Bekijk het origineel

Zwemmende knobbelzwaan maakt een defdge indruk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zwemmende knobbelzwaan maakt een defdge indruk

Oorspronkelijk stoffeerde de zwaan alleen kasteelgrachten

13 minuten leestijd

De wilde knobbelzwaan is een schuwe vogel, die op grote meren en langs rivieren in Oost-Europa broedt. In West-Europa en in ons land leven vrijwel uitsluitend nakomelingen van ontsnapte of vrijgelaten tamme zwanen. Die verwilderde knobbelzwanen leven plaatselijk in volle vrijheid. Daardoor lijkt het alsof deze sierlijke vogels altijd tot onze avifauna hebben behoord. Dat is echter niet het geval. Jac. P. Thijsse noemt de knobbelzwaan zelfs niet in zijn standaardwerk "Het Vogeljaar". Tachtig jaar geleden waren knobbelzwanen uitsluitend vogels van parkvijver en kasteelgrachten. Nu leven ze zelfs in kleine poldersloten. Sinds de twaalfde eeuw worden deze zwanen in tamme staat gehouden. Ridders namen deze sierlijk vogels mee vanuit de landen bij de Middellandse Zee. Volgens de overlevering zou Richard Leeuwenhart de eerste knobbelzwaan hebben meegebracht van Cyprus, als een aandenken aan een van zijn kruistochten.

Zwanendrift

Knobbelzwanen werden eeuwenlang gehouden voor de consumptie en voor hun waardevolle dons, maar ook reeds als siervogels. Ridders hielden ze graag in de slotgrachten van hun kastelen. Niet iedereen mocht zwanen houden. Het was in de riddertijd een voorrecht van de adel. Aan adellijke lieden werd een erfelijk recht verleend tot het houden van een zogenaamde "zwanendrift".

In de Jachtwet wordt met het woord "zwanendrift" aangeduid „het uitsluitend recht tot het houden van zwanen binnen een bepaald gebied". Het woord wordt ook gebruikt voor een koppel bij elkaar zwemmende zwanen.

Het houden van knobbelzwanen in zwanendriften heeft vele eeuwen voortgeduurd. Zo'n zwanendrift was vaak erg groot en er leefden enkele honderden broedparen in zo'n gebied. Die zwanen waren geleewiekt, waardoor ze niet konden wegvliegen. Het waren tamme vogels.

Zonder twijfel zullen er in de eeuwen die voorbij zijn gegaan uit zo'n zwanendrift weleens vogels zijn verwilderd. In deze eeuw kwamen er tot de jaren veertig echter vrijwel geen verwilderde knobbelzwanen voor in ons land. Daarna veranderde dat snel. Volgens J. den Hollander van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging werd het aantal verwilderde knobbelzwanen in ons land geschat op tussen de 15.000 en 20.000 stuks.

Snelle toename

De knobbelzwaan is in ons land in 1930 voor het eerst in wilde staat gaan broeden in de omgeving van Giethoorn en Genemuiden en in het Naardermeer. Pas in 1945 werd weer een broedgeval vastgesteld, opnieuw in het Naardermeer. Twee jaar later kwam een paar van deze zwanen tot broeden bij Wanneperveen. De eerste twintig jaar na het eerste broedsucces waren dit incidentele gevallen. Tot die tijd waren knobbelzwanen slechts zeldzame wintergasten in ons land. De enkele broedparen waren zonder twijfel verwilderde exemplaren en geen wilde knobbelzwanen. Na de Tweede Wereldoorlog ging Langdurig streng winterweer maakt nog wel eens slachtoffers onder zwanen. de ontwikkeling snel. In 1948 was er een uniek geval bij Kampen. Een wilde knobbelzwaan paarde met een tamme soortgenoot. Dit huwelijk met een parkzwaan had succes. Het volgende jaar huisden er twee paar knobbelzwanen in de uitgestrekte biezenvelden van het Zwarte Meer. In het najaar waren er daar meer dan twintig.

Niet schuw

In 1956 waren er reeds twintig broedparen in ons land. Daarna liep het aantal knobbelzwanen terug. In de jaren zestig en zeventig vestigde zich een groot aantal broedparen in ons land. Dit kwam doordat de handel in zwanen en in hun dons niet meer lonend was. De houders van zwanen leewiekten de jonge vogels niet meer. Die konden dus gemakkelijk ontsnappen, of ze werden losgelaten omdat ze geen waarde meer hadden.

De populatie werd voor het grootste deel door afstammelingen van deze tamme zwanen aangevuld. Voor slechts een zeer klein gedeelte is de snelle toeneming van het aantal knobbelzwanen het gevolg geweest van de vestiging van wilde vogels. Verwilderde of half verwilderde zwanen zijn niet schuw en blijven vaak in de omgeving van de mensen. In de eerste jaren van de snelle toeneming kon men de meeste knobbelzwanen aantreffen in de omgeving waar ze tot de jaren zestig werden gefokt. Volgens de "Atlas van de Nederlandse vogels" (1987) ligt het aantal broedparen in ons land tussen de drie- en vierduizend. Aan de zwarte knobbel op de snavel heeft de knobbelzwaan zijn naam te danken. (Foto Schouten van der Velden Visuele Productions)

Knobbelzwanen kiezen hun nestplaats graag in de rietkraag. Daar bouwen zij een groot en hoog nest van dode rietstengels en biezen. Zij maken hun nest ook wel op andere plaatsen, soms geheel onbeschermd, maar steeds dicht bij het water. Het vrouwtje legt vijf tot acht eieren, waarop ze ongeveer vijf weken zit te broeden. Wanneer zij het nest moet verlaten om snel wat te eten, bewaakt het mannetje het nest, maar hij neemt de broedtaak vrijwel nooit over. Het vrouwtje bedekt dan de eieren met los nestmateriaal.

De jongen worden goed verzorgd en beschermd door de oude vogels. Wanneer een mens of een dier het nest of de jongen te dicht nadert, neemt de oude vogel een dreigende houding aan. Een nijdige zwaan, die met uitgestrekte hals en felle vleugelslagen, dreigend en sissend op een vermeende vijand afkomt, maakt genoeg indruk om de indringer snel te doen verdwijnen.

Jonge zwanen zijn in het eerste jaar bruingrijs. Hun snavel en poten zijn lichtgrijs. Pas in het tweede jaar komen na de rui witte veren te voorschijn. In het % Knobbelzwanen kiezen hun nestplaats graag in een rietkraag. derde jaar zijn de jonge vogels volwassen en hun poten zijn zwart. Zij blijven meestal tot de winter bij de oude vogels. Wanneer in het voorjaar de broedtijd aanbreekt, worden de jonge vogels die nog in de omgeving zijn verjaagd. Het broedterritorium wordt dan fel verdedigd tegen soortgenoten, want in ons land broeden knobbelzwanen vrijwel altijd solitair. Op enkele plaatsen in Engeland en Denemarken leven ze in kolonies.

Sierlijke vogels

De knobbelzwaan is een vogel die door z'n smetteloos witte kleur en de statige manier waarop hij zwemt, een 'deftige' indruk maakt. Zwanen kunnen rustig op het water drijven. Nog mooier is het wanneer ze hun vleugels, los van hun lichaam, half omhoog zetten en als levende zeilbootjes door het water glijden. Een beetje romantiek komt er ook bij. Kinderen maken al kennis met zwanen wanneer ze nauwelijks aan de hand van hun moeder kunnen wandelen in het stadspark.

Het is een genot om zwanen te zien vliegen. Met hun grote vleugels maken ze langzame gelijkmatige slagen, waardoor het suizend geluid van de wind door I hun vleugels duidelijk te horen is. De start vanaf het water gaat niet zo makkelijk.

Zwanen rennen als het ware, al trappelend, een eind over het wateroppervlak en slaan daarbij snel maar ondiep met de vleugels, totdat ze op snelheid komen en langzaam van het water losraken. De wind maakt dit voor dè vogels gemakkelijker, doordat de snellere luchtstromingen extra lift veroorzaken. Daarom stijgen zwanen, precies als een vliegtuig, tegen de wind in op.

Overlast

Over het eerste honderdtal zwanen, verspreid in het land, maakte niemand zich zorgen. Die grote witte vogels, met hun statige verschijning, stofferen immers het landschap op bijzonder mooie manier. Toen de zwanen zich echter op veel plaatsen in groot aantal gingen ophouden, veranderde de mening van de lanbouwers, want de vogels veroorzaken nogal wat schade door vraat, vervuiling en vertrapping.

De problemen kwamen vooral na 1968. Tot die tijd voedden de zwanen zich voornamelijk met zoetwaterplanten, vooral met fonteinkruid. De uitgestrekte fonteinkruidvelden in het IJsselmeer verdwenen echter door verontreiniging van het water. Daarmee verdween een belangrijke voedselbron voor de zwanen. Sinds die tijd gingen de knobbelzwanen steeds meer hun voedsel op het grasland zoeken.

Het is niet zo erg dat zwanen in de winter het gras kort houden. Het is veel funester dat ze de grasmat bevuilen door hun uitwerpselen. De boeren hebben onbewust meegewerkt aan het probleem. Zij gingen de graslanden vaker scheuren en opnieuw inzaaien met hoogwaardige grassoorten. Ook werd er m.eer stikstof toegediend. Daardoor ontstond een bijzonder malse grasmat, die smakelijk voedsel voor de zwanen oplevert.

Een zwaan kan een grote hoeveelheid gras verorberen. "Twee zwanen eten evenveel als een koe" is een bekend gezegde. Knobbelzwanen zijn tamelijk zware vogels met vrij grote poten. Ze

Knobbelzwanen zijn tamelijk zware vogels met vrij grote poten. (Foto Schouten van der Velden Visuele Productions) vertrappen het jonge gras. De mest die zij achterlaten vormt het grootste probleem. De grote keutels worden door het vee gemeden; daardoor wordt het grasland niet meer intensief begraasd. Wanneer in de winter en het in voorjaar een grote troep zwanen op een weiland met jong gras neerstrijkt, kunnen die vogels dat grondig vernielen.

Goede eigenschap

Knobbelzwanen hebben niet alleen een schadelijke eetgewoonte, maar ook een goede. Samen met de meerkoeten voorkomen zij dat de moeras- en piassengebieden verlanden en daardoor verdwijnen. Veel zwanen houden zich op in sloten en vaarten in onze cultuurlandschappen. Door hun voedselkeuze helpen zij mee om het water schoon te houden. Knobbelzwanen nuttigen vrijwel uitsluitend plantaardig voedsel en kunnen de planten met hun lange hals tot diep in het water bereiken. Een zwaan eet ongeveer drie kilogram per dag en houdt dus flink opruiming onder de snelgroeiende waterplanten. Hij heeft dus een milieuvriendelijke eigenschap!

Sloten en vaarten in onze cultuurstreken moeten op tijd worden geschoond en op diepte gehouden, om de waterhuishouding optimaal te laten functioneren. Dat schonen gebeurt in onze tijd vrijwel overal mechanisch. Dat is vrij kostbaar en die ingreep is vaak ook te drastisch. Door de grove mechanische manier van werken wordt de flora van de sloten en hun oevers ernstig verstoord. Zwanen houden opruiming op een milieuvriendelijke en goedkope manier.

Beleid

„Knobbelzwanen zijn mooie vogels die tot de verbeelding van het publiek spreken. Dat maakt bestrijdingsacties er niet gemakkelijker op. Voorlichting op de goede manier, waaruit blijkt dat ook mooie vogels schade en overlast kunnen aanrichten en dat voorkoming van die schade ook in het belang van de vogel is, moet dan ook aan de daden voorafgaan. Wellicht dat het rapen van eieren en het verstoren van nesten door deskundigen, op landelijke schaal gecoördineerd, een betere oplossing biedt dan afschot". Aldus schreef J. den Hollander in "De Nederlandse Jager" van 6 februari 1986.

Het is inderdaad noodzakelijk om te zorgen dat het aantal knobbelzwanen in ons land niet verder toeneemt. Indien aan de uitbreiding van de populatie, door het broedsucces, geen paal en perk wordt gesteld, gaan landbouwers zelf soms onverantwoorde maartregelen nemen. In Het Gooi gingen eens tientallen zwanen dood, waarvan bleek dat ze waren vergiftigd.

Vergoeding is voor de landbouwers slechts aanvaardbaar als de schade niet al te grote vormen aanneemt. Als een pas ingezaaid weiland door zwanen grondig wordt vernield, wordt dit niet volledig goedgemaakt door geld. Vogelliefhebbers dienen daarvoor begrip te hebben en hun beleid daarbij aan te passen. ^ilonder er bij na te denken zingen wij de laatste drie regels van Psalm 79:1: „Hun lijken, onbegraven, verzaden, na hun dood, 't gediert' in hongersnood, en gier en kraai en raven". Daarmee is zuiver de situatie weergegeven zoals die in Israël voorkwam. In de onberijmde psalm wordt de gier echter niet genoemd. Er staat slechts: „Zij hebben de dode lichamen uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven..."

Dat in de berijming de gier als eerste wordt genoemd, is verklaarbaar. Deze vogel is een aaseter bij uitstek en was in vorige eeuwen een lugubere bezoeker van slagvelden. Dat de gier niet wordt genoemd in de Bijbel, komt door een vertaalfout. Azaria Alon geeft daarvan in zijn boek "Flora en fauna in het land van de Bijbel" een uitvoerige verklaring, die ik in haar geheel overneem.

Koninklijk

„De in de Bijbel als "nesher" aangeduide vogel vindt men in vertalingen meestal terug als arend; zoölogen zijn het daar echter niet mee eens. Zij geven direct toe dat in Griekenland en Rome de adelaar de koning der vogels was, maar verzekeren dat dit epitheton (toenaam of bijnaam) in Israël —terecht— werd toegekend aan een soort waar men in Europa geen hoge dunk van heeft: de vale gier (Gyps fulvus).

Zijn voorliefde voor aas weerhield onze voorvaderen er niet van hem koninklijke eigenschappen toe te schrijven. Welke de vooroordelen ook mogen wezen, deze gieren zijn de grootste, indrukwekkendste en meest op de fantasie werkende van alle in Israël te vinden vogels.

Tot het begin van de jaren zestig kon men ze hier bij duizenden waarnemen en talloze nesten bevonden zich in holen en scheuren van steile rotswanden, maar de moderne samenleving met haar jagers en haar hygiënische voorschriften, die niet toestaan dat aas blijft liggen rotten, heeft de populatie gedecimeerd". Tot zover Alon.

Kaal

Roofvogels voeden zich met dieren, die ze meestal zelf vangen en doden. Enkele soorten eten ook aas. Eén groep roofvogels echter, de gieren, heeft zich gespecialiseerd in het opsporen en eten van aas. Daarvoor zijn deze vogels geschapen. De meeste gieren hebben zware snavels waarmee ze zelf grote karkassen uit elkaar kunnen rukken. Hun poten zijn niet geschikt om prooi te vangen, want de tenen zijn te lang en de nagels zijn te stomp. Gieren kunnen er wel goed mee lopen. De meeste roofvogels komen zelden op de grond; gieren lopen juist vaak en langdurig bij hun prooi. De meeste soorten hebben een vrijwel kale kop en hals. Die worden door het leegeten van lichaamsholten in de prooi met bloed besmeurd. Als kop en hals met veren zouden zijn bedekt, zouden die niet goed kunnen worden gereinigd. De tong van de vale gier is bezet met tandvormige, verhoornde papillen. Daardoor worden brokken vlees goed in de snavel vastgehouden.

Therm iekzeilers

Aas ligt meestal wijd verspreid en moet worden opgespoord. De vale gier is daardoor genoodzaakt verre vluchten boven een groot gebied te maken. Alle soorten gieren zijn meesters in de zweefvliegkunst. Ze laten zich drijven op de opstijgende warme lucht, de thermiek. Dan kunnen zij van grote hoogte het gebied verkennen en zonder veel inspanning enorme afstanden afleggen.

Het gebied dat de vale gier kan controleren wordt nog groter doordat de vogel op het gedrag van andere gieren let. Het resultaat is dat een kadaver al gauw bezocht wordt door een hele troep van die hongerige vogels.

Alle gieren van de oude en nieuwe wereld staan bekend als echte zweef vliegers. Het zijn allemaal zwaargebouwde vogels met sterke poten en klauwen. Ze hebben brede vleugels met als vingers gespreide grote slagpennen. Die geven bij lage snelheden een goede en snelle lift. Ook kunnen ze daardoor in nauwe cirkels draaien.

Gieren stijgen al cirkelend op een thermiekzuil tot de top, soms wel 2000 meter hoog. Dan zweven ze in een lange glijvlucht naar de volgende thermiekzuil en stijgen daar weer tot enorme hoogte. Met hun scherpe ogen ontdekken ze de kleinste kadavers en ruimen de dode dieren dan snel op. Vooral in het verleden waren deze vogels daardoor zeer nuttig. Raven en kraaien hielpen daarbij mee. De berijming „en gier en kraai en raven" is dus goed gekozen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1988

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Zwemmende knobbelzwaan maakt een defdge indruk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1988

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken