Bekijk het origineel

Heerlijkheden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Heerlijkheden "Crempen" aan de Lek en de IJssel jarenlang vorstelijk bezit van Oranjes

4 minuten leestijd

KRIMPEN A/D IJSSEL — De Krimpense gemeenten aan de Lek en aan de IJssel zijn al zeer oud. Reeds in 1064 wordt van Crempen melding gemaakt, terwijl de gesplitste ambachten op den IJssel en op de Merwede al genoemd worden in 1277.

De beide Krimpense gemeenten maakten in 1342 met Ouderkerk, Lekkerkerk en Zuidbroek en de tegenoverliggende streek langs de zuidzijde van de Lek in de Alblasserwaard, deel uit van de heerlijkheid van de Lek; zij werden onder andere in pandschap aangenomen door Aelbrecht van Naaldwijk, de eerste dijkgraaf van de Krimpenerwaard.

De oudst bekende Heer van de Lecke is Folpert, wiens naam in 1168 opduikt. Met het overlijden van Hendrik III stierf zijn geslacht omstreeks 1342 uit. De heerlijkheden werden op 27 april 1342 door graaf Willem IV ver-» kocht aan Jan van Polanen en bleven in dit geslacht tot zij op 18 maart 1403 overgingen op Engelbert I van Nassau. Dat gebeurde na zijn huwelijk met Johanna, dochter van Jan III van Polanen.

In 1539 gingen zij opnieuw over op René van Chalons, Prins van Oranje, neef van Hendrik van Nassau, en kwamen de heerlijkheden in het bezit van het vostenhuis van Oranje. Na de dood van prins Maurits werden de gezamenlijke heerlijkheden verdeeld tussen Frederik Hendrik en jonker Willem van Nassau, LuitenantAdmiraal van Holland, de natuurlijke zoon van Maurits. Aan laatstgenoemde vielen toe de hoge heerlijkheid van Lekkerkerk en Zuidbroek en de ambachtsheerlijkheden Krimpen op de Lek, Krimpen op den IJssel en Ouderkerk op den IJssel.

In 1627 gingen de heerlijkheden over op Lodewijk van Nassau, eveneens een natuurlijke zoon van prins Maurits, en de stamhouder van de tak van Nassau Ia Lecq. De heerlijkheden werden in 1723, uit kracht van een onwillig decreet van het Hof van Holland van 30 juli 1717, in vier partijen publiekelijk verkocht ten laste van Maurits Lodewijk van Nassau, Heer van de Lecq. Daardoor vielen ze voorgoed uiteen.

De familie van Nassau la Lecq behield als overblijfsel van de oude heerlijke goederen slechts het vak van de rivier de Lek langs Lekkerkerk. Het ambacht Krimpen op den IJssel omvatte in hoofdzaak de polders Langeland en Kortland, zijnde het deel van Krimpen aan den IJssel dat binnen de Krimpenerwaard gelegen is. Een "Custuym ende gebruyck in den ambacht van Crimpen opden IJssel" van 1581 en een bij octrooi van de Staten van Holland van 17 juli 1778 vastgesteld reglement voor het ambacht zijn nog in het archief van Langeland en Kortland aanwezig. Tot de gemeente Krimpen aan den IJssel behoort ook de Stormpolder. Deze vormde vroeger een afzonderlijke heerlijkheid die een achterleen was van de heren van de Lek en in 1364 reeds voorkomt. Zij heette destijds ook wel Kralinger-polder naar de heren van Kralingen, die haar lange tijd in leen hadden. Later kwam de heerlijkheid weer geheel in het bezit van de familie Van Nassau la Lecq.

Sluis

In de oudheid vormden de Krimpener- en Lopikerwaard samen de Gouw "Lake et Isla" (Lek en IJssel), die ongeveer voor de helft op Hollands en voor de andere helft op Stichts gebied lag. De natuurlijke grens was naar alle waarschijnlijkheid het riviertje de Vlist. 'In 1798 ressorteerde Krimpen aan den IJssel onder het departement van Maasland, later het "Departement Bouche de la Meuse-Kring Vil", met hoofdplaats Oudewater. Volgens opgave telde Krimpen toen 538 en de Stormpolder 163 zielen.

Op een kaart van 1498, waarop Krimpen staat aangeduid als "teynder Ysele" (hiervan is de naam van de buurtschap Tenge afgeleid), staat een sluis getekend. Het zou echter nog 450 jaar duren eer deze gerealiseerd was. De plannen waren reeds gemaakt tijdens de regering van Graaf Willem IV. „Die van Haastert" maakten echter bezwaren vanwege het „vuyle water" dat naar zij verwachtten zou „afcommen".

Dijkrecht

Het eiland, omsloten door de Lek, de IJssel en een stukje van de Merwede, tussen de beide Krimpens, vormde reeds in de Frankische tijd een gouw, die de naam droeg van Lek en IJssel. Als zodanig vinden wij haar voor het eerst vermeld in een oorkonde van 17 juli 944. Koning Otto I schonk al hetgeen Walgerus en diens zoon van hem in beneficie bezaten in de gouw Lake et Isla aan de kerken van St. Maarten en St. Marie in Utrecht.

Deze gouw wordt al spoedig gesplitst in een bovendeel, de latere Lopikerwaard, en een benedendeel, dat aanvankelijk nog de naam "Tusschen Lecke ende Ysele" bleef behouden, die in de vijftiende eeuw al voorkomt als de "Crimpenrewairt" of "De Nederweerd van Crympen".

In ieder geval bestond de IJsseldijk reeds in de twaalfde eeuw. De vermaarde St. Elisabethsvloed vai» 1421 zorgde ook in de waard voor een grote ramp, zo groot dat de ingezetenen niet in staat bleken de geleden schade te herstellen. Graaf Jan van Beijeren gaf daarom bij handvest van 20 s'eptember 1422 het eerste dijkrecht aan de Krimpenerwaard. 
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Heerlijkheden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1988

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken