Bekijk het origineel

Daniel Rowland onbetwiste leider van

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Daniel Rowland onbetwiste leider van "Evangelical Revival" in Wales

Methodistisch prediker deelde visie Erskines op verhouding wet en Evangelie

11 minuten leestijd

De achttiende eeuw was de eeuw van de Verlichting. De Europese mens werd naar zijn eigen mening mondig. Hij ontworstelde zich aan de banden van wat hij zag als traditie en bijgeloof. Daaronder rekende hij ook de bijbelse boodschap van zonde en genade. Tegenover het getuigenis van de Schrift dat de mens enkel en alleen uit genade zalig kan worden door Christus' bloed, stelde de Verlichting de zelfontplooiing van de mens. De openbaring van God werd ondergeschikt gemaakt aan de menselijke rede. De mens van de Verlichting was niet geheel en al van godsdienst afkerig, maar dan moest het wel een godsdienst zijn binnen de grenzen van de rede. Toch is hiermee niet alles over de achttiende eeuw gezegd.

In deze eeuw vond namelijk ook de "Great Awakening" plaats. God verwekte in deze eeuw predikers die hetzelfde Evangelie verkondigden dat in de eeuwen voor hen gepredikt was door de reformatoren en puriteinen. In de Engels sprekende wereld ontstond een godsdienstige opleving van ongekende omvang.
Aan deze opleving zijn de namen verbonden van mannen als Wesley, Whitefield, de gebroeders Erskine en Jonathan Edwards. Zij waren echter niet de enigen. Dit artikel is gewijd aan Daniel Rowland, de onbetwiste leider van het "Evangelical Revival" in Wales.
Rowland werd in 1711 geboren. Zijn ouders behoorden tot de Anglicaanse Kerk. Zijn vader was "rector" (predikant) van Llangeitho. De oudste broer van Daniel Rowland volgde later zijn vader in deze functie op. Noch zijn vader noch zijn oudste broer was om zijn godzaligheid bekend. Ook Daniel bereidde zich voor op het ambt. In 1731 werd hij tot "deacon" geordend en in 1735 tot "priest". Hij werd "curate" (hulpprediker) bij zijn broer. Aanvankelijk was zijn instelling niet anders dan die van zijn vader en oudste broer.
Maar hierin kwam verandering.
Rowland woonde in de winter van 1734/35 een dienst bij van Griffith Jones. Griffith Jones was een van de weinige Anglicaanse geestelijken in Wales die het Evangelie van vrije genade predikten.
Jones merkte Rowland onder zijn hoorders op en riep uit: „O, dat een woord uw hart moge bereiken, jongeman".

Verlangen
Het verlangen van Jones werd vervuld. Rowland was vanaf die dag een ander mens. Deze verandering was niet het minst in zijn prediking duidelijk merkbaar. Met ernst en bewogenheid begon hij te spreken over de heiligheid en majesteit van God. Zelf was hij gaan beseffen dat we met onze beste werken niet voor God kunnen bestaan en dit besef wilde hij aan zijn hoorders meedelen. Zijn prediking maakte diepe indruk. Velen werden met vrees en ontzetting bevangen en begonnen te worstelen met de vraag wat zij moesten doen om zalig te worden.
In de eerste jaren na zijn verandering sprak Rowland veel over de verdorvenheid van de mens en de heiligheid van God. Hij wenste zijn hoorders met hun diepste nood bekend te maken. Ernstig waarschuwde hij tegen oppervlakkige godsdienst. De persoon en het werk van Christus kregen echter niet die plaats in zijn preken die zij behoren te hebben. Een afgescheiden predikant met de naam Philip Pugh maakte hem hierop opmerkzaam. Hij zei tegen Rowland: „Predik het volk het Evangelie en wend de balsem van Gilead, het bloed van Christus, aan voor hun geestelijke wonden en toon de noodzakelijkheid van geloof in de gekruisigde Zaligmaker".
Rowland reageerde daarop met de woorden: „Ik ben bang dat ik dat geloof zelf niet in zijn kracht en volle beoefening bezit". Pugh antwoordde toen als volgt: „Predik erover tot je het op die manier voelt, ongetwijfeld zal het dan komen".
Rowland heeft het advies van Pugh ter harte genomen. J. C. Ryle, een van Rowlands biografen, stelt dat de bewaard gebleven preken van Rowland opvallen doordat ze zo vol zijn van Christus.

Opmerkelijk
Van heinde en ver stroomden de mensen toe om Rowland te horen. Het kerkgebouw kon de samengestroomde menigte veelal niet bevatten. Zondag aan zondag sprak hij voor duizenden mensen. Op de dag des Heeren was Rowland vrijwel altijd in zijn eigen gemeente.
Door de week sprak hij echter menigmaal buiten de grenzen van zijn gemeente.
De wijze waarop hij daartoe kwam is opmerkelijk te noemen. Een gemeentelid van Rowland kreeg eens bezoek van haar zuster. Toen ze in Llangeitho was, kreeg ze van alles en nog wat over de predikant te horen. Hij zou niet goed in zijn hoofd zijn, het was een fanatieke dweper, enz.
Nieuwsgierig gemaakt, woonde ze een dienst van Rowland bij. Wat hij zei, maakte op haar een onuitwisbare indruk. Van die tijd liep ze elke zondag twintig mijl om Rowland te horen. Dat ging zo een halfjaar door. Toen wachtte zij Rowland na de dienst op en zei hem: „Als wat u ons zegt waar is, verkeren velen in een zeer gevaarlijke toestand, omdat ze pijlsnel naar de eeuwige rampzaligheid gaan. Wilt u vanwege de waarde van hun zielen overkomen en voor hen prediken?". Vanaf die tijd aarzelde Rowland niet om ook buiten zijn eigen gemeente het Woord te bedienen. Als dat mogelijk was, preekte hij in de kerk.
Wanneer de plaatselijke predikant daarvoor geen toestemming gaf, ging hij voor in een huiskamer, een schuur of in de open lucht.

Erskines
Rowland predikte de volle raad Gods. Evenals Whitefield was hij het calvinisme van harte toegedaan. De werken van de Erskines las hij met instemming. Dat gold met name voor hun visie op de verhouding tussen wet en Evangelie. De Erskines leerden dat we gestorven moeten zijn aan de wet in de zaak van de rechtvaardiging willen we in de heiligmaking tot eer van God willen leven.
Wat Rowland aan de Erskines verbond, was het warme en op Christus gerichte karakter van hun theologie en prediking. Bij de Erskines wierp de leer van de verkiezing geen schaduw over de prediking van Gods genade. Zij boden Christus vrij, geheel en met ernst aan al hun hoorders aan. Rowland volgde hen daarin na.
Rowland was een calvinistisch prediker, met een duidelijk bevindelijke inslag. De prediking van de meeste Anglicaanse geestelijken van zijn dagen was puur moralistisch. Bij de predikanten van de afgescheiden kerken in Wales lag dat anders. Het overgrote deel van hen was in de leer calvinist. Howel Harris, een geestverwant en vriend van Rowland, klaagde echter dat de afgescheidenen wel dorsten naar de boom van kennis, maar niet naar de boom des levens.
„Wij", zo stelde Harris, „benadrukken geloof in het hart, meer dan licht in het hoofd. Zij daarentegen onderzoeken het hart niet". Tegenstanders van de "Evangelical Revival" hadden kritiek op uitingen van emoties die plaatsvonden tijdens de diensten van de opwekkingspredikers. Mensen weenden. Het gebeurde wel dat zij uitriepen: Wat moet ik doen om zalig te worden? Anderen gaven op hoorbare wijze uiting van de vreugde die zij in Christus gevonden hadden.

In navolging van Edwards was Rowland van mening dat het werk van Gods Geest niet beoordeeld moet worden aan de hand van de effecten op het lichaam, zoals tranen, zuchten, enz.
De kenmerken van het zaligmakende werk van Gods Geest zijn een waarachtig geloof in Christus, liefde tot Gods Woord, een haten van de zonde. Anderzijds ging het hem te ver de genoemde emotionele uitingen zonder meer te veroordelen. Het waarachtig geloof steekt immers ons hart in brand? Het is dezelfde Geest Die de harten van de gelovigen met onuitsprekelijke vreugde vervult en hen in een nieuw, godzalig leven doet wandelen.

Genuanceerder
De voorstanders van de opwekking werden methodisten genoemd. Een van de kenmerken van de methodistische predikers was hun sterke nadruk op de zekerheid des geloofs. Howel Harris ging zo ver, dat hij gebrek aan zekerheid als een bewijs zag dat de persoon in kwestie nog geen zaligmakende betrekking op Christus had. Rowland benaderde deze zaak genuanceerder. In aansluiting bij de Erskines stelde hij dat er in het ware geloof verschil is in trap en mate. Er is zekerheid en volle zekerheid van het geloof. Sterker dan Harris benadrukte Rowland de objectieve elementen in het christelijk geloof. Harris ontkwam niet geheel aan het gevaar dat het meest wezenlijke van het geloof gezien werd in de zekerheid aangaande eigen staat. Rowland stelde dat de zekerheid eigen is aan het geloof. Geloof kan echter met zware aanvechtingen met betrekking tot eigen staat gepaard gaan. Het meest wezenlijke van het zaligmakende geloof is dat het gericht is op Christus.

Oplossing
Rowland wenste niet met de Anglicaanse Kerk te breken. Velen van zijn hoorders vonden echter in de plaatselijke gemeente waartoe zij behoorden geen voedsel voor hun ziel. De methodistische predikers in Wales vonden hiervoor de volgende oplossing. Overal in het land richten zij "societies" op. In deze "societies" voerden naast predikanten "exhorters" (oefenaars) het woord. Men maakte een onderscheid tussen "general" en "particular societies". Om tot de laatste te worden toegelaten, moest men de zekerheid des geloofs bezitten en de tekenen van wasdom en genade vertonen. De "particular societies" hadden het karakter van gezelschappen. In de "general societies" werd gepreekt.
Men waakte er echter voor dat deze samenkomsten niet samenvielen met de diensten in de parochiekerk. De sacramenten ontvingen de methodisten in de parochiekerk. Deze werden niet in de samenkomsten van de "societies" bediend. Het zal duidelijk zijn dat de kerkleer niet de sterkste zijde van Rowland en de zijnen was. Onmiskenbaar zijn subjectivistische tendenzen aantoonbaar. Bij Harris was dat trouwens veel sterker het geval dan bij Rowland. Rowland was zich bewust dat we ons oordeel over de geestelijke staat van anderen op objectieve maatstaven moeten baseren.

Tweeslachtig
De verhouding van de methodistische predikers in Wales tot de Anglicaanse Kerk is als tweeslachtig te typeren. Enerzijds wilden zij deze kerk niet verlaten, anderzijds vormden zij met hun "societies" een kerk in de kerk. Het is ten slotte uitgelopen op een kerk naast de kerk, de Welch Presbyterian Church, maar dit vond pas plaats enkele tientallen jaren na de dood van Rowland. Feit blijft dat velen in de societies geestelijk voedsel vonden, terwijl ze in de parochiekerken stenen voor brood ontvingen.
Zoals we gezien hebben, diende Daniel Rowland de gemeente van Llangeitho als hulpprediker van zijn oudste broer.
Toen deze in 1760 door verdrinking om het leven kwam, lag het voor de hand dat hij de plaats van zijn broer als "rector" van Llangeitho zou innemen. De bisschop van St. Davids, onder wie de parochie van Llangeitho ressorteerde, zag het optreden van Daniel Rowland echter met lede ogen aan. Uit wraak passeerde hij Daniel Rowland bij de benoeming en stelde hij diens zoon tot "rector" aan. John Rowland deelde helaas niet de geestelijke inzichten van zijn vader. Zo ontstond de merkwaardige situatie dat Daniel Rowland hulpprediker werd bij zijn eigen zoon: een zoon die de prediking van zijn vader verfoeide. In juli 1763 werd Rowland ook het hulppredikerschap van Llangeitho ontnomen. Formeel is Rowland altijd een geestelijke van de Anglicaanse Kerk gebleven. Nooit is hij als "priest" afgezet. De "Toleration Act" bood de mogelijkheid voor degenen die zich niet in de Anglicaanse Kerk konden vinden, om wettig erkend te worden als kerkgenootschap. Rowland maakte hiervan geen gebruik. Wel werd nadat hij van het hulppredikerschap beroofd was, voor hem een "Chapel" gebouwd. Hier bediende Rowland het Woord en de sacramenten tot aan zijn dood in 1790.

Arme zondaar
Op de laatste zondag voor zijn sterven vertelde hij zijn familie: „Ik heb niets meer te zeggen als bewijs voor mijn aanneming bij God dan ik altijd gezegd heb: Ik sterf als een arme zondaar, die volledig en volkomen vertrouw op de verdiensten van een gekruisigde Zaligmaker". Whitefield gaf eens de volgende definitie van een methodist: „Een werkelijke methodist is iemand die door God in Christus is verkoren om hem door Christus tot eeuwige zaligheid te brengen, als vaten gemaakt ter ere: waarom degenen die met zo'n grote weldaad van God gezegend zijn, naar Gods voornemen geroepen worden door de Heilige Geest, Die te bekwamer tijd in hem werkt. Door genade gehoorzamen zij deze roeping; zij worden om niet gerechtvaardigd en tot zonen van God aangenomen. Zij worden gelijkvormig gemaakt aan het beeld van de eniggeboren Zoon, de Heere Jezus Christus; zij wandelen in goede werken en ten slotte verkrijgen zij door Gods barmhartigheid de eeuwige heerlijkheid". Uitgaande van deze definitie mogen we zeggen dat Daniel Rowland in leven en sterven heeft betoond een ware methodist te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1989

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Daniel Rowland onbetwiste leider van

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1989

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken