Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De zee liet bij haar vele inbraken in het land 'n spoor van jonge zeeklei achter

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De zee liet bij haar vele inbraken in het land 'n spoor van jonge zeeklei achter

Tot 900 na Christus zette de natuur het patroon van het land uit, daarna de mens

7 minuten leestijd

Het zuidwestelijke zeekleilandschap. Een zakelijke benaming, die suggereert dat het één landschapstype is. En al mag het zich aan de onwetende toerist zo voordoen: vlak, kaal en winderig, zo eenvoudig is het stellig niet. Er is binnen dat zeekieilandschap nogal wat variatie. Tot circa 900 na Christus was het de natuur die het patroon uitzette. De huidige geologische periode, het Holoceen, is een periode van zeespiegelstijging. Vrijwel geheel laag Nederland is bij de sterkste uitbreiding van het water in deze periode een ondiepe zee geweest. Daarin heeft het water eeuwenlang zijn materiaal neergelegd en de zee opgevuld. Voor de huidige kustlijn vormden zich strandbanken en wallen, die geleidelijk de kustzee afsloten.

In die ondiepe zee stroomden de grote rivieren uit: de grootvaders van de Schelde en de Maas. In dit niemandsgebied tussen land en water speelden de getijden hun wisselend spel: overstromen, materiaal afzetten, zich terugtrekken. Op deze wijze is op de pleistocene zandondergrond een pakket afzettingen gekomen die in dikte variëren van O meter langs de Belgische grens tot circa 27 meter op Voorne.

Figuur 3. De gehavende noordkust van Noord-Beveland. Tal van dijkresten (nollen) wijzen op aanslagen van stromingen op die plaats. (Recente dijkverzwaring heeft overigens deze gelede kustflirik vereenvoudigd.) Het zijn de afzettingen van Calais, de oude wadafzettingen („oude blauwe zeeklei").

Planten de baas

Vertraagde zeespiegelstijging en voortgaande sedimentatie leidden ertoe dat grote delen van deze lagune-achtige zee droog vielen. Dan.gaan de planten hun rol meespelen: eerst de zoutvegetatie, later riet en biezen, nog later houtige gewassen als wilg en els en ten slotte zelfs het veenmos. Uit al het afgestorven plantenmateriaal vormde zich in dit milieu veen: het zogenaamde „Flollandveen" ontstaat. Zo hebben de Romeinen Zuidwest-Nederland aangetroffen: een super-Biesbos. Kreken, moerasbos, veengroei, met alleen langs de rivier- of zeearmen en in de duinen wat nederzettingen. En de Romeinen zelf streken daar ook neer: in Aardenburg op een

Figuur 2. Een dijk op SchouwenDuiveland. Hier is de zeespiegelstijging zichtbaar aan de dijk: het oude niveau van voor 1920, daarop een Muraltmuurtje en achter de weg over de oude kruin de ophoging tot Deltahoogte. zandrug, langs de oevers van de oerSchelde bij Domburg en Colijnsplaat, getuige vondsten van Romeinse tempels bij de laatste plaatsen.

Afbraak en opbouw

Maar opnieuw rukt de zee op: inbraken schuren brede en diepe geulen uit. De post-Romeinse transgressies heten ze officieel, overstromingen in de tijd na de Romeinen. Maar ze zouden er best eens (mede) de oorzaak van geweest kunnen zijn dat de Romeinen hier verdwenen. Waar kreken en geulen ontstaan. wordt het slappe veen weggevreten door de zee; op andere plaatsen, vaak ver van de stromen, blijft het aanwezig. Maar waar het blijft of waar het verdwijnt: overal worden opnieuw zee-afzettingen gedeponeerd: zandige, maar vooral kleiige afzettingen: de jonge zeeklei („afzettingen van Duinkerke").

En eigenlijk verkeert het zuidwestelijke zeekleigebied nog in dezelfde fase. Er zijn nog vele inbraken van de zee in dit gebied geweest. Wezenlijk waren ze niet anders dan deze postRomeinse inbraken: ze schuurden uit en zetten elders weer jonge zeeklei af. En na de ramp van 1953 lag op de schoorsteenmantel van mijn ouderlijk huis een flink laagje jonge zeeklei en waren de bladzijden van de boeken door de „afzetting van Duinkerke" verkleefd.

Menselijke bewoning

In de tijd van de invallen van de Noormannen legden de bewoners van de Vlaamse kuststreek een serie burchten aan ter bescherming van het achterland tegen deze benden: Oostburg, Souburg, Middelburg, Burgh. Daarmee raakte het gebied ook in de greep van de ontginningswerkzaamheden van Vlaamse kloosters en abdijen.

Niet dat er daarvoor geen mensen leefden. Schaapherders van hoger gelegen gronden trokken 's zomers het gebied in, er stonden wat hoeven op lage bewoningshoogten (bij voorbeeld bij Baarsdorp ten westen van Goes langs Rijksweg 58) of bij kleine en steile vluchtbergen. Vanzelfsprekend zochten deze oude 'kolonisten' de hogere delen: de zogenaamde kreekruggen, zandiger, hoger gelegen stroken op de plaatsen van oude kreekstelsels. Ook de eerste verbindingen liepen over deze kreekruggen. Dat is er de oorzaak van dat in dit toch zo vlakke en strakke land sommige oude weggetjes zo kronkelen dat men elk richtingsgevoel kwijtraakt.

Oud- en Nieuwland

De middeleeuwer echter past zichzelf niet zomaar bij de natuur aan, maar gaat in de aanval. Wellicht overigens gedwongen door overstromingen in de 12e eeuw. De kernen van de latere eilanden worden bedijkt. En buiten deze dijken groeit het schor, in de breedte en in de hoogte. Tot ook dat weer bedijkt wordt, strook voor strook.

In het landschap is zo'n oude kern herkenbaar als een dijkloos gebied, vaak omgeven door tal van kleine polers met evenzovele dijken. Deze oudste bedijkingen worden als landschapstype „Oudland" genoemd. Het kenmerkende is het overheersen van de grillige, ronde vorm: kronkelende wegen, perceelsgrenzen met grillig verloop, hoge kreekruggen en lage poelgronden, nederzettingen van het ringdorptype: de kerkring als centrale rondweg. Zelfs een „holleboUige" ligging van oude weilanden, als in de Middeleeuwen op sommige plaatsen veen uit de ondergrond weggehaald is. Van dit Oudland zijn maar restjes meer te zien in oude staat (onder andere Yersekese Moer; een reservaatje in de Goese Poel; bij Arnemuiden).

Bedijkingen van na de 12e eeuw worden gerekend tot het „Nieuwland". Soms zijn het zandige eilanden midden in de stromen, („opwassen") later omgeven door ingepolderde stukken schor („de aanwassen"). De „opwassen" zijn soms fraai cirkelvormig (zoals bij voorbeeld de polder "Dirksland"). Vooral opvallend is het landschappelijke verschil met het Oudland bij de polders die na 1700 ontstaan zijn. Daar is niet de ronding, maar de rechte lijn en de rechthoek het kenmerkende: bij de kavels, de wegen, de dijken, de dorpen: straatdorpen of kruiswegdorpen of zelfs wiskundig geconstrueerde dorpen: op een rechthoek gebaseerd volgens de verhouding van de gulden snede (Borsele, Colijnsplaat). Duidelijke voorbeelden van het jonge Nieuwland vinden we bij voorbeeld op Noord-Beveland en in West-Zeeuws-Vlaanderen.

Gebruik en inrichting

Het landschap wordt voor een groot deel mede bepaald door het gebruik dat de mens ervan maakt. In de zuidwestelijke zeekleigebieden is de landbouw de belangrijkste aankleder. In het Oudland werd en wordt c landbouw het meest door de natuur

Figuur 1. Het voorkomen van dijken en enkele andere vormen van reliëf in Zuidwest-Nederland. gedicteerd: op de lage poelgronden kon alleen slecht weiland, op de hogere kreekruggen was akkerbouw en fruitteelt mogelijk. Het gaafst is dit nog te zien tussen Kapelle en Yerseke op ZuidBeveland. Maar ook daar hebben de schaaf en het mes van de verkaveling hun nivellerend werk gedaan. En dat is op veel plaatsen in het zuidwesten ge• beurd. Ook in het Nieuwland. Want Nieuwland was lange tijd een van Nederlands welvarendste akkerbouwgebieden. De landbouw moest wel bijblijven. En niet overal was de verkaveling optimaal.

Maar ook de huidige problematiek van de akkerbouw laat zich voelen. Driftig wordt gezocht naar lucratieve gewassen. Een landschappelijk interessante bijkomstigheid is dat er daar enkele bij zijn die zeer kleurrijk in het oog springen. Enkele jaren waren zomers akkers felgeel van de Teunisbloemen (overigens snel vergane glorie...)

In 't voorjaar gaan delen een geduchte concurrentie aan met de Bollenstreek, in de voorzomer levert de zaadteelt van eenjarige bloemen op plaatsen een bonte lappendeken van fraaie kleuren op...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1988

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

De zee liet bij haar vele inbraken in het land 'n spoor van jonge zeeklei achter

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1988

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken