Bekijk het origineel

Vrachtvaarders van Alblas en Graafstroom hadden een hard bestaan

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrachtvaarders van Alblas en Graafstroom hadden een hard bestaan

Gebruik van motor lange tijd verboden om kwaliteit van drinkwater te bewaren

10 minuten leestijd

BLESKENSGRAAF Het water heeft de inwoners van de Alblasserwaard in de loop der eeuwen al vele malen overlast bezorgd. Ten minste 33 overstromingen hebben plaatsgehad. Toch heeft het water de bewoners ook zijn diensten bewezen. Lange tijd was het vervoer over water de enige weg. Talloze vrachtschepen hebben het water van de Alblas en de Graafstroom doorkruist.

In de twaalfde eeuw begon men aan de ontginning van de wildernis, die we nu de Alblasserwaard noemen. Door de veengebieden stroomden kleine riviertjes, en deze vormden de enige toegangswegen voor kolonisten. Langs de riviertjes vestigden zich dan ook de eerste bewoners. Op regelmatige afstand van elkaar bouwden ze hun huisjes en schuren.
Vanuit het riviertje ging men aan het werk om het land in cultuur te brengen. Lange tijd waren de wegen langs de riviertjes niet meer dan paadjes, die van boerderij tot boerderij liepen. Deze wegen, die door de bewoners zelf onderhouden moesten worden, waren niet zo geschikt voor intensief gebruik. Voor het vervoer van goederen werden dan ook, zoals in grote delen van ons land, voornamelijk schepen gebruikt.

Vanaf het begin werden kleinere en grotere schepen ingezet voor het vervoer van bouwmaterialen. Behalve het materiaal dat in de natuur voorhanden was, moest alles worden aangevoerd. Van die begintijd is echter niet veel bekend.
Het riviertje de Alblas liep ongeveer tot het dorp Bleskensgraaf. In de loop van de tijd is dit riviertje verlengd tot de Vuilendam. Het gegraven stuk kreeg de toepasselijke naam Graafstroom. Vanuit Alblasserdam kon men toen over een afstand van ongeveer veertien kilometer landinwaarts varen.

Beurtschippers
Al heel lang werd vanuit Alblasserdam geregelde beurtvaart op onder andere Dordrecht en Rotterdam onderhouden. Niet iedereen kon zomaar beurtschipper worden. Daartoe moest men aangesteld worden door de heer van de plaats vanwaar men voer. Zo werd in 1762 Elder Maat door de heer van Alblasserdam aangesteld als beurt- en marktschipper „omme het veer ordentelijk ende getrouwelijk te bedienen op soodanige vragtloon en emolumenten als daartoe zijn staande".
Het ligt voor de hand dat ook landinwaarts beurtschippers werkzaam geweest zijn, al zijn concrete gegevens uit de tijd voor 1840 hierover niet bekend. In het boekje "Schippers op de Alblas en de Graafstroom" worden wel verschillende beurtschippers genoemd die in de vorige eeuw hebben gevaren. Deze schippers onderhielden een geregelde vaart op Dordrecht of Rotterdam. Op de heenweg werd telkens nieuwe vracht ingenomen. Wie maar wat mee te geven had, gaf een seintje. Zo vertrok er een beurtschipper uit Molenaarsgraaf, Bleskensgraaf en uit Oud-Alblas. Een ieder had zo zijn eigen klanten, maar concurrentie kwam natuurlijk ook voor.
Vanuit Rotterdam of Dordrecht nam de schipper dan voor de bakker meel, voor de metselaar stenen en voor de smid ijzer mee. Ook verhuizingen, voornamelijk van predikanten, gebeurden per schip.

Bruggen
Op hun tocht van de Vuilendam naar Alblasserdam kwamen de schippers vijf gewone bruggen tegen. Deze bruggen hadden door de keur vastgestelde afmetingen. De hoogte om door te varen was soms aan de krappe kant. Afhankelijk van het waterpeil was de doorvaarhoogte ongeveer anderhalf à twee meter. Met name als men ongeladen onder een brug door moest, kon dit problemen geven. In Bleskensgraaf weten vele inwoners zich dit nog levendig te herinneren.
De schippers hadden namelijk de gewoonte soms de hulp van schooljongens in te roepen, wanneer ze ongeladen onder de brug door moesten en het waterpeil te hoog was. Iedereen die dan in de buurt was, werd uitgenodigd om aan boord te komen. Door het gewicht van de schooljongens zakte het vaartuig, zodat het schip zonder gevaar onder de brug door kon. Het spreekt voor zich dat de jeugd graag bereid was de schipper een handje te helpen.
Voormalig schipper J. Bot uit Molenaarsgraaf weet het zich nog goed te herinneren. Hij voegt eraan toe „Maar dat was wel het laatste wat je deed, want je kreeg wel de 'Filistijnen' over je." Een andere mogelijkheid was om er achteruit onderdoor te gaan. Aan de kop kon dan ook nog een roeiboot worden gehangen, zodat de voorsteven, die het verst boven het water uitstak, naar beneden getrokken werd. Desnoods schepte men de roeiboot vol water.

Sluis
In Alblasserdam moest een sluis gepasseerd worden. Het schutten gebeurde ongeveer zes uur na hoogwater in de Noord. Het was dus zaak te zorgen dat je op tijd bij de sluis was. Vandaar dat ook 's nachts werd gevaren. Na de sluis bij Alblasserdam lag de vaarweg naar Dordrecht of Rotterdam open.

Een schipper had destijds een hard bestaan. Er werd op de Alblas en de Graafstroom wel gezeild, maar dat kon alleen voor de wind uit. Wanneer de wind niet meezat, moest er spierkracht aan te pas komen. Men sprak dan spottend van ellebogenstoom. Met de vaarboom werd het schip voortgeduwd. Voor op het schip staande, zette men de vaarboom in de modder, en al duwend liep de schipper naar het achterschip. Daarna begon hij opnieuw met dezelfde handelingen. Een andere manier was om het schip lopend langs de kant te trekken, maar dat kon alleen langs de Graafstroom.
A. Krijgsman uit Hardinxveld-Giessendam heeft het aan den lijve ondervonden wat dit betekende. "Tot 1939 is hij met zijn vader meegevaren. Hij heeft het tochtje van de Vuilendam naar Alblasserdam vele malen gemaakt. Hij vertelde: „Van Hofwegen tot Vuilendam gingen we dan jagen met de lijnen. Langs de Alblas ging dat niet, die was te kronkelig".
De schipper stond bij nacht en ontij in de buitenlucht aan het roer. Ook nog in de tijd van de motorschepen, toen het zware duwen en jagen verleden tijd was. Een stuurhut was er meestal niet bij.

Verboden
Het gebruik van de motor is trouwens lange tijd verboden geweest op de Alblas en de Graafstroom, omdat men vreesde dat het water vervuild zou worden door de motoren, waardoor de drinkwatervoorziening in gevaar zou komen. In Alblasserdam in de sluis werd dan de motor verzegeld voor de tocht naar de Vuilendam.
Een bijzonder soort schip was het winkelschip. Daarvan hebben er verschillende gevaren. Deze schepen bedienden de bewoners langs het water. Een ervan was het potten- en pannenschip van Pellikaan. Behalve kookgerei had de schipper nog van alles te koop. Overal waar maar verkoop verwacht werd, legde men het schip aan. De route liep van Vuilendam tot Alblasserdam.
Andere winkelschepen hadden zich meer gespecialiseerd in kruidenierswaren. De laatste winkelschipper was Teunis Vlot uit Oud-Alblas. Hij had een ijzeren schip, waarin een woon- en slaapkamer voor de schipper en een ruime, lichte winkel was. Maar in het jaar 1942 kwam aan deze handel een einde. Het winkelschip had zijn tijd gehad en de winkels op de wal namen de taak over.
Met de komst van de vrachtwagens werd de concurrentie langzamerhand steeds groter. De schepen die over de Alblas en de Graafstroom konden varen, waren betrekkelijk klein. Ze moesten namelijk door de sluis bij Alblasserdam kunnen, die achttien meter lang was. Dergelijke schepen waren maar veertig ton groot.

Grote klus
Het lossen was een grote klus, het moest helemaal met de kruiwagen gebeuren. Bovendien was het schip dagenlang onderweg, terwijl een vrachtwagen veel sneller was. De verdiensten werden dus steeds minder en veel schippers stopten ermee. A. Krijgsman: „Er was gewoon geen droog brood meer mee te verdienen". Zo werden de aakjes, kraken, tjalken, spitsen en andere vrachtboten een steeds zeldzamer wordende verschijning. Slechts enkelen hielden het nog wat langer vol.
Een van de schippers die het nog bijna twintig jaar langer heeft volgehouden, is schipper Arie Bot. Op jonge leeftijd ging hij varen als schippersknecht, maar zijn ideaal was een eigen schip te bezitten. Toen het ideaal verwezenlijkt was, noemde hij het eerste schip "Dankbaarheid". Met dit zeilschip voer Bot enkele jaren als beurtschipper op Dordrecht. In 1946 werd het eerste motorschip gekocht, maar hiermee had hij nogal wat motorpech.
In 1950 kocht hij een ander schip. Op een bijzondere manier werd hij hiermee financieel geholpen, en dat was de reden dat het nieuwe schip Eben-Haëzer genoemd werd. Dit schip, een motorspits, woog 43 ton. „Dat ding was puntgaaf", weet zijn zoon zich te herinneren. In 1956 werd er een nieuwe dieselmotor in de Eben-Haëzer geplaatst. Daarmee heeft men wel erg voorspoedig gevaren. „De onkosten die er vanaf 1956 tot en met 1962 aan geweest zijn, bedroegen zeventien en een halve gulden", vertelt Bot. Er moest namelijk eenmaal een nieuwe lager ingezet worden.

Oorlog
Ook tijdens de oorlog werd de naam van het schip bewaarheid. De vaart was tussen Vuilendam en Alblasserdam betrekkelijk ongevaarlijk. Ongelukken kwamen weinig voor. Toch heeft schipper Arie Bot twee keer de 'schrik van zijn leven' gehad. Dat was vlak bij Bleskensgraaf. De kom van het dorp is in het jaar 1940 door de Duiters gebombardeerd. Daarbij kwamen ook enkele bommen in het water terecht. Tot twee maal toe is het gebeurd, dat bij het voortbomen een bom op de bodem van de Graafstroom tot ontploffing kwam. Wonderlijk genoeg was er geen schade, maar de schrik was groot.
Schipper Bot had een handel in brandstoffen, zand en grind. Deze goederen werden opgehaald en vervolgens werd er bij klanten langs het water gevent. De verdiensten daarvan waren niet al te groot. Bot: „Een vrachtje grind werd gehaald in Lobith. 'Ten eerste was je al een week onderweg op de uit- en thuisreis. En dan brachten wij 28 kubieke meter grind mee."
Langs de Alblas en de Graafstroom werd dit per kruiwagen uitgevent. Grote klanten waren de kerk en de begraafplaats. De verdiensten: per kruiwagen betaalden de klanten 1,25 gulden. In totaal werden er iets minder dan 400 kruiwagens verkocht. Dat duurde ongeveer drie dagen. De opbrengst daarvan was ongeveer 490 gulden. Daarvan moesten de inkoop en de brandstofkosten nog af. De verdiensten per week waren dus erg laag.

Soorten goederen
Er werd van alles over het water vervoerd. Vooral in de tijd dat de vrachtauto nog niet in trek was, was men aangewezen op het schip. Boeren lieten hun varkens naar de markt brengen in Dordrecht. Dat gebeurde op een wat spectaculaire manier: met de gaffel werden ze van de wal in het schip gehesen, en op de plaats van bestemming weer terug naar wal. Daarbij protesteerden de dieren vanzelfsprekend luid, het was met recht een spektakel!
Verder werden boter en kaas voor de boeren naar de stad vervoerd. Aangevoerd werden vooral veevoer, brandstoffen, riet, zand, grind en stenen. De vrachten werden bij de boeren voor de deur afgeleverd. Op verschillende plaatsen herinneren verweerde meerpalen nog aan het feit dat daar schepen vastgemaakt werden. Wanneer er bij voorbeeld een vracht pulp werd afgelevefd, zorgde de boer ervoor dat er voldoende mankracht beschikbaar was om het schip leeg te kruien. Iedereen die maar enigszins kon, hielp mee.

Verleden
Van al die bedrijvigheid is nu niets meer over. In het jaar 1962 overleed schipper Arie Bot. Zijn zoon voer dat jaar in de herfst nog vrachten natte pulp. Maar in maart 1963 werd de Eben-Haëzer verkocht. Toen voer er nog een schipper, Frans van Genderen, voornamelijk pulp in de herfst. Tot ook hij ermee stopte. Nu herinneren alleen nog de vele foto's aan dit stukje verleden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 december 1987

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Vrachtvaarders van Alblas en Graafstroom hadden een hard bestaan

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 december 1987

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken