Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Noordbrabants Genootschap brengt 150 jaar tot klinken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Noordbrabants Genootschap brengt 150 jaar tot klinken

Brabantse orgeldag met avantgardistisch 'geblieb-blub'

5 minuten leestijd

Met de oprichting van een Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in 1837, stond de oprichters een breed georiënteerde culturele organisatie voor ogen. Honderdvijftig jaar later kunnen we vaststellen dat het Genootschap dat ideaal heeft waargemaakt. Daarbij is in niet onbelangrijke mate aandacht besteed aan de Brabantse orgelcultuur. Zo werd zaterdag 10 oktober in 's-Hertogenbosch een Brabantse Orgeldag gehouden, waarop tot nu toe onbekende aspecten van orgelbouw, orgelcompositie en orgelspel in Noord-Brabant vanaf ongeveer 1837 tot heden, zowel in muziek als in gesproken woord, onder de aandacht van het publiek werden gebracht.

De aandacht voor de eerste honderd muziek-geschiedkundige jaren in het bestaan van het Genootschap was samengebald in een ochtendprogramma dat werd uitgevoerd in de Nederlands hervormde kerk in Den Bosch, waar een zeer fraai Bätz-orgel uit 1831 staat, 's Middags was de St. Janskathedraal vervuld met "Brabants" muzikaal gedruis uit de laatste vijftig jaren.
Tussen de hervormde muren schetste Frans Jespers de periode van de romantiek aan de hand van het thema "De orgelkunst in Noord-Brabant tussen 1840 en 1940". Al in de eerste twintig jaren van deze periode zouden orgelmakers als Smits, Vollebregt en Van Hirtum tot een ongekend hoog niveau van orgelbouw komen, om daarna volledig in te zakken en nooit meer tot de hoogte van voor die tijd te geraken. Jespers constateerde in de periode 1880 tot 1919 een keerpunt in de Brabantse  orgelkunst. Niet zozeer in de orgelbouw, maar meer op het gebied van het kerkelijk orgelspel. Dat resultaat werd gebundeld in Orgelalbums van de Bossche uitgever Mosmans. In de eerste decennia van de twintigste eeuw merkte Jespers een groeiende belangstelling op voor het orgelspel.

Kermis
Het aardige in het verhaal van Jespers was de aandacht voor het verbod (in 1845) om nog langer orkestinstrumenten te gebruiken in de Brabantse (roomskatholieke) kerken. Dat zou mede oorzaak zijn van de nadien gevolgde grote bloei in de orgelbouw. Orgelconcerten waren in de katholieke kerken uit den boze; slechts in de grote protestantse kerken bestond die traditie op bescheiden wijze.
De musicoloog René Bouwman haakte hierop in met een lezing over de Brabantse componist N. A. Janssen (1808-1898). Janssen verzette zich tegen -wat hij noemde— de kermis op het orgel. „Men gaat ter kerke als ging men naar een concert of naar een matinee musicale" zo schreef hij. Geroemd werd Janssen om zijn deskundigheid op het terrein van de orgelbouw. Als voorvechter van de oude kerkmuziek was hij echter omstreden en zijn composities (allerminst in oude kerkmuzikale stijl) waren minder bekend dan hij wel wenste.

Door toedoen van Janssen werd in 1839 Pieter-Jan van Paesschen organist van de St. Jan in Den Bosch. Over deze figuur (1809-1887) hield Robert Bogaerts een causerie. Hij publiceert deze maand een biografie over Van Paesschen en de bijdrage die deze leverde aan de muziekgeschiedenis van Den Bosch. We komen daar in een ander artikel op terug.

Reconstructie
Een keur van orgelmuziek die door Brabanders is geschreven in de periode 1840-1940 en die ten gehore werden gebracht door Ad van Sleuwen was in menig opzicht niet veel meer dan curieus. De kern van het muzikale programma bestond uit een reconstructie door Jan Jongepier van het inspelingsconcert uit 1831 van het Bätzorgel in de Nederlands Hervormde Kerk. Dat bestond uit improvisaties de vorm van een fantasie, een fluitconcert, een "orgelmatige voorstelling eener bataille" (compleet met krijgs- muziek, kanon- en muskettenvuur, trompet-geschal), een pittoresk orgelstuk (met hanegekraai, vogelgezang, onweder, en "herstelde kalmte in natuur"), variaties (imiterende onderscheiden muziek-instrumenten met als thema Wien Neêrlands bloed) en een finale-fuga met als thema Wilhelmus van Nassouwe.
's Middags leidde de musicus Klaas Hoek Brabantse orgelmuziek in met een lezing over "Orgelbouw, orgelcomposities en orgelspel na circa 1949 in Noord-Brabant". Er werd muziek gespeeld van deze "nieuwe" tijd én van het soort dat wel wordt aangeduid als avant-garde orgelmuziek. Hoek zelf had daarvoor een mooie onderscheidingterminologie. De eerste klonk naar zijn zeggen als een "valse" Bach, Reger, Franck enzovoort (zonder hier een kwalificatie-oordeel aan te verbinden). In elk geval ging de componist nog uit van de klassieke compositieregels. De tweede soort ging uit van een geheel nieuwe 'ontdekking' van het orgel, resulterend in "andere" klanken.

Aardig van hem om deze nieuwe werelden ook in te kleuren met de "richtingenstrijd", waarvan er op orgelgebied nogal wat zijn. Minder aardig van hem vond ik de wijze waarop hij (steeds weer) zijn ongenoegen uit over de relatief geringe belangstelling van het orgelminnend publiek (en bij de organisten) voor de "nieuwe" muziek. Het lijkt erop dat Klaas Hoek zich nogal afzet tegen het feit dat orgelmuziek voor een groot deel bepaald wordt door het liturgische gebeuren in de kerk. Belangstelling voor oude muziek heet dan voor een groot deel samen te gaan met afschuw voor nieuwe muziek.

Socialisering
In die voege klonk wel waardering voor de historisch gerichte publikaties van de Genootschap, maar meer nog teleurstelling over het gemis aan belangstelling voor nieuwe muziek. Dat zou ook in de programmering van concerten en het ruimte scheppen voor concerten met nieuwe muziek tot uitdrukking komen, volgens Hoek.

Het klonk enigszins verbitterd als een „dogmatische volharding" en „een verabsolutering van het gelijk". Binnen de liturgie zou er een vorm van socialisering van de muziek bestaan; een onbewuste normering van oude muziek. En omdat muziek cultureel bepaald is, zou het moeilijk zijn om het idee aan te hangen dat muziek een goddelijke ordening is. Het moge duidelijk zijn dat Klaas Hoek hierin een voor ons vreemde weg gaat. In elk geval had ik zo weinig affiniteit met de nauwelijks orgelmatige nieuwe klanken dat ik het geblieb-blub maar ben ontvlucht. Inmiddels was het horend publiek al gereduceerd tot de spreekwoordelijke anderhalve man en een paardekop. Avant-garde orgelmuziek... zonder horend publiek. Maar daar kon het jubilerend Historische Genootschap niets aan doen. Tenslotte is het niet voor niets een "historisch"Genootschap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Noordbrabants Genootschap brengt 150 jaar tot klinken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1987

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken