Bekijk het origineel

Kamerheer en kamerlid Mackay tussen Hof en Binnenhof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kamerheer en kamerlid Mackay tussen Hof en Binnenhof

Onthullend dagboek van overtuigd antirevolutionair brengt negentiende eeuw dichtbij

13 minuten leestijd

Hielden maar meer mensen een dagboek bij. Zichzelf en het nageslacht zouden ze daarmee ongedachte diensten kunnen bewijzen. Niet zelden blijken dagboeken verbindingsschakels te zijn tussen verschillende generaties. Het standaardvoorbeeld is natuurlijk het dagboek van Anne Frank. Gebeurtenissen uit het verleden komen dichterbij; wat vergeeld was, krijgt kleur; het dorre en doodse wordt levendig. Geschiedenis wordt sprekender door het oog van de tijdgenoten.

Iedere keer wanneer dagboekaantekeningen van in ons staatkundige leven vooraanstaande personen aan de openbaarheid worden prijsgegeven levert dat opmerkelijk, soms opzienbarend nieuws op. Vrij recent verschenen bij voorbeeld de dagboeken van de ex-leider van D66 Jan Terlouw en de oud-voorman van de PvdA Ed van Thijn. De eerste, tevens vermaardheid genietend als schrijver van kinderboeken, beschrijft in zijn "Naar 17 zetels en terug" een korte maar stormachtige periode in zijn politieke loopbaan; de laatste doet in het "Dagboek van een onderhandelaar" rechtstreeks ooggetuigeverslag van de meest spectaculaire kabinetsformatie van na de ooriog (1977). Te denken valt aan het zeer onthullende "dagboek van een politieke teckel", KVP-bons Norbert Schmelzer ("Het verschijnsel Schmelzer").

"Uit geheime dagboeken"
Minder bekend is het dagboek van minister van oorlog A. W. P. Weitzel, in 1968 uitgegeven en bewerkt door Paul van 't Veer onder de titel "Maar Majesteit". Wat in dit boek sterk de aandacht trekt, namelijk de op z'n minst merkwaardige rol van koning Willem III in de landspolitiek van de tweede helft van de negentiende eeuw, valt eveneens op in een recent verschenen boek dat net als "Maar Majesteit" gebaseerd is op dagboekaantekeningen. Deze notities zijn afkomstig van mr. Aenaeas baron Mackay van Ophemert. "Uit geheime dagboeken" is de aanlokkelijke titel, "Aeneas Mackay, Dienaar des Konings; 1806-1876". Bewerker is dr. J. P. Duyverman, oud-leraar staatsrecht, die gedurende ruim twintig jaar hardnekkig speurde in de tientallen stoffige, in het Frans geschreven dagboeken van Mackay. Duyverman heeft dus recht van schrijven.
Aeneas Mackay, de naam vraagt om opheldering. Zij die geen vreemdeling zijn in de parlementaire geschiedenis van de vorige eeuw herkennen de naam (afkomstig uit het Schots; oorspronkelijk Mac Iye) als die van de naamgever van het eerste christelijke kabinet van ons land (1888-1891). De dagboekhouder en de eerste minister zijn echter niet dezelfden, al zijn ze wel familie van elkaar. In termen van bloedverwantschap is de eerste de oom van de laatste en qua politieke gezindheid behoren beiden tot de antirevolutionaire tak.

Loopbaan
Aeneas baron Mackay van Ophemert leefde en werkte midden in het Haagse politieke leven van de negentiende eeuw. Hij studeerde rechten in Utrecht, vervulde vervolgens korte tijd militaire functies en ging daarna in de advocatuur. In 1840 trad hij in dienst als kamerheer bij Koning Willem II en diens vrouw Anna Paulowna. Mackays politieke belangstelling rijpte tijdens zijn studententijd. Die belangstelling werd al spoedig omgezet in activiteiten op verschillende niveaus: lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, Gedeputeerde in dezelfde provincie en lid van de Tweede Kamer, korte tijd zelfs als enige antirevolutionair te midden van vooruitstrevende liberalen en behoudende conservatieven. De loopbaan van Mackay eindigde ten slotte in de Raad van State (het hoogste adviescollege in Nederland), waarvan hij in 1862 vice-president werd, een functie die men ook wel pleegt aan te duiden met de veelzeggende naam "onderkoning".
Gelet op 's mans werkterrein laat het zich raden dat we Mackay dikwijls tegenkomen in kringen van het hof en van het Binnenhof. Daarbij moet bedacht worden dat juist in die jaren het hof, dat wil zeggen het staatshoofd, zich persoonlijk sterk inliet met het Binnenhof, de staatkunde. Koning Willem III, in 1848 op de troon gekomen, had moeite te wennen aan nieuwe verhoudingen. Hij was bepaaldelijk nog niet rijp voor de staatkundige vernieuwingen in 1848 aan zijn vader opgedrongen. Tussen de vorst enerzijds en zijn ministers en een meerderheid van de volksvertegenwoordiging anderzijds, kwam het voortdurend tot ernstige conflicten over de reikwijdte van hun wederzijdse bevoegdheden. De groei naar het parlementaire stelsel ging gepaard met talloze spanningen en strubbelingen.
In dit spanningsveld manoeuvreerde Mackay. Zijn dagboeken tekenen meer en minder minutieus de (hoofd)personen die zich achter de soms turbulente gebeurtenissen verschuilen. Ze duiden ook die gebeurtenissen zelf. Aldus komen we de namen tegen van mannen van naam uit onze vaderlandse geschiedenis. En uit de politieke keuze van Mackay laat zich afleiden dat hij ook in aanraking kwam met de vertegenwoordigers van het kerkelijk leven van die tijd. Mackay was een vooraanstaand vertegenwoordiger van het Reveil.

Paraplu-incident
Duyverman begint zijn selectie uit de dagboeken met het door de meeste boekrecensenten nu gepopulariseerde paraplu-incident. Het gebeurde allemaal op een sombere najaarsdag in 1845. Tijdens de plechtige onthulling van het standbeeld van Willem van Oranje in Den Haag, pakken zich donkere wolken samen boven de Hofstad. Ieder moment kan het gaan regenen en angstvallig kijken de verzamelde genodigden die de plechtigheid bijwonen naar de lucht. Sommigen hebben hun regenschermen reeds opgestoken. Ook de koningin ziet de bui hangen. Zoekend kijkt ze in het rond naar de kamerheer die uit hoofde van zijn functie verplicht is om de paraplu boven haar hoofd te houden. Maar waar ze ook kijkt, Mackay is nergens te bekennen. Als de eerste druppels vallen moet bij gebrek aan beter een vlakbij staande lakei dit karweitje opknappen.
Op datzelfde moment bevindt kamerheer Mackay zich in een van de koninklijke paleizen. Hij is druk bezig met de tafelbeschikking voor het Corps Diplomatique. Van het onheil dat boven zijn hoofd hangt, vermoedt hij nog niets. Totdat koning (Willem II) binnenkomt. Deze neemt Mackay direct apart en zegt: „De koningin is boos op je omdat je de parapluie niet hebt vastgehouden". Verbouwereerd kijkt de kamerheer de koning aan. Hij moest toch de voorbereidingen treffen voor het diner? De koning: „Dat weet ik wel, maar nu weet je waar de wind vandaan komt, en je hebt er al meer gehad". Nu daar weet Mackay inderdaad alles van; de laatste tijd is het meermalen tot botsingen gekomen tussen hem en de koningin. Hij antwoordt dan ook: „Ja Sire, er is reeds zeer veel op mij neergekomen".

Eerst karakter
De koningin, die enige tijd later binnenstapt, is woedend. Ze uit haar woede door haar kamerheer volkomen te negeren, een onmogelijke situatie waarin ze ook de volgende dagen persisteert. Na verloop van tijd komt de opgekropte woede er echter uit. In een persoonlijk onderhoud krijgt de kamerheer, die het toch al niet gemakkelijk heeft, de wind van voren. „U hebt mij beledigd", is het verwijt. „Het ontbreekt u aan egards voor uw koningin, de vrouw van uw soeverein. U bent nalatig gweest tegenover de koningin, tegenover een gewijd persoon, tegenover de koning, tegenover de staat. Dat weerklinkt in Den Haag. Men zal erover spreken in Wenen, in Londen, in Petersburg, in Berlijn!"
Dit incident is voor kamerheer Mackay de druppel die de emmer doet overlopen. Na moeilijke weken van wikken en wegen valt uiteindelijk het besluit ontslag te nemen. Zo gaat het niet langer. Ook al wil de koning hem nog tegenhouden, en doet zelfs de koningin nog een poging hem voor het hof te behouden, overigens zonder iets van haar verwijten terug te nemen, voor Mackay staat vast dat, wil hij zijn geloofwaardigheid niet verliezen, hij nu moet gaan. Hij is een man van karakter. Heeft hij zijn zoon niet altijd voorgehouden: eerst karakter, dan carrière. Welnu, dan biedt zich nu de gelegenheid meer dan ooit te bewijzen dat dit levensdevies hem ernst is.
Toch is het afscheid van het hof niet absoluut. De band met Oranje blijft, ook tijdens de latere fases van zijn leven. Uiterlijk en innerlijk is Mackay trouw aan het Huis van Oranje, ook als Oranjevorst zijn eer door allerlei escapades te grabbel gooit. Het doet Mackay verzuchten. „O, als een enkele straal van het hemelse licht een keer kon neerdalen in dit hart". En als de Prins van Oranje de zondag ontheiligt door juist onder kerktijd op reis te gaan: „Oh, mijn arme vaderland zal zeer worden gestraft in zijn vorsten en om zijn vorsten! Huis van Oranje, vergeet Uw roeping niet. Men kan een zegening oplopen, maar ook een vervloeking".

Gebeden
Als kamerlid en vice-president van de Raad van State verschijnt Mackay vaak op het paleis, soms geroepen, soms eigener beweging. Zijn adviezen worden gewaardeerd en, wat meer is, opgevolgd. Vaak mag hij het genoegen smaken, al dan niet ambtshalve, aan te zitten aan vorstelijke diners. Hij behoort tot de invloedrijksten van het land. Karakter, functie en achtergrond maakten hem tot iemand die bij uitstek geschikt is een bemiddelende rol te vervullen.
In het persoonlijke zowel als het maatschappelijke leven wil Mackay zich laten leiden door Gods Woord. Dat dat gepaard gaat met gedurig vragen en blijvend bidden leert ons de hierboven vermelde geschiedenis over Mackays ontslag als kamerheer. Hij weet niet wat te doen, vraagt om raad bij familie (vrouw, vader) en (politieke) vrienden. Toch blijft de weg duister. Pas als blijkt dat de koningin hem volledig negeert, valt de definitieve beslissing. Hij noteert in zijn dagboek: „Ik bad den Heer mij eene indicatie te geven of ik weg moest gaan en duidelijker indicatie konde ik niet ontvangen. Nu gaan mijne (ontslag) brieven in zee en nu ga ik henen gebeure wat wille". Die avond, als Mackay de Bijbel leest, valt deze open bij 1 Petrus 2:1: „Zoo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen".
Nadat de brieven zijn gepost, wordt Mackay terstond op het paleis ontboden. De reden van dit verzoek laat zich raden. Mackay weet, het word nu menens. Alvorens op pad te gaan gaat ook de Bijbel open: Psalm 72: „O God! geef den Koning uwe rechten, en uwe gerechtigheid den zoon des Konings. Zoo zal hij uw volk richten met gerechtigheid, en uwe ellendigen met recht". Door het gebed gesterkt gaat het dan naar het paleis.
Mackay is een zachtmoedig mens, iemand die verzoening zoekt. Maar al is hij dan intermediair, al is hij ook uit hoofde van zijn functie als vicepresident van de Raad van State geroepen boven partijen te staan, dit betekent geenszins een verloochening van de eigen beginselen. Overtuigd antirevolutionair, aanhanger van Groen van Prinsterer en diens staatkundige denkbeelden, legt hij waar dat pas geeft getuigenis af van wat hem ten dienste beweegt. De verbondenheid met de grondlegger van de christelijk-historische, antirevolutionaire politiek in ons land is zo sterk dat iemand hem ooit de "schaduw van Groen" noemde.

Actuele discussie
De beginjaren van de antirevolutionaire richting in ons land, door Mackay meegeleefd en meebeleefd, zijn zwaar. Groen en de zijnen hebben te worstelen met tegenstrevers uit verschillende hoek, van radicaal-liberaal tot uiterst conservatief. Zelfs van ongedachte zijde wordt Groen miskend. Interessant is in dit verband te zien hoe Groen op het paleis wordt bekeken. In een gesprek over de actuele politieke situatie in 1858 tussen Mackay en de koning ontwikkelt zich een discussie die niets aan actualiteit heeft verloren. Tevens valt eruit af te leiden dat Groen ook ten hove werd misverstaan. Gevraagd naar zijn mening over het ministerie antwoordt Mackay: ik zie zeer gaarne dat het Ministerie wenken heeft of geeft. De Kamer en het volk moeten niet regeren maar invloed op de Regering uitoefenen. Daartoe moet er eene Regering zijn, die en fikschen grondslag heeft en eene rigting aangeeft. In dien zin is het Je maintiendrai..."
Willem vervolgt: „De Prinsen van Oranje waren altijd voorstanders van verdraagzaamheid. Mijnheer Groen heeft het Huis van Oranje beschreven naar zijne inzigten maar niet zooals het was en nog is. Hij wil een heerschende kerk en dat is verkeerd". Mackay: „Maar Sire, zoo ver gaat de Heer Groen niet. Hij wil dat men de kerk niet mag wegredeneren zooals de Heer Thorbecke, die haar op eene lijn plaatst met een koffyhuis. Wij meenen dat men op de kerk moet letten in verband met haar regt, haar verpligting, hare geschiedkundige verhouding in dit land".

Vertrek van Groen
Een kort, maar belangwekkend hoofdstuk betreft het dramatische vertrek van Groen uit de Tweede Kamer in 1857, gepresenteerd onder de titel "Hoe Groen ging". Directe aanleiding is de door het kabinet-Van der Brugghen ingediende wet op het lagere onderwijs. We bevinden ons in het tijdperk van de schoolstrijd. Op Van der Brugghen, tot op dat moment gerekend tot de antirevolutionairen, hadden Groen en de zijnen hun hoop gevestigd. Hij was toch hun medestander in de strijd?
Mackay, die als kamerlid de openlijke en pijnlijke breuk tussen Van der Brugghen en Groen van nabij meemaakt, schetst de kern van het conflict aldus: „De heer van der Brugghen is tot minister benoemd om te voldoen aan de wensen van de petitionarissen tegen de godsdienstloze wet van de heer Van Reenen. Wat doet de minister? In de sluitingsrede belooft hij de school van 1806 (...) die heeft bewezen dat het christelijk element ten slotte uit de school gebannen wordt. De heer Groen moest zich verzetten tegen een dergelijk stelsel en kon zijn vastberadenheid niet offeren aan zijn vriendschap. Hij heeft niet het kabinet als zodanig aangevallen, maar het kabinet als vertegenwoordiger van die beginselen van het lager onderwijs die hij altijd had bestreden en de heer Van der Brugghen zo lang met hem".
In de Kamer houdt Groen een bewogen betoog. „Nooit had hij zo gesproken", schrijft Mackay. „De geheele kamer was onder den indruk van dat discours. De Heer had hem bijzonder ondersteund". Het zal blijken Groens zwanezang te zijn. De breuk die openlijk blijkt, doet Thorbecke opmerken: „Groen bevindt zich als strijder in een verlaten toestand".
's Middags om vier uur komen de antirevolutionaire leden samen om te beraadslagen over wat hun te doen staat. Het is een emotionele bijeenkomst. „Groen is tot tranen toe bewogen en begreep er niets van. Wie zou hebben geloofd dat onze Van der Brugghen een dergelijke rol zou spelen?" schrijft Mackay. Besloten wordt dat Groen de Kamer zal verlaten. Nu was het ogenblik aangebroken waarvan Mackay al eerder had gezegd: Er zou ooit een ogenblik kunnen aanbreken „waarop wij van mening zouden zijn voldoende te hebben getuigd en ons uit de strijd zouden terug trekken!!"

Inspanning
Hoe moet het slotoordeel luiden over Duyvermans bewerking van de dagboeken van Mackay? Is het, zoals de achterflap wil doen geloven, „een boek dat onontbeerlijk is voor een goed inzicht in de wording van onze parlementaire democratie"? Dat is te veel van het goede. Ook zonder Mackays dagboeken gelezen te hebben is de wording van onze staatsinrichting wel te verstaan. Sterker nog: het is zaak wat meer af te weten van de tijd waarin het speelt en de omstandigheden van de negentiende eeuw alvorens aan dit boek te kunnnen beginnen. Het is zoals prof. dr. N. Cramer, hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Leiden, in de inleiding schrijft: Het boek geeft veel, maar vraagt ook veel. „Inspanning, kennis en begrip".

Te meer daar Duyverman in telegramstijl schrijft en af en toe, weliswaar verklaarbaar maar niettemin lastig, het pad der chronologie verlaat. Dat vergt tijdsprongen waarvan men zich bewust moet zijn wil men niet verdwalen.

N.a.v.: "Uit de geheime dagboeken van Aeneas Mackay. Dienaar des Konings 1806-1876", door J. P. Duyverman; uitg. Unieboek/De Haan, Houten; 292 blz.; prijs 49,90 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Kamerheer en kamerlid Mackay tussen Hof en Binnenhof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1987

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken