Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wie waren de jonge professoren die zo zeker waren van hun enige troost ?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wie waren de jonge professoren die zo zeker waren van hun enige troost ?

Praktisch kerkewerker en studeerkamergeleerde werkten aan vorstelijke opdracht

7 minuten leestijd

Respectievelijk zesentwintig en achtentwintig waren ze, Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus, toen ze in Heidelberg hun catechismus opstelden. In een catechismuspreek wil hun 'jonkheid' nog wel eens met bewondering genoemd en de jeugd ten voorbeeld gesteld worden. Maar daar blijft het meestal bij. Wie waren deze vermaarde professoren die zo zeker waren van hun enige troost?

In 't heetst gevaar worden soms de schoonste geloften gedaan, maar of ze altijd betaald worden? Wat Olevianus betreft in elk geval wel. Toen de jonge Caspar in het Franse Bourges te water raakte omdat hij zijn vriend, de zoon van keurvorst Frederik de Vrome van de Palts, van de verdrinkingsdood wilde redden, dreigde hij zelf zijn manmoedige daad met de dood te moeten bekopen. In dat benauwde ogenblik beloofde hij God, als Deze hem zou sparen, zijn leven geheel in dienst van het Evangelie te stellen. Sinds die tijd heeft Olevianus zich nog meer toegelegd op de studie van de Heilige Schrift en de boeken der Reformatie, in het bijzonder die van Calvijn.

Enige troost

Olevianus werd in 1536 geboren in de grijze bisschopsstad Trier. Zijn ouders, gegoede burgers, waren met hart en ziel het rooms-katholicisme toegedaan. In zijn jonge jaren kreeg Caspar godsdienstonderwijs van een oude priester. De welgemeende lessen van deze grijsaard is hij nooit vergeten. Ze hebben hem op een ander spoor gezet. De man sprak over de verzoeningsdood van Christus als de enige troost in leven en sterven... Caspar bleek een begaafd leerling. Voor verdere studie vertrok hij naar Parijs, Orleans en Bourges. In 1557 werd zijn studie in Bourges afgerond met een doctoraat in de rechtswetenschappen. In zijn studententijd kwam Caspar in aanraking met aanhangers van de gereformeerde leer. Hij werd voor de gereformeerde overtuiging gewonnen en sloot zich aan bij een hugenotengemeente. Nadat Olevianus beloofd had zijn leven in dienst te stellen van het Evangelie, ging hij voor verdere studie naar Geneve, Lausanne en Zurich. Hij zat aan de voeten van Calvijn, sloot vriendschap met Beza en ging op aandrang van Farel terug naar Trier om daar de handschoen tegen het pausdom op te nemen. De strijd voor de reformatie van Trier deed hem in de gevangenis belanden. In 1560 vinden we Olevianus in Heidelberg, waar hij een jaar later promoveert tot doctor in de theologie. Hij wordt hoogleraar in de dogmatiek en trouwt „eine fromme Witwe", Philippine geheten. Al spoedig maakt Olevianus in Heidelberg kennis met Zacharias Ursinus, die in 1561 in Heidelberg aankwam. Na korte tijd draagt Olevianus een groot deel van zijn werkzaamheden aan de Heidelbergse faculteit over aan Ursinus.

Niet alleen qua karakter en aanleg verschilden beide mannen, zoals we straks nader zullen zien, ook hun werkwijze was anders en hun voorgeschiedenis liep uiteen. Ursinus werd in 1534 geboren in een armlastig gezin in Breslau, dat in die dagen nog bij Oostenrijk behoorde. Het lutheranisme kreeg in deze streek spoedig voet aan de grond. Ursinus' vader werd in Breslau geëerd wegens zijn geleerdheid en godsvrucht. Ook de jonge Zacharias bleek een studiebol; toen hij zestien jaar oud was, vertrok hij naar de hogeschool te Wittenberg waar Melanchton de toon aangaf.

Na Wittenberg studeerde Ursinus in Geneve en Zurich. Hij maakte kennis met mannen als Calvijn en Bucer. Eenmaal terug in Breslau, waar hij als docent ging werken, raakte Ursinus gewikkeld in de strijd rond de sacramentsleer. Hoewel Ursinus zich in de strijd met de lutheranen altijd achter Melanchton had geschaard, bleek uit zijn boekje "Stellingen over de Sacramenten, over de Doop en over het Avondmaal des Heeren" —een produkt van zelfstudie— dat hij meer met de Zwitserse reformatoren overeenstemde. Om verder gekrakeel met de lutheranen te voorkomen, verliet hij Breslau en vertrok naar Zurich, waar hij zijn intrek nam bij Petrus Martyr. Hier werd het Ursinus pas recht duidelijk: hij was geen lutheraan meer, kon evenmin zoals Melanchton een bemiddelend standpunt innemen, maar moest strijden aan de zijde van Calvijn c.s.

Uitnodiging

In 1561 ontving Martyr de vererende uitnodiging van Frederik III, keurvorst van de Palts, om als hoogleraar naar Heidelberg te komen. De reeds bejaarde professor zag er nogal tegen op om een dergelijke taak op zich te nemen. In zijn antwoord aan de keurvorst beval hij Ursinus in zijn plaats aan. Zo kon het gebeuren dat de wegen van Ursinus en Olevianus elkaar in datzelfde jaar kruisten.

In een typering van beide mannen schreef ds. G. Bouwmeester in een boekje over Olevianus (uitgave Willem de Zwijgerstichting): „Was Ursinus meerde man van de studeerkamer, de diepe, eerlijke, trouwe vorser, die de kerk in allerlei moeilijke vragen duidelijk de weg heeft gewezen, de dogmaticus, catecheet en apologeet, Olevianus is veel meer de man van het praktische kerkewerk geweest. Een onvervaard, moedig, bezield prediker; een kerkreformator, die het kerkelijke leven ook na de diepingrijpende hervormingen in vaste banen wist te leiden. Een man, die prachtig werk gedaan heeft voor de liturgie en kerkenordening der Gereformeerde kerken".

Opdracht

Olevianus en Ursinus hadden hun benoeming in Heidelberg te danken aan Frederik III, die in 1559 in de Palts aan de regering was gekomen. Frederik besloot de Reformatie van de Palts ter hand te nemen en wenste de theologische faculteit in Heidelberg met gereformeerde mannen bezet te zien. In het kader van zijn reformatiearbeid benoemde Frederik een commissie (1562) die zich moest buigen over een leerboek dat gebruikt kon worden in de kerk en op school. Olevianus en Ursinus kregen de opdracht zo'n leerboek samen te stellen. Het resultaat is bekend.

Een van de eerste dingen die de opstellers gedaan hebben was een overzicht maken van de catechetische literatuur uit de gereformeerde kerken van die dagen. Met hetgeen in Straatsburg, Bazel, Zurich, Geneve, Emden en Londen op het gebied van de catechese was uitgegeven, konden zij in elk geval hun winst doen. De pennevruchten van mannen als Bullinger, Leo Judea, Oecolampadius, Bucer en Capito, Calvijn, a Lasco en Micron werden bijeenvergaard en omgebouwd tot een nieuwe catechismus. Veel is er over het ontstaan van de Heidelberger geschreven. Nog steeds is er geen eenstemmigheid over het aandeel dat beide mannen bij de opstelling van dit leerboek hebben gehad. Algemeen wordt aangenomen dat Ursinus zich heeft beziggehouden met het opstellen van de tekst. Vast staat dat hij twee voorontwerpen schreef, een zogeheten Major en Minor.

Eindredactie

Olevianus heeft de hand gehad in het vaststellen van de eindredactie, in de rangschikking en ordening van de stof en in het accentueren van het persoonlijk karakter van de vragen en antwoorden. Voorts zou Olevianus verantwoordelijk zijn voor een sterker christologisch karakter van sommige vragen en antwoorden. In de eerste uitgave van de Heidelberger (1563) kwam de bekende vraag over het onderscheid tussen het heilig avondmaal en de paapse mis nog niet voor. Vraag en antwoord 80 zijn later op last van de keurvorst door Olevianus toegevoegd, eerst in beknopter vorm (tweede uitgave) en later in scherper en uitgebreider vorm (derde uitgave). Ook de formulering van Zondag 5 en 6 is van Olevianus afkomstig.

De tweede en derde uitgave van de Heidelbergse Catechismus kwamen ook in 1563 gereed. De laatstgenoemde is de officiële uitgave geworden. Ook na de verschijning van de catechismus stond beide mannen nog veel werk te wachten. Al hun kracht hebben zij gegeven aan de voortgang van de Reformatie. ' Strijd en moeite was hun deel. Op tamelijke jonge leeftijd —Ursinus was 48 er Olevianus 50 jaar— zijn beiden gestorven. Hun schriftelijke nalatenschap was groot en is velen tot troost.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1988

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Wie waren de jonge professoren die zo zeker waren van hun enige troost ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1988

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken