Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor 20.000 jongeren is een eigen ‘thuis'niet zo vanzelfsprekend

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor 20.000 jongeren is een eigen ‘thuis'niet zo vanzelfsprekend

„Iedereen met een warm hart en een dak kan een pleegkind in huis nemen''

10 minuten leestijd

„Aan de overkant hebben ze al weer een ander kind in huis. Je snapt niet waar die mensen steeds weer aan beginnen. Ze hebben er niets dan moeilijkheden mee. Laatst stond er een vrouw in de straat te schreeuwen: „Denk maar niet dat het jouw kind is. Ik zal wel zorgen dat je haar gauw weer kwijtraakt!"

Voor 20.000 jongeren is een eigen 'thuis' geen vanzelfsprekendheid. De helft van deze jongeren wordt in een gezin opgevangen. Ze worden pleegkinderen genoemd. Ze wonen niet bij hun eigen ouders, omdat dat (tijdelijk) onmogelijk is. De pleegouders zorgen voor de opvoeding en verzorging. Dat kan drie maanden duren, maar ook jaren. Vaak worden de pleegouders daarin bijgestaan door een maatschappelijk werker. Afgelopen week was het de week voor pleegzorg, die vandaag met een pleegzorgfestijn op de Flevohof wordt besloten.
Nadat alles geregeld is met het pleeggezin komt de dag waarop het pleegkind arriveert. Een aanstaande pleegmoeder: „Natuurlijk ben je zenuwachtig. Er is dan al zo veel over gepraat, de zaken zijn zo lang overwogen. Je hebt met de maatschappelijk werker ook al zo veel doorgenomen, dat je weleens iets wilt doen".

Op visite
De komst van het kind of de jongere is voor veel pleegouders een vreemde gewaarwording: „Er loopt opeens een vreemde in je huis. Dag en nacht. Je hebt nog duizend vragen over dat kind, je weet nog verschrikkelijk weinig van hem, maar hij is er wel". Een pleegvader: „Het was alsof we bij elkaar op visite zaten. Het praten ging stroef, maar bepaald gedrag zat je toch niet lekker. Uit een soort voorzichtigheid zei je er niets van, tenminste als het verdraagbaar was binnen het gezin. We werden er wel erg moe van: dat aftasten van elkaar, onderzoeken wat je nu eigenlijk van elkaar vond".
Ook voor een pleegkind is het een hele verandering. Een jongere die voorheen in een tehuis was opgenomen: „In het pleeggezin was het toch anders". Je hoorde er wel en niet bij. Omdat ik niet aan een gezinsverband gewend was, keek ik mijn ogen uit. Het reilen en zeilen van zo'n gezin, de 'huisregels' waar je je aan houden moest, de verborgen afspraken, de dubbele bodem tussen woord en daad... Je voelde wel haarscherp hoe zo'n systeem in elkaar zat, je was er afhankelijk van; ze konden je immers wegsturen als ze je te lastig vonden: Ze bedoelden het altijd goed, te goed. Dat maakte het zo moeilijk om kwaad te worden; kwaad worden terwijl je blij was dat ze je in huis wilden nemen..."
Afgelopen jaren zijn deze kinderen in groten getale in tehuizen ondergebracht. Het pleeggezin kwam op de tweede plaats. In 1983 kwam nog maar 11 procent van de uit huis geplaatste kinderen in een pleeggezin terecht. In relatief korte tijd is dat drastisch veranderd. Het inschakelen van een pleeggezin komt steeds vaker voor dan het telefoneren naar een tehuis. Momenteel komt 50 procent van de uit huis geplaatste kinderen terecht ineen pleeggezin.

Groot tekort
Sommige jongeren hebben zowel in een tehuis gezeten als in een pleeggezin. Cees: „De overgang van het internaat naar het pleeggezin, naar pleegouders is heel wat. Je hebt zes jaar niets hoeven te doen, eigenlijk alleen maar standjes accepteren en doen wat ze zeggen. En dan word je ineens voor het feit gesteld dat je in een gezinsverband komt. Ja, dat ervaar je toch als een bedreiging. In het begin zéker. Het ging allemaal zo snel. Want die mensen willen je hebben. Je kon geen ja zeggen, je kon geen nee zeggen. Als ik nee had gezegd, zat ik nu nog in een internaat".
Elk jaar moeten de centrales voor pleegzorg zo'n 2500 adressen zien te vinden, waar een jongere voor korte of langere tijd kan worden opgevangen. Volgens de centrales voor pleegzorg is er (nog steeds) een groot tekort aan pleeg- en opvangadressen. G. Herbschleb, coördinator landelijke voorlichting van die centrales: „Er is nog steeds een tekort aan pleeggezinnen. De knelpunten zitten vooral bij de oudere kinderen van zo'n 12 en 13 jaar. Zij zijn moeilijk te plaatsen. Pubers zijn vaak lastiger dan jonge kinderen. Hun aanpassing in een pleeggezin is daardoor ook veel moeilijker".
Vandaag organiseren de centrales voor pleegzorg een pleegzorgfestijn op de Flevohof. Volgens Herbschleb kun je door middel van zulke dagen proberen meer mensen te motiveren voor het in huis nemen van een pleegkind. „Om dat tekort tegen te gaan, moeten we meer voor het voetlicht treden. Er is namelijk nog veel onduidelijkheid rond pleegzorg. Velen denken: dat kan ik niet, mijn huis is te klein, daar ben ik te dom voor, enzovoort. Maar dat hoeft helemaal niet. Iedereen die een warm hart en een dak heeft, kan pleegouder worden".

Selectie
Ook al heb je een warm hart en een dak; er wordt wel geselecteerd. „Wanneer een gezin zich aanmeldt als pleeggezin, komt er een maatschappelijk werker op bezoek. Er heeft een indringend gesprek plaats om de motieven boven water te halen. Soms kom je motieven tegen die puur eigenbelang zijn, in de trant van: „Mijn vrouw zit de hele dag thuis alleen. Het lijkt ons wel leuk om een kind op te nemen". Anderen hebben helemaal geen motieven. Tijdens zo'n gesprek blijkt al gauw of een gezin er geschikt voor is. Het gebeurt ook dat men na het eerste gesprek afhaakt omdat men zich bepaalde zaken niet voldoende gerealiseerd heeft".
Volgens Herbschleb wordt er bij de neutrale centrales voor pleegzorg rekening gehouden met de levensbeschouwing van het gezin waaruit een kind komt en van het gezin waarin het geplaatst wordt: „Er wordt eerst een profiel van het pleeggezin gemaakt. Is men daar gewoon om op zondag naar de kerk te gaan, dan wordt dat in het rapport vermeld. Ook van het kind wordt een profiel gemaakt. Deze twee proberen we dan zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Of dat altijd lukt is een andere vraag. Maar we hebben er geen belang bij om een kind met een christelijke achtergrond in een atheïstisch milieu te plaatsen. Bovendien blijven de echte ouders aan de zijlijn staan. Zij blijven contact houden met hun kind. Dus het afstemmen ten aanzien van de levensbeschouwing is van groot belang".

Praktijk
In de praktijk blijkt dat niet iedereen gebruik maakt van de pleeggezinnen van de centrales. Een voorbeeld is de protestants-christelijke Stichting voor maatschappelijk werk en gezinsverzorging in Hallum. Deze werft een eigen bestand van pleeggezinnen. Van der Veen, maatschappelijk werker voor de jeugdhulpverlening, maakt bij het zoeken naar een pleeggezin bijna of nooit gebruik van de pleeggezinnen van de centrales.
„Vanaf 1979 hebben we een eigen bestand opgebouwd van pleeggezinnen. Kinderen in een jeugdhulpverleningscentrum. Via de centrales voor pleegzorg konden we heel moeilijk christelijke gezinnen krijgen. Als ze er wel waren, dan zaten ze heel ver weg van de plaats waar de jongere woonde. Dus het werd steeds moeilijker om passende gezinnen te vinden. Nu kun je jongeren wel naar het JAC verwijzen, maar daar richten ze zich alleen maar op de jongere. De ouders laten ze als het ware maar zwemmen. Wij vinden dat we het hele gezin moeten helpen, zowel de ouders als de jongere. Via een oproep in kerkbladen zijn we aan een aantal (veertien) pleeggezinnen gekomen vanuit de kerkelijke achterban die de stichting voor een groot deel financieel steunt".

Opname
Hoe verloopt de opname in een pleeggezin nu concreet? Van der Veen: „Ik ben bij onze stichting speciaal belast met de jeugdhulpverlening, en daardoor ook met pleeggezinnen. De andere maatschappelijk werkers worden tijdens hun werk regelmatig geconfronteerd met onhoudbare situaties in de gezinnen. Mijn collega's opperen in zo'n gezin het idee van uithuisplaatsing met het oog op het bereiken van een stukje rust. Als ze daar wat voor voelen, ga ik naar zo'n gezin toe. Gaan ze akkoord met uithuisplaatsing, dan neem ik de hulpverlening van mijn collega over. Ik ga op zoek naar een pleeggezin. Tot mijn taak behoort het begeleiden van de jongere, het pleeggezin en het gezin waaruit de jongere komt. Daarbij hanteer ik als uitgangspunt dat de jongere na verloop van tijd weer terug moet naar z'n eigen gezin".
De Stichting heeft voldoende pleeggezinnen voorhanden. „We hebben het nog niet meegemaakt dat we een beroep moesten doen op de centrales voor pleegzorg. Altijd hebben we zelf kuinnen voorzien in plaatsing. Dus de centrales werken als het ware aanvullend op ons bestand".

Idealisme
OVer de drijfveren van christelijke ouders bij het opnemen van een jongere zegt Van der Veen: „Vaak is het een stukje idealisme. Ze hebben ruimte in hun gezin, ze willen vanuit hun levensovertuiging het goede delen met anderen die in de problemen zitten. Soms kom je mooie dingen tegen. Een echtpaar had een eigen kind verloren. We hebben daar toen open over kunnen praten. De ouders wilden een pleegkind. Op mijn vraag of ze dat als vervanging wilden van hun eigen kind antwoordden ze: „Nee, we hebben dat verlies goed kunnen verwerken. We zien het beslist niet als vervanging. Maar we zien onze taak en opdracht naar de jongeren toe om die in die zin te vullen. Er is een stukje ruimte in ons gezin gekomen dat we jongeren willen aanbieden".

Redenen voor uithuisplaatsing zijn volgens Van der Veen erg verschillend: „Wanneer een jongere met een hulpvraag komt, zijn er vaak problemen thuis met de relatie tussen de ouders of problemen met één van de ouders die bijvoorbeeld verslaafd is aan de drank enzovoort. Wanneer een ouder zich aanmeldt zijn er vaak problemen met het kind. Het vertoont bijvoorbeeld moeilijk gedrag. Daarbij richten we ons niet alleen op het kind, maar ook op de ouders. Het gezin is immers een systeem. Het één beïnvloedt het ander. Zo kan bijvoorbeeld de relatie tussen ouders weer van invloed zijn op het gedrag van het kind".

Weer terug
Nadat het kind een tijd in een pleeggezin is opgevangen, gaat het weer terug naar het eigen gezin. Ook dat kan weer problemen geven. Een moeder: „Toen J. naar de vierde klas ging, kwam hij weer voorgoed bij mij wonen. Ik was wel heel erg zenuwachtig. Nú moest ik het goed doen. Ik mocht geen fouten maken. J. ging af en toe spelen bij zijn pleegbroertje. In mijn hart vond ik dat niet leuk. Ik dacht dat hij op die manier niet meer in mijn huis zou wennen. Dat leek eerst ook zo. Want J. vergeleek al mijn handelingen met die van de pleegmoeder. Ik werd er kwaad om, maar ergens begreep ik het ook wel. Ik heb toen met de pleegmoeder afgesproken dat haar kinderen ook bij mij zouden komen spelen".
Herbschleb vreest dat er in de toekomst een grotere vraag komt naar pleeggezinnen: „Opvang in een pleeggezin is veel goedkoper. Een kind in een tehuis kost al gauw zo'n 60.000 gulden per jaar. Opvang van een kind in een pleeggezin kost jaarlijks zo'n 12.000 gulden. In de toekomst komen de tehuizen steeds meer onder druk te staan, met name door de bezuinigingen. Ook nemen de problemen in deze tijd toe. Meer mensen raken overspannen, verslaafd aan drugs en alcohol enzovoort. Het aantal hulpvragen zal daarom in de toekomst alleen maar toenemen".

Advies
Met het oog op het al te gemakkelijk denken over pleegouderschap een advies van een orthopedagoog, drs. P. Smeets uit Nijmegen: „Pleegouderschap is moeilijk. Mensen die pleegouder willen worden, moeten zich goed realiseren waar ze aan beginnen, over uithoudingsvermogen beschikken, teleurstellingen kunnen verdragen en liefst zo min mogelijk verwachten. Pleegkinderen hebben al een hele geschiedenis achter de rug en vaak was dat een nare geschiedenis. Pleegouders moeten deze geschiednis, en de mensen die daarin belangrijk zijn, respecteren. Het kind moet op zijn eigen manier zijn afkomst in ere kunnen houden. Dan kan er tussen kind en pleegouders een relatie ontstaan, waarin dat kind zich verder kan ontplooien".
Dit advies en de citaten in dit verhaal van pleegouders komen uit het boekje "Zorgen in pleeggezinnen" door L. Griever (uitgeverij Ad. Donker b.v., Rotterdam), dat verscheen ter gelegenheid van de week voor pleegzorg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Voor 20.000 jongeren is een eigen ‘thuis'niet zo vanzelfsprekend

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken