Bekijk het origineel

Nooit aarzelend, zwak of verslagen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nooit aarzelend, zwak of verslagen

11 minuten leestijd

„Men heeft wel eens gezegd: ons volk heeft koningin Wilhelmina nooit aarzelend of zwak of verslagen gezien. Ongetwijfeld was het geheim hiervan de wijze waarop zij Gods leiding aanvaardde in haar eigen leven en in het leven van haar volk. Op haar hoge post stond zij eenzaam, maar niet alleen". Aldus ministerpresident De Quay in een radiorede die hij uitsprak op 28 november 1962, enkele uren nadat prinses Wilhelmina in vrede was ontslapen.

De historicus J. G. Kikkert —die al diverse Oranjeboeken op zijn naam heeft staan— werd gevraagd een biografie te schrijven ter gelegenheid van het feit dat Wilhelmina een kwart eeuw geleden overleed. Hij zag zich daarbij geplaatst voor de moeilijkheid dat van veel wat destijds achter de Oranje-schermen gebeurde, geen schriftelijke bewijzen meer voorhanden zijn. Voor een deel had de hoofdfiguur van deze biografie daar zelf de hand in: in "Eenzaam maar niet alleen" trachtte ze haar eigen beeld in de geschiedenis te bepalen, waarbij ze veel zaken onbesproken liet. Ze wilde nadrukkelijk dat bepaalde feiten niet aan de openbaarheid werden prijsgegeven: aan het eind van haar leven heeft ze eigenhandig stapels dossiers in vlammen doen opgaan.
Kikkert zag zich dus geplaatst voor het probleem van een tekort aan documenten. Gelukkig echter waren nog tientallen mensen die Wilhelmina van dichtbij hadden meegemaakt, bereid hun herinneringen te vertellen. Jammer genoeg wilden velen van hen niet met naam en toenaam worden genoemd, maar desondanks zorgden ze voor een vorm van mondelinge overlevering die van grote waarde bleek.

Voorkennis
Enkele saillante details uit het boek hebben de pers enkele weken geleden al gehaald: Wilhelmina zou, in 1936, misbruik hebben gemaakt van voorkennis van een belangrijke devaluatie van de gulden. De mededeling over de vorstelijke financiële activiteiten kwam op het juiste moment: de politieke carrière van Harry van den Bergh was zojuist gestrand op zijn vermeende misbruik van voorwetenschap.
Kikkert onthult nog meer over de aardse rijkdommen van de voormalige vorstin: „Het bleef in Nederland grotendeels onbekend, dat de koningin de rijkste vrouw ter wereld was, al voor de Eerste Wereldoorlog in het bezit van minstens tweehonderd miljoen Britse ponden, bij wie alle Oranje-miljoenen uit het verleden in één persoon verzameld waren geraakt. Maar toen sinds 1890 de olieopbrengsten van de "Koninklijke" uit Nederlands-Indië begonnen binnen te stromen (...) rijkten Wilhelmina's rijkdommen tot het niveau van een Rothschild of een Rockefeller". In 1910 kon men in Nederlandse zakenkringen de verzuchting horen dat Wilhelmina bij elke onderneming van enige betekenis een vinger in de pap had.

Bij haar dood schatten deskundigen in de Virenigde Staten haar vermogen op een miljard dollar, vijf maal hoger dan dat van koningin Elizabeth II van Engeland. Volgens sommige andere deskundigen was deze schatting zelfs nog veel te laag.
Gezegd moet worden dat Wilhelmina's bijna spreekwoordelijke zuinigheid ongetwijfeld een bijdrage heeft geleverd aan haar kapitaal. Hoge gasten werden niet zelden ontvangen in een koude en donkere kamer (vanwege de dure olie en de hoge elektriciteitskosten).
Kikkert heeft gezorgd voor een waardige herdenkingsuitgave. Een verademing: nu eens géén aanvulling op de reeks rijk geïllustreerde boekwerken die gewoonlijk bij dergelijke gelegenheden verschijnen en zich kenmerken door een onwezenlijk aandoende Oranjeverering.

Bewondering
De schrijver schroomt niet ook de feiten te vermelden die in het nadeel zijn van Wilhelmina of van anderen rondom haar troon, maar maakt evenmin een geheim van zijn bewondering voor deze markante vrouw. Want bewonderenswaardig was ze, ondanks haar fouten en soms kleinburgerlijke gedragingen. Ze was op en top een vorstin, een moeder des vaderlands, kon van grote scherpzinnigheid, maar ook van verregaande hooghartigheid blijk geven, toonde soms warm medeleven met het leed van anderen, maar had de eigenaardige gewoonte mensen om het minste of geringste te laten vallen.

Vurige Oranje-fans die van prinsen en prinsessen, koningin en koninginnen geen kwaad willen weten, zullen bij het lezen van deze biografie ongetwijfeld wel eens moeten slikken. Aan sommige mythen wordt zelfs hardhandig een einde gemaakt.
In november 1918 deed de sociaaldemocraat Troelstra een soort oproep tot revolutie. Er was toen juist in die tijd hier en daar sprake van een wat je zou kunnen noemen anti-Wilhelminastemming: de jonge koningin zou zich volgens kenners iets te nadrukkelijk hebben bemoeid met de formatie van een nieuw kabinet. Zelf zag ze het allemaal op dat moment ook niet meer zitten. Ze was zelfs van zins haar troon op te geven en een goed heenkomen te zoeken in Engeland. „De revolutie was toch niet meer tegen te houden".
Een betoging op het Malieveld, één huldeblijk aan het koningshuis, deed haar van dit voornemen afzien. „Een van de mooiste herinneringen uit mijn leven", noemde ze deze dag.
De werkelijkheid was gans anders: de demonstratie was netjes in scène gezet. Afgezien van een handvol geestdriftige hbs'ers bestonden de betogers uit speciaal voor deze gelegenheid getrainde militairen. Ze hadden hun activiteiten onder deskundige leiding ingestudeerd in de Koninklijke Stallen.

Kooi
Koningin Wilhelmina's leven werd gekenmerkt door eenzaamheid. Dat begon al in haar prille kinderjaren. Het was de tijd waarin alles wat zich in koninklijke paleizen afspeelde zorgvuldig aan de waarneming van het gewone volk onttrokken moest worden. Omgekeerd waren voor een koningskind contacten met onderdanen taboe. Het dochtertje van de bejaarde koning Willem III en zijn jonge echtgenote Emma van Waldeck-Pyrmont (die speciaal met het oog op het voortbestaan van de Oranje-dynastie uit Duitsland was gehaald) leefde, zoals ze het later zelf zou noemen, in „een kooi". Bijna letterlijk soms: als vijfjarig meisje mocht de prinses eens, onder toeziend oog van een hofdame, spelen op een afgezet stuk strand. Haar speelpakje bestond onder meer uit een hoed met witte veren en witte handschoenen.
Bij wijze van gunst werden er een enkele keer leeftijdgenootjes uitgenodigd. De kinderen mochten dan wat beschaafd ravotten met "mevrouw", want zo diende de troonopvolgster onder alle omstandigheden te worden aangesproken.
Een dergelijke geïsoleerde opvoeding, waarbij elke vorm van kennismaking met de realiteit werd geschuwd, moest wel leiden tot een zekere wereldvreemdheid. Wereldvreemd was en bleef Wilhelmina dan ook. De uitingen daarvan waren soms op het vertederende af. Ze kreeg soms ingevingen waarvan ze zelf de gevolgen niet overzag. „Niet lang na haar abdicatie wilde zij in Amsterdam gebruik maken van het openbaar vervoer. Vlak bij de Dam stapte zij onvervaard in de tram, maar ze wist niet hoe ze een kaartje moest kopen. Binnen korte tijd was de wagen overvol van mensen, die allemaal „met de koningin in de tram wilden zitten". Het rijtuig bleef steken en er ontstond een verkeerschaos".

Kale vloer
Soms wilde ze zich juist te veel conformeren aan de leefwijze van haar volk, waarbij ze wel eens uit het oog verloor dat er voor iemand van haar komaf ook op dit gebied grenzen waren. Na de oorlog wilde zij niet in het altijd door haar verfoeide paleis Noordeinde wonen, noch in Huis ten Bosch en evenmin in de Ruygenhoek. Ze huurde drie aaneengesloten herenhuizen in Scheveningen en bracht er, in de grootst mogelijke eenvoud en levend op de geldende —karige— rantsoenen, de koude winter van '45 op '46 door. Dit uit solidariteit met haar landgenoten, van wie er tallozen ook op kale vloeren moesten leven, geen glas in de ramen hadden, over onvoldoende brandstof beschikten en met uiterst magere voedsel- en kledingtoewijzingen moesten rondkomen. Schermerhorn, de eerste naoorlogse premier, heeft Wilhelmina er tactvol op gewezen dat ze door haar goedbedoelde handelwijze niemand daadwerkelijk hielp. „Uw volk wil niet dat u zo woont".

Ook minister Van Kleffens had in Londen al vastgesteld dat „het moeilijk is de koningin te doen gevoelen hoe de realiteit is, omdat ze het dagelijks leven niet kent". Zo beeldde ze zich in dat haar gesprekken met Engelandvaarders haar voldoende op de hoogte brachten van wat er 'onder het volk leefde'. Kikkert: „Zij besefte allerminst dat deze 'gewone' Nederlanders in werkelijkheid juist 'ongewone' Nederlanders waren".

Landedelman
Eenzaam was Wilhelmina ook in haar huwelijk. De verbintenis tussen de Nederlandse koningin en de gemoedelijke landedelman Hendrik van Mecklenburg-Schwerin moet op z'n zachtst gezegd weinig gelukkig worden genoemd. Vanaf het moment dat hij in ons land zijn intrede deed, gaf deze „echte Germaan" zoals hij vriendelijk werd omschreven, aanleiding tot wenkbrauwgefrons. De lijst van zijn kwaliteiten en verdiensten was zorgwekkend kort (zijn interesse beperkte zich voornamelijk tot de jacht en het paardrijden). Zijn gebrek aan deskundigheid was hem te vergeven, van de escapades die hij zich jaren later meende te kunnen veroorloven kon dat minder gemakkelijk worden gezegd.

Overigens had Hendrik ook z'n goede kanten. In tegenstelling tot zijn vrouw, die het hofpersoneel regelmatig vinnig tot de orde riep, kwam hij soms over de brug met een vriendelijk woord, een kwinkslag of een sigaar. Tot zijn chauffeur zei hij eens: „Hier heb je een goede sigaar. Steek hem vanavond, na je diensttijd, maar op. Maar je mag aan niemand vertellen dat je hem van mij gekregen hebt. Als de koningin het hoort, dan zwaait er wat!"

Stipt
Wilhelmina kon een beetje angstaanjagend zijn. In het paleis was haar stiptheid alom gevreesd en er was niet zo heel veel voor nodig om de laan uit gestuurd te worden. Nog moeilijker werd het als er emoties bijkwamen, want bij haar uitten die zich wel eens in merkwaardig gedrag. Toen de koningin in de zomer van 1945 voor het eerst paleis Noordeinde betrad, zou ze de leden van het Haagse gemeentebesuur ontmoeten. Geen van hen had echter een bijzondere rol in het verzet gespeeld. Om die reden wilde Wilhelmina de hele ceremonie al niet laten doorgaan, maar na veel vijven en zessen ging ze door de knieën. Er was tenslotte geen enkele reden om de heren te boycotten; ze waren niet 'fout' geweest. Het werd een uiterst onaangenaam samenzijn. „Zij stonden keurig opgesteld in een klein vertrek. Wilhelmina trad binnen. Zij schudde de eerste wethouder de hand en vroeg luid hoorbaar voor iedereen: „In welk concentratiekamp hebt u gezeten, mijnheer de wethouder?" Er volgde doodse stilte. De gezichten stonden strak. Wilhelmina trad op de volgende wethouder toe: „In welke gevangenis hebt u gezeten, mijnheer de wethouder?". Zes keer ging dat zo.

Ze verwerkte de emoties die de oorlog nu eenmaal bij haar had teweeggebracht, op haar eigen manier. „Toen zij voor het eerst op Het Loo terugkeerde, liep zij zwijgend door alle kamers. Daarna wilde zij sjoelbakken en ging daarbij zo wild tekeer, dat de schijven door het vertrek vlogen en de andere deelnemers aan het spel ijlings dekking moesten zoeken. Dat was haar manier om haar gevoelens af te reageren".

Twee werelden
Kikkerts boek heeft als ondertitel "Vorstin tussen verleden en toekomst". Deze aanduiding klinkt clichématig, maar is in dit geval meer dan terecht. Want Wilhelmina Helena Pauline Maria werd geboren in een heel andere wereld dan de wereld waarin zij, na twee verwoestende wereldoorlogen, overleed. Ze heeft veteranen van de Tiendaagse Veldtocht geïnspecteerd, ontmoette Nicolaas Beets, ging op theevisite bij koningin Victoria en maakte de barre winter van 1890 mee. Ze behoorde ook tot de eerste regerende vorsten die ooit een radiotoespraak hebben gehouden, kort voor haar dood verscheen ze zelfs op de televisie en tijdens haar regering werd hardhandig een einde gemaakt aan de luister van het tsaristische hof - wat haar overigens erg heeft aangegrepen. Ze was getuige van de opkomst van de vèlocipède, de telefoon, de auto en het vliegtuig. Zelf zag Wilhelmina het zo: „Ik maakte de verandering mee van een ingeslapen tijd naar een dynamische tijd".
N.a.v. "Wilhelmina - Vorstin tussen verleden en toekomst". Uitgeverij De Haan, Houten, 196 blz., prijs 29,90 gulden.


Nederland krijgt morgen —eindelijk— een nationaal monument ter herinnering aan koningin Wilhelmina. Het bronzen beeld, gemaakt door de 89-jarige Charlotte van Pallandt, staat in Den Haag, tussen paleis Noordeinde en het gebouw van de Raad van State.
Een jaar na het overlijden van Wilhelmina, in 1963, kwam de regering met het plan voor een nationaal monument. Pas zes jaar later werd een commissie ingesteld die zich daarmee zou bezighouden. In 1971 kregen drie ontwerpers een uitnodiging om een schets te maken, hetgeen resulteerde in een ontwerp voor een roodwit- blauw keienlint, dat door het centrum van Den Haag zou lopen. Koningin Wilhelmina viel in dit kunstwerk echter moeilijk te herkennen. De regering aanvaardde het ontwerp toch, en in 1979 dreigden B en W van Den Haag het voorstel goed te keuren.
Een actiecomité wist hier een stokje voor te steken. Zelfs W. Drees sr. werd ingeschakeld en liet de Haagse vroede vaderen via een cassettebandje weten dat Wilhelmina niet door een keienlint diende te worden herdacht, „maar als de persoonlijkheid die zij was".
Er werd een nieuwe commissie ingesteld en diverse andere ontwerpen —van een drijvend museum tot een soort vliegende schotel— volgden. In 1984 hakte minister Brinkman samen met de gemeente Den Haag de knoop door: de keus viel op het beeld van Charlotte van Pallandt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1987

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Nooit aarzelend, zwak of verslagen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1987

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken