Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„En zij slachtten het pascha op de veertiende der eerste maand

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„En zij slachtten het pascha op de veertiende der eerste maand

Waarom is deze avond anders dan alle andere avonden?

13 minuten leestijd

Over de oorsprong van het pascha lopen de meningen uiteen. Hebben we met een van oorsprong heidens oogstfeest te maken dat door de Israëlieten op een eigen manier werd ingevuld? Een vraag waar tien wetenschappers evenveel verschillende visies op hebben en waarop we dus niet nader ingaan. Zeker zo interessant is de vraag hoe het feest door de eeuwen heen gevierd is. We lezen in het Oude Testament van grootse vieringen onder Jozua, Hizkia, Josia en bij Ezra, maar verder?

Hoewel de meningen over de oorsprong van het feest zoals gezegd uiteenlopen, is het wel zinvol om twee elementen in het feest van pésach te onderscheiden, zo benadrukt de oudtestamenticus drs. W. Chr. Hovius. De eerste lijn is die van het pascha, het feest van het sparend voorbijgaan. De tweede is die van het feest der ongezuurde broden.

Familiefeest

Ds. Hovius wijst erop dat het pascha oorspronkelijk een familiefeest is geweest dat in gezinsverband gevierd werd. Exodus 12 geeft daar alle aanleiding toe, zo zegt hij. Deuteronomium 16 echter voorziet het pascha als een pelgrimsfeest dat op een centrale plaats gevierd moet worden: in de tempel. Voor die verschuiving van gezin naar tempel draagt dr. K. Roubos een voor ds. Hovius aannemelijke verklaring aan. Roubos noemt het gevaar van syncretisme. Als het feest thuis gevierd zou worden, was het gevaar van vermenging met heidense elementen niet denkbeeldig. Het lentefeest dat de Kanaanieten kenden en dat volgens sommigen aan het pascha ten grondslag ligt vertoonde in ieder geval overeenkomsten met het Israëlitische pascha. Zo zouden de Kanaanieten tijdens dit feest bij voorbeeld ook ongegist brood gegeten hebben om vruchtbaarheid te garanderen. Volgens de Amsterdamse rabbijn H. Rodrigues Pereira is er geen sprake van een verschuiving van gezin naar tempel. In Exodus 12, dat zowel voorschriften voor het moment als voor de toekomst bevat, wordt al verwezen naar de viering bij aankomst in het land. Er wordt immers gezegd dat er een offer gebracht moet worden en dat moet in de tempel gebeuren. Pascha is een gezinsfeest, waarvan het brengen van het offer in de tempel te Jeruzalem een onderdeel is. Na de verwoesting van de tempel kon het offer weliswaar niet meer gebracht worden, maar kon het feest in gezinsverband gewoon doorgang vinden. Sinds die tijd kent het joodse volk één torahvoorschrift dat hen verplicht om iets te eten: namelijk de matsa op sederavond.

Instelling

Op verschillende plaatsen in het Oude Testament wordt over het pascha gesproken. „De Heere nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende: Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn". Zo begint Exodus 12 de instelling van het pascha te verhalen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de huisvaders de opdracht kregen om op de veertiende dag van de maand Abib (of Nisan) een eenjarig mannelijk lam te slachten en het bloed van het dier aan de deurposten te smeren. Voorts moest men het vlees met ongezuurde broden en bittere kruiden eten. Dit alles ter herinnering aan de verdrukking op het moment van de verlossing uit Egypte.

Duidelijk wordt in Exodus 12 gezegd dat het pascha jaarlijks gevierd moet worden. „Daarom zult gij deze dag houden onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting". In Numeri wordt gemeld dat het volk in het tweede jaar na de uittocht gehoorzaam was aan deze inzetting. Interessant daarbij is dat er een inhaalmogelijkheid was voor lieden die vanwege „het dode lichaam eens mensen" onrein waren en het feest dus niet hadden kunnen vieren. Zij mogen het pascha een maand later houden. Op hen die rein zijn en de inzetting negeren, is het woord van toepassing dat „diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid zal worden".

Niet besneden

In de woestijnjaren die volgen wordt van de viering van het pascha geen melding meer gemaakt. Rabbijn Pereira daarover: In deze periode had het volk de besnijdenis niet uitgevoerd. Daardoor mocht men het pésachoffer niet eten. In het algemeen is het zo dat je in het jodendom geen straf kunt krijgen voor iets wat je nalaat. Er zijn echter twee uitzonderingen: het niet besnijden van het volk, en het niet slachten van het pésachlam. Er blijkt een nauw verband te bestaan tussen deze elementen. Eerst bij Gilgal, bijna veertig jaar later, wordt het pascha weer gevierd nadat Jozua het volk besneden heeft.

Overigens verschillen de latere vieringen van het pascha van de eerste viering uit Exodus. Rabbijn Pereira wees er al op dat Exodus 12 zowel voorschriften voor het moment als voor de toekomst bevat. De eerste viering kenmerkte zich door haast en duurde dus geen zeven dagen. Het volk moest het vlees,.de ongezuurde broden en bittere kruiden die eerste.keer reisvaardig, met omgorde lendenen, nuttigen. Eenmaal in Kanaan is van haast, en dus van het omgorden der lendenen, geen sprake meer. Ook de dorpels hoefden toen niet met hysop besprengd te worden.

Ieder jaar?

De vraag is of het pascha inderdaad jaarlijks gevierd werd. We krijgen die indruk niet. Pas onder koning Hizkia wordt weer melding gemaakt van een grootse viering. Aanvankelijk kon het feest geen doorgang vinden, omdat het volk zich niet geheiligd had, maar uiteindelijk kan de schrijver van de Kronieken melden dat het feest van de ongezuurde broden in Jeruzalem met grote blijdschap is gevierd. De feestvreugde was zelfs zodanig dat besloten werd om het feest met zeven dagen te verlengen (2 Kron. 30:23). „Van de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest". Betekent dit dat er sinds Salomo geen pascha meer was gevierd?

Dat is niet aannemelijk want de tradities zijn vrij sterk geweest zegt, ds. Hovius. Het bijzondere karakter van het feest onder Hizkia is gelegen in het feit dat hij het als een feest van het ene ongedeelde Israël heeft willen vieren. Hij nodigt ook de noordelijke stammen uit. Rabbijn Pereira wijst erop dat het eerst onder „deze G-dvrezende koning" weer mogelijk was om het feest in Jeruzalem te vieren. Zijn voorgangers die niet wandelden in de inzettingen van JHWH zullen die gelegenheid niet gegeven hebben, zodat het volk het feest alleen in de eigen kring kon vieren. Op grond van joodse bronnen komt rabbijn Pereira tot de conclusie dat de verwijzing naar Salomo verband houdt met het feit dat het feest veertien dagen duurde. Een uitzonderlijke situatie die sinds Salomo niet meer voorgekomen was. Alleen het feest ter gelegenheid van de inwijding van Salomo's tempel had veertien dagen geduurd.

Wetboek

Hoewel het feest onder Hizkia uitbundig gevierd werd, waren er toch zaken die een schaduw over het feest wierpen: de boodschappers die het land doorgingen om op te roepen tot het feest werden bespot en een groot deel van het volk bleek zich niet geheiligd te hebben. Anders is dat onder koning Josia. Nadat het wetboek in de tempel gevonden is, kan het feest geheel volgens de deuteronomistische regels gevierd worden. Het volk was rein en heel Israël was één van hart om God te dienen.

Rabbijn Pereira: Zelfs het paasfeest onder Hizkia is niet zo groot geweest als dit. Nooit was er zo'n grote afval en vervreemding geweest als in de periode vóór het koningschap van Josia. Ten tijde van zijn regering is er sprake van een religieuze opleving. Het volk bekeert zich en de afgoden worden weggedaan. Wanneer er van het paasfeest onder Josia gezegd wordt dat er „van de dagen van Samuel geen pascha als dit was gehouden", dan staat dat in verband met deze ommekeer. Ook onder Samuel bekeert het volk zich massaal van de afgoden (1 Sam. 7). Het pascha onder Josia staat in het teken van de overgang uit het knechtschap van de heidense godswaan naar de vrijheid van het bevrijdende godswoord, zo citeert de rabbijn een commentaar.

Ballingschap

Of het pascha ook tijdens de Babylonische ballingschap gevierd is? Het antwoord laat zich slechts raden. Als je ervan uitgaat dat het feest in de tempel gevierd moest worden, dan zal het in deze tijd niet gevierd zijn, zo meent ds. Hovius. Pas in Ezra 6, als het volk teruggekeerd is in het land en de tempel herbouwd, wordt er weer van een pascha melding gemaakt. Rabbijn Pereira vermoedt dat het feest wel gevierd zal zijn. In zijn visie is er immers van een verschuiving naar de tempel geen sprake. Aan de verplichting om de matsa te eten zal men zich niet onttrokken hebben, aldus de rabbijn.

Ten tijde van Jezus' rondwandeling op aarde werd het feest door het hele volk gevierd. Joden buiten Palestina kwamen in groten getale naar Jeruzalem. Flavius Josephus weet te melden dat er tijdens een paasfeest meer dan twee miljoen mensen naar Jeruzalem getogen waren. Waarschijnlijk is daarmee ook verklaard waarom er tijdens de verwoesting van de tempel in het jaar zeventig zoveel doden zijn gevallen. Het was toen net pascha geweest.

In de loop der eeuwen heeft de viering van de sederavond, waarvoor de bouwstenen in Exodus 12 zijn gegeven, steeds meer gestalte gekregen. De ordeningen voor een juiste viering zijn in later tijd samengevat in een zogenaamde haggada (vertelling). In de evangeliën lezen we dat er bepaalde elementen aan de viering zijn toegevoegd. Het zingen van het lofliederen heeft een plaats gekregen: immers wordt het Hallél gezongen (Psalm 113-118). Ook wordt er gesproken over het drinken van een beker wijn. Later is aan de pesachliturgie ook het vijfmaal rondgeven van de bekerwijn toegevoegd. De eerste vier bekers moeten terugwijzen op de vier woorden die in Exodus 6 worden gebezigd om er de machtige daad van God bij het eerste paasfeest mee aan te duiden: Ik zal hen uitleiden, redden, verlossen en aannemen. De vijfde beker wordt de beker van Elia genoemd. Daaruit blijkt dat de toekomstverwachting bij het paasfeest een rol is gaan spelen. Elia zal, zo verwachten de joden, immers wederkeren om de komst van de Messias aan te kondigen.

Pésach 1988

En pésach 1988? Orthodox- of nietorthodox: vanavond zullen de meeste joden zich rond de sedertafel scharen. Pésach wordt gezien als een van de hoogtepunten in de joodse traditie waarbij je je joodse identiteit bewijst. Pésach is allereerst een gezinsfeest, waar ook de joden 'die er niet veel meer aan doen', aan deelnemen. In die zin is het feest te vergelijken met ons Kerstfeest.

Orthodoxe joden hebben aan de voorbereidingen van het feest meer werk dan hun liberale broeders. Weken van te voren moet het hele huis op z'n kop, om het tot in alle hoeken en gaten van "chameets" (in engste zin een mengsel van water en meel dat langer dan 18 minuten heeft gestaan) te ontdoen. Alle attributen die met chameets in aanraking zijn geweest, verdwijnen op zolder en de speciale pésachspullen komen te voorschijn : serviezen, bestek en ander keukengerei. Voorwerpen die met het gezuurde in aanraking zijn geweest en die toch nodig zijn, worden met kokend water gereinigd. Ongeoorloofde voedingsmiddelen worden verbrand.

De herinnering aan de uittocht staat uiteraard nog steeds centraal tijdens de pésach. Vrijheid betekent echter meer dan de bevrijding van slavernij. Met pésach worden de joden erop gewezen dat het slechte in de mens moet verdwijnen. Het gezuurde is daar het symbool

Messiasbelijders

Christenen hebben in de Messias de vervulling gezien van de oudtestamentische ceremoniën. Hét Paaslam is geslacht. Daarom hoeft pésach niet meer gevierd te worden. Voor de messiasbelijdende jodin Rebecca de Graaf-van Gelder heeft pésach echter niet afgedaan. Elk jaar vier ik de herdenking van de uittocht uit Egypte, zo vertelt zij. God heeft ons joden dit feest immers tot een eeuwige inzetting gegeven.

Mevr. De Graaf vertelt hoe zij is gaan zien dat Jeshoea de beloofde Messias is. In Jesaja 53, waar gesproken wordt over het lam dat ter slachting wordt geleid, heb ik Jeshoea ontdekt. Door het geloof in Jeshoea ben ik een jodin gebleven. Het is een verkeerde veronderstelling als zou een jood die in de Messias gelooft, nu geen jood meer zijn. Dat betekent dus dat ik de joodse feesten zoveel mogelijk houd.

Zoveel mogelijk, want in de sjoel (synagoge) mag Rebecca de Graaf niet aan de feesten deelnemen. Thuis viert zij haar vierdagen. Op Grote Verzoendag vast zij en als de seder is aangebroken, schaart zij zich samen met haar „joodse broeders en zusters" rond de tafel. „Er zijn binnen het jodendom vele verschillen, maar we behoren allen tot het joodse volk".

De open deur

Wat mevr. De Graaf tijdens de sederavond viert? De seder is ons gegeven om het verhaal van de uittocht opnieuw te beleven, en dan zo alsof we erbij zijn geweest. Dat is een boeiende aangelegenheid. Hoe ik dit nu vier als een jodin die gelooft datjezus de Messias is? Dat zal ik uitleggen. Het is gebruikelijk om tijdens de seder een stoel klaar te zetten voor de komende Messias. Immers, wellicht komt Hij vanavond? Daarom wordt op een gegeven moment dan ook de deur opengezet. Als die deur opengaat en ik met mijn broeders en zusters die de Messias nog niet kennen rond de tafel zit, dan is er in mijn hart: Dank u wel. Eeuwige Vader, dat Hij voor Mij al gekomen is.

Op de sedertafel ligt onder andere een gebraden been dat herinnert aan het paaslam dat geslacht en daarna gegeten werd. Voor mij is dit been de Messias, die Zich gewillig overgaf voor Zijn volk, het Lam over Wie Jesaja spreekt. Zó kan ik de seder vieren. Daarbij moet ik altijd denken aan de woorden uit Jeremia 31: Zij zullen mij allen kennen van de hun kleinste tot hun grootste toe.

Waarschuwing

Gelovigen uit de heidenen hoeven pésach niet te vieren, aldus mevr. De Graaf, al mogen zij het volgens haar wel. Maar voor hen geldt niet dat het tot een eeuwige inzetting gegeven is. Dat pésach door messiasbelijdende joden niet meer gevierd zou hoeven worden omdat het feest in de Messias zijn vervulling heeft gevonden, bestrijdt zij. God heeft ons een bijzondere waarschuwing gegeven in de verheerlijking van Jezus op de berg Tabor. Mozes en Elia spreken daar met Hem over Zijn uitgang, die Hij te Jeruzalem zou volbrengen. Zij wisten dus welke weg Jeshoea moest gaan. Hierin zie ik een verbinding en géén breekpunt tussen Mozes en de profeten enerzijds en Jezus anderzijds. Het is alsof God zegt: Denk erom, het zal zonder Mozes en de profeten, zonder Israël, niet gaan.

Vandaag is het Goede Vrijdag. Mevr. De Graaf noemt het bevreemdend „dat dit voor christenen geen erkende christelijke feestdag is". „Het wonder van deze dag is immers dat het voorhangsel in de tempel scheurde en dat gelovigen uit de volken in de tempel mochten komen, wat voordien niet het geval was. Deze vrijdag is eerst recht een Goede Vrijdag wanneer we niet alleen Zijn dood gedenken. Dat is maar de helft. We moeten ook feestvieren omdat we in Israël ingelijfd zijn en de naam van Sions kinderen dragen. Zou deze vrijdag daarom niet een feestdag moeten zijn die gelovigen uit de volken officieel zouden moeten vieren?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

„En zij slachtten het pascha op de veertiende der eerste maand

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1988

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken