het lef lijkt te hebben het vertrouwen in een individuele minister op te zeggen. Dreigt zo'n situatie zich voor te doen, dan gaat de partij van de minister om hem heen staan en dreigt de binnenbrand (ministercrisis) uit te groeien tot een uitslaande brand, een kabinetscrisis.

Gezondheidsredenen
Van ministers die politiek zwak zijn naar hen die het lichamelijk niet kunnen bolwerken, is maar een kleine stap. Om gezondheidsredenen zijn sinds 1848 zestien bewindslieden opgestapt.

Even leek het erop dat de huidige minister Van Dijk van binnenlandse zaken de rij verder zou aanvullen, maar hij is weer op de been. Het lijstje departementen overziend, is er geen reden voor de veronderstelling dat er typisch 'ongezonde' departementen zijn.

Een van degenen die vanwege een zwak gestel de politieke arena verlieten was minister van koloniën Idenburg (1919). Na maandenlang in tweestrijd te hebben gestaan tussen enerzijds „physieke malaise" en anderzijds een zwaar drukkend plichtsbesef, en nadat ten langen leste drie doktoren hadden geadviseerd het ministersambt neer te leggen, viel uiteindelijk de beslissing. Uit een herstellingsoord in het Zwitserse Bazel schrijft Idenburg aan zijn vrouw: „Met mij gaat het hetzelfde. Vaak schaam ik mij voor mijn Fahnenflucht, En toch, aan den anderen kant: ik geloof werkelijk dat ik het niet meer goed kan. En als het niet meer goed gaat dan breek ik heelemaal te zamen. God zal ons leiden door Zijn raad".

Overigens zijn 'gezondheidsredenen' in het verleden wel eens een dekmantel geweest om politieke tekortkomingen toe te dekken. Dat was het geval met minister Van Erp Taalman Kip in 1885.

In de Kamer zette hij zijn beleid weinig inspirerend uiteen: „...al mag men niet stilstaan, men moet naar zijn gevoelens bedachtzaam voortgaan: niemand kan weten wat de dag van morgen baren zal; hetgeen heden schijnt het ware te wezen, kan morgen blijken een dwaling te zijn..."

Niet bepaald een toonbeeld van een voortvarend beleid. 'Gezondheidsredenen' kwamen daarom goed van pas om de minister snel op een zijspoor te rangeren.

Particuliere aangelegenheid
Ten slotte een restgroep bewindslieden die om zuiver particuliere redenen uit de regering traden. Het zijn er drie: Marchant (1935), Sidney van den Bergh (1959) en Smallenbroek (1966). Minister Marchant van onderwijs was niet meer te handhaven toen bekend werd dat hij was overgegaan tot het rooms-katholieke geloof. Van deze als vrijzinnig bekend staande minister was al opgevallen dat hij het openbaar onderwijs niet zo gunstig gezind was als op grond van zijn politieke richting verwacht had mogen worden.

Toen dan ook de geloofsovergang van Marchant bekend werd, gevolgd door uittreding uit de Vrijzinnig-Democratische Bond, verklaarde dit veel. Het beleid van de minister werd dadelijk in verband gebracht met zijn persoonlijke keuze en daarmee was de positie van Marchant onhoudbaar geworden.

Merkwaardig was ook de val van Sidney van den Bergh als minister van defensie. Franse kranten kwamen met het nieuws dat deze VVD'er omgang had met een Amerikaanse dame, die verwikkeld was in een echtscheidingsprocedure.

Van den Bergh zelf zag hierin geen enkel beletsel het ministerambt te blijven uitoefenen, maar zijn partijvoorzitter prof. Oud dacht daar anders over. Hij vond het ontoelaatbaar dat een minister op een dergelijke wijze in opspraak raakte.

Uit dien hoofde adviseerde Oud Van den Bergh de eer aan zichzelf te houden en niet te wachten „totdat gij onder de hoogst onaangename omstandigheden tot heengaan zult worden gedwongen". Intern beraad leidde ten slotte tot het volgende communiqué van de Rijksvoorlichtingsdienst: „Minister Van den Bergh heeft in de morgenuren ontslag aan de Koningin gevraagd om over een particuliere aangelegenheid volkomen vrijheid van beweging te kunnen hebben".

Aanrijding...
Blijft over de alcohol. Besprekingen met aansluitend een diner in het gerenommeerde etablissement "Des Indes" pakten voor minister Smallenbroek van binnenlandse zaken wel heel slecht uit. Bij het indraaien van de Haagse laan waarin hij woonde, botste de minister met zijn zwarte limousine tegen de geparkeerde auto van de buurman. Vanwege het late uur reed Smallenbroek na de aanrijding door, met de intentie de volgende morgen de eigenaar op de hoogte te stellen en hem de schade te vergoeden.

Doch diezelfde nacht was de aanrijding al politiewerk geworden. Een ooggetuige van het ongeval had zowel de omwonenden als de politie gewaarschuwd, zodat Jusitie zich nu met de affaire bezighield. Een en ander was voor de minister reden zijn ontslag in te dienen. Hij motiveerde zijn besluit zo: „Ongeacht de uitkomst van het justitieel onderzoek in verband met de door mij veroorzaakte aanrijding (...), ben ik op grond van zuiverheid in de verhoudingen van mening dat het aanzien van het ambt van minister en van de politiek in het algemeen ermee gediend is, dat ik mijn functie van ministervan binnenlandse zaken neerleg".

De normen zijn inmiddels gewijzigd. Met een glaasje op achter het stuur en vervolgens een aanrijding veroorzaken, is op zich niet meer voldoende reden om een punt achter de ministerscarrière te zetten. Ten bewijze daarvan kan een beroep worden gedaan op de hoofdrolspelers in het visfraudedebat: premier Lubbers en PvdA-woordvoerder Pronk. In de turbulente tijd dat zij nog dienden onder Den Uyl, veroorzaakten ze beiden een verkeersongeval. Lubbers reed een Haagse verkeerszuil omver en Pronk belandde in een Veluwse sloot.

Zonder kleerscheuren kwamen ze er van af. Na vergoeding van de schade en betaling van de boete, ging de politiek over tot de orde van de dag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Kamer stuurt haast nooit meer ministers weg

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1987

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken