Bekijk het origineel

Met oude gerechten het nieuwe jaar in

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Met oude gerechten het nieuwe jaar in

De ongedachte oorsprong van prauwels, fleren, spekkendikken en duivekaters

7 minuten leestijd

Oliebollen, appelflappen, een salade, het zijn de bekende gerechten voor de oudejaarsavond. Het zal weinigen bekend zijn dat veel eten op de laatste avond van het jaar traditie is. Toch is het een heel oude gewoonte, die stamt uit voorchristelijke tijden. De mensen meenden toen dat er een vruchtbaar jaar zou volgen als zij met veel offers de goden gunstig stemden. De gaven werden tijdens overvloedige maaltijden door de gulle gevers zelf verorberd. Veel gebruiken bij de jaarwisseling zijn een mengsel van heidense en christelijke tradities.

In verschillende delen van ons land zijn de oblies, de opgerolde wafeltjes, een bekend nieuwjaarsgebak. In het oosten van ons land heten ze over het algemeen "kniepertjes". Ze zijn genoemd naar de ijzers waarin ze worden gebakken, de zogenaamde kniep-iezers. Deze koekjes zijn ontstaan uit de grote nieuwjaarskoeken, die vroeger in het haardvuur werden gebakken tussen de bladen van de nieuwjaarsijzers.
Het bakken van nieuwjaarskoeken was een bezigheid waar het hele gezin bij betrokken werd. Moeder of dochter lepelde het beslag op een helder geschuurde tafel. Dan werd net deeg in repen gesneden en uitgerold. Het bakken met de zware ijzers was mannenwerk. De baas, de oudste zoon of de eerste knecht keerde de ijzers en maakte ze leeg. De jongere kinderen rolden de koeken om een houten lepel of drukten ze met een plankje plat. De hoeveelheid koeken die werd gebakken, was niet gering. Er moest zeker een voorraad van zo'n 1200 stuks zijn. De meiden, knechts, de pastoor en de dominee kregen er ieder een honderdtal.

Herkomst
In de oudste nieuwjaarsijzers stonden vaak figuren gegraveerd. De bewaard gebleven ijzers laten onder andere initialen van de eigenaar, jaartallen en spreuken zien. Een rijmpje dat op veel ijzers voorkomt, luidt: "Geen beter lot. Als vrede met God".

Het Prinsenhof in Delft bezit het oudste Nederlandse nieuwjaarsijzer. Het behoorde aan de keizerlijke veldheer Maximiliaan van Buren. Waarschijnlijk is dit ijzer door zijn dochter Anna mee ten huwelijk gebracht en heeft het in de woning van prins Willem I dienst gedaan. Buiten ons land kent men nog oudere ijzers, tot uit het begin van de vijftiende eeuw. In die tijd ontstond het nieuwjaarsijzer uit het hostie-ijzer.
Sinds de tiende eeuw bakten monniken zelf de hosties of oblaten voor de erediensten. ("Hostia oblata" betekent zoenoffer en, in de Rooms-Katholieke Kerk, misbrood). Omstreeks 1400 gaven de kloosterlingen het bakken van de oblaten in handen van leken. In Parijs ventten de oblaatbakkers, de oublieurs, hun waren langs de straat uit. Uit het Franse oublieur is het Nederlandse woord oblie voor opgerolde wafel ontstaan.

Varianten
Er zijn verschillende recepten voor de kniepertjes of oblies. Door het deeg van de Noordhollandse kaneelwafeltjes gaat een flinke hoeveelheid kaneel. Ze worden na het bakken gevuld met slagroom. In de Utrechtse oblies, die prauwels worden genoemd, wordt een deel van de bloem vervangen door boekweitmeel, terwijl er ook wat kaneel en anijszaad door gaat.
Een hartige variatie op de wafels zijn de Drentse spekkendikken, met spek of worst gevulde dikke wafels. Een andere variant is de Staphorster fleer. Het bijzondere hiervan is dat deze koek niet knapperig, maar slap is. Om te zorgen dat ze niet hard worden, moeten de fleren na het bakken direct in een trommel worden gestopt.

Kniepertjes
Het recept voor de Twentse kniepertjes is als volgt:
100 g boter of margarine, 1 ei, 1 zakje vanillesuiker, 2 eetlepels gemalen anijszaad, 1 eetlepel kaneel, ½ borrelglaasje vieux of cognac, 250 g gele basterdsuiker, 250 g bloem, boter of margarine.
De boter of margarine smelten, maar niet laten bruisen. Het ei loskloppen met de vanillesuiker, het anijspoeder en de kaneel. De vieux of cognac erbij roeren. De basterdsuiker zeven en eveneens toevoegen. De bloem zeven in een kom en het boter-suikermengsel hierbij roeren. Zoveel lauw water toevoegen tot het beslag de dikte heeft van pannekoekbeslag.
Een oblie-ijzer (elektrisch) 5 minuten verhitten. De beide helften met wat boter of margarine bestrijken. Een kleine juslepel vol beslag in het midden schenken en de oblie 2 minuten bakken (of zolang als op het ijzer is aangegeven). De koek met een vork uit het ijzer nemen en meteen oprollen. De oblie is nu nog zacht. Oprollen gaat gemakkelijk om de steel van een houten lepel.
Heeft u een gietijzeren oblie-ijzer, dan het ijzer aan beide kanten 3 minuten voorverwarmen op het gas. De beide ijzerhelften met wat boter of margarine bestrijken. Een kleine juslepel vol beslag in het midden op een ijzerhelft schenken (die het laatst is voorverwarmd), het ijzer sluiten en meteen omkeren. Beide kanten van het ijzer 2 minuten bakken op een middelhoog vuur. Het ijzer voor elke oblie opnieuw invetten.

Duivekater
De oorsprong van de duivekater, een soort zoet brood, is van heel andere aard dan die van de oblie. Het woord duivekater is waarschijnlijk ontstaan uit duivel-kater. Men stelde zich de vruchtbaarheidsdemon voor in de gedaante van een kater, een duivel-kater. De geest kreeg een evenbeeld geofferd om hem gunstig te stemmen. Later vonden de mensen deze gewoonte te wreed en het levende dier werd vervangen door een broodvorm. Gaandeweg verloor het brood zijn dierlijke vorm en tegenwoordig zijn duivekaters in verschillende vormen verkrijgbaar. De meest voorkomende vorm is langgerekt met aan de beide uiteinden twee krullen en bovenop ingesneden versieringen.

Een duivekater wordt als volgt gemaakt: een gistdeeg maken van 500 g bloem, 30 g gist, 2 dl lauwe melk, wat zout, 100 g suiker en de geraspte schil van een halve citroen. Dit laten rijzen en tot een dikke rol vormen. Plat slaan en tot een puntmodel vormen. Beide uiteinden twee keer tot 10 cm inknippen en de ingeknipte punten omkrullen. Het brood met ei bestrijken en de bovenkant versieren door er met een scherp mes figuren in te snijden. Het brood in een hete oven 40 a 45 minuten gaar bakken.

Dranken
Bij de overvloedige offermaaltijden in oude tijden zal er ook flink gedronken zijn. Ook nu zit men tijdens de jaarwisseling meestal niet op een droogje. Er zijn (alcoholische) oudejaarsdranken te kust en te keur. Veel recepten zijn gebaseerd op warme wijn. Sommige dranken zijn van oorsprong niet voor oudjaar, maar werden later met name op de laatste avond van het jaar gedronken. Bisschopwijn is zo'n drank die oorspronkelijk bedoeld was voor een andere avond, de Sint-Nicolaasavond, maar die nu vaak met oudjaar op tafel komt.
Hiervoor is nodig 1 fles rode Bordeaux, 1 gewassen sinaasappel of een mandarijn waarin 10 kruidnagels zijn gestoken, 1 hele nootmuskaat of enige blaadjes foelie en ongeveer 80 gram suiker.
Giet de inhoud van de fles wijn in een emaille pan (niet in een aluminium pan), waarop een goed sluitend deksel past. Doe dan 1 fles water erbij. Leg de kruiden erin en laat de wijn enige uren trekken (vooral niet koken). Het moet zo zachtjes trekken dat u het in huis niet ruikt! Zet het pannetje op een zeer klein gestelde gasvlam, waaronder eventueel nog een vlamverspreider is gelegd. Neem de kruiden uit de drank wanneer deze klaar is en voeg de suiker toe.

Slemp was vanouds gewoon een winterdrank, die vaak in de koek-en-zopie-kraampjes op het ijs werd verkocht. In Amsterdam ontstond echter de gewoonte op oudjaarsavond naar de schouwburg te gaan om de Gijsbrecht van Aemstel, een drama van Vondel, te zien. In de pauze werd dan een kopje slemp gedronken en daarbij een soesje gegeten. De drank wordt gemaakt door 1 liter melk te laten trekken met een stukje foelie, 4 kruidnagels, een plukje saffraan, een stukje pijpkaneel, een zakje thee (4 g) en 4 eetlepels suiker. Binden met 1 eetlepel aangemengde maïzena en tot slot de drank in een kan zeven.

De viering van jaarwisseling had van oorsprong een heidens karakter. Veel heidense gebruiken zijn, soms bijna onherkenbaar, blijven bestaan. Voor christenen heeft het vieren van de jaarwisseling een eigen betekenis. In het voorbijvliegen van het oude jaar kwam de vergankelijkheid van het leven tot uitdrukking, terwijl de trouw van God spreekt uit het mogen beginnen van een nieuw jaar.
De gebruiken rond Oud- en Nieuwjaar hebben in de loop van vele eeuwen hun betekenis verloren. Moeten we die gewoonten dan nog als heidens en dus niet goed beschouwen? We kunnen ook genieten van de gerechten, zonder dat we daaraan bijzondere betekenis hechten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1987

Reformatorisch Dagblad | 56 Pagina's

Met oude gerechten het nieuwe jaar in

Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1987

Reformatorisch Dagblad | 56 Pagina's

PDF Bekijken