Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het koningschap is door de Oranjes nooit begeerd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het koningschap is door de Oranjes nooit begeerd

10 minuten leestijd

Nederland is als natie van betrekkelijk jonge datum. Zij dankt haar ontstaan aan de strijd om de vrijheid voor de doorwerking van het Woord des Heeren. In de worsteling met Rome en Spanje bleek de gereformeerde leer de sterkste eenheidsband te zijn en de bezielende kracht van de wonderlijke politieke structuur die uit de strijd te voorschijn kwam.

Want wonderlijk was zij! Een Republiek van zeven verenigde Nederlanden. een Unie van Utrecht die voortijdelijk bedoeld was, maar meer dan twee eeuwen zou beslaan. Allerlei dingen waren niet goed uitgewerkt, zoals de verhouding tussen het centraal gezag en provinciaal en stedelijk. Met een stadhouderschap dat al even wonderlijk was sinds er geen koning meer was van wie men de stadhouder kon zijn. Terwijl de positie van de kerk ook nooit echt geregeld is. Wat samenbond, was de gereformeerde leer en het Oranjehuis.

Gereformeerd Nederland voelde zich een tweede Israël. In geschiedwerken en andere beschouwingen over Nederland, ook preken, treffen ons telkens weer de parallellen met de geschiedenis van het volk Israël: uitgeleid uit het diensthuis, onder Prins Willem als tweede Mozes, enzovoort. Die vergelijking met de historie van Israël is al te zien in het Wilhelmus.

Over het algemeen heeft men gewaakt tegen een gelijkstelling van Nederland met Israël. Lodensteijn waarschuwt zelfs uitdrukkelijk tegen deze gedachte. In zijn Beschouwingen van Zion zegt hij daarvan: ..Verre is het daarvandaan en kan de Heere wel verhuizen, al blijft het land in al zijn voorspoed staan". Trouwens wanneer men over de lotgevallen van andere volken schreef, zoals de strijd der hugenoten in Frankrijk, de puriteinen in Engeland, de covenanters in Schotland of de Zweedse koning Gustaaf Adolf, werden in dezelfde bewoordingen vergelijkingen gemaakt met oud-Israël.

Max. Teellinck

In deze visie op Nederland nam en neemt het Huis van Oranje een bijzondere plaats in, als middel in Gods hand bij uitstek om Zijn Woord en Kerk te beschermen. Het bondigst is dat vertolkt door Maximiliaan Teellinck in zijn "Vrymoedige Aenspraeck Aen Syn Hoogheyt de Heere prince van Oraengjen", geschreven als opdracht voor het in 1650 door hem uitgegeven geschrift "Den Politycken Christen" van zijn vader Willem Teellinck.

M. Teellinck geeft daarin zeven "maximen", te beschouwen als een staatkundig beginselprogramma. De vijfde luidt als volgt: ..Dat wij het hoogloflijk Huis van de doorluchtige Prins van Oranje en van Nassau weldadigheid bewijzen, naar al het goede, dat zij bij Israël, ons Vaderland gedaan hebben. Richt. 8:35, en eeuwiglijk gedenken, hoe zij door Gods zegen ons gered hebben van de hand van al onze vijanden rondom. Richt. 8:34, om daardoor in teken van dankbaarheid zijn tegenwoordige Hoogheid Willem II alle eer. liefde, hulp. trouw en hoogachting te bewijzen".

Een vast verbond

Indrukwekkend werkt Da Costa dat uit in zijn geschrift "De Verbondsverklaring van 1573 aan Nederland herinnerd". Hij neemt zijn uitgangspunt in de brief die prins Willem schreef na de val van Haarlem met daarin de overbekende woorden: ..Gij schrijft ons dat men u zou laten weten of wij ook met enig groot machtig potentaat in  vast verbond staan; waarop wij niet laten willen u voor antwoord te geven dat, aleer wij ooit deze zaak en de beschermenis der christenen en andere verdrukten in dit land aangevangen hebben, wij met de alleropperste Potentaat der potentaten alzulk vast verbond hebben gemaakt, dat wij geheel verzekerd zijn dat wij en al degenen die daarop vastelijk betrouwen, door Zijn geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet zullen worden, spijt al Zijn en onze vijanden; zonder dat wij middelertijd enige andere middelen die ons de Heere der heirscharen toegeschikt heeft, hebben of alsnog willen laten voorbijgaan".

Waarom heeft God Nederland telkens weer uitredding geschonken, nu al 250 jaar lang, vraagt Da Costa. ,,Om des verbonds wil met de God der eeuwige waarheid en der ontferming, gemaakt door Willem van Oranje. Waarom dat, o gij onder alle christenvolken als afgezonderde en tot een allerheerlijkste roeping begenadigde natie? Om des welbehagens wil van die God der ondoorgrondelijkheid en der grootmachtigheid. Die in deze gewesten de kerk van Christus met Nederlands volk en Nassau's prinsenstam verbinden wilde tot een drievoudig snoer, hetwelk niet verbroken worden zou!" (met een verwijzing naar Prediker4: 12).

Met verwijzing naar de historie roept Da Costa volk en vorst terug naar dat verbond, in de schuld omdat Nederland de wegen des Heeren verlaten heeft. „Komt dan en laat ons wederkeren, o inwoners van Nederland, groten en kleinen, tot de God der vaderen, tot de God des verbonds van Willem van Oranje! Laat ons onze schulden belijden en onze zonden betreuren voor Zijn aangezicht en Hij zal vergeving schenken. Hij zal ons redden, Hij zal ons doen wellicht, als in de dagen vanouds. Vernederen wij ons aldus onder Zijn krachtige hand. - Hij zal verhogen!"

Met dit boekje is Da Costa de vader van de gedachte van het "drievoudig snoer" (en men lette erop dat hij dit niet geformuleerd heeft als "God, Nederland en Oranje").

Onmogelijke positie

Wat was feitelijk de plaats van de Oranjes? De staatkundige constructie van de Republiek, we merkten het al op, was gecompliceerd. De machtsverhoudingen lagen subtiel. Voortdurend waren er spanningen tussen het centrale gezag en de voorstanders van provinciale en stedelijke autonomie, spanningen tussen Holland en de andere gewesten, gereformeerden en andersdenkenden. De Oranjes hadden daarin een onmogelijke positie. Als stadhouders met enkele militaire bevoegdheden waren zij formeel slechts ambtenaars, ondergeschikt aan Provinciale Staten, die hun die positie dikwijls duidelijk deden voelen.

De invloed van het Huis van Oranje was dan ook vooral een ideologische, zoals door Max. Teellinck zo treffend verwoord. Die invloed leefde het sterkst bij het gereformeerde volk en zijn predikanten, die in Oranje hun beschermheer zagen.

De Oranjes gingen hun eigen weg, zich daarbij soms vervreemdend van het gereformeerde volk. Denk aan Frederik Hendrik met zijn weelderig hof en remonstrantse sympathieën, aan Willem II en zijn vrouw met hun politiek gericht op bondgenootschap met de bepaald niet geliefde Engelse Stuarts. Maar in tijden van crisis verbonden de Oranjes zich toch telkens weer met het gereformeerde volk. tegen de regenten.

Ik noem drie voorbeelden: 1618. Maurits kiest de zijde der gereformeerden tegen de remonstranten en de hen om politieke redenen steunende regenten. 1672. Willem III, die, als de nood op het hoogst gestegen is, gelijk eertijds Jefta te hulp geroepen wordt om het land te redden. 1747, als Willem IV eindelijk het stadhouderschap van alle provinciën wordt aangeboden. Het Oranjehuis heeft een lange traditie van waken voor de vrijheden van het volk. Hoe zou het ook anders kunnen, als nazaten van Prins Willem, de strijder tegen de absolute monarchie van Filips II!

In de drie genoemde jaren ligt iets opmerkelijks. In 1618,1672 en 1747 kon Oranje gemakkelijk de soevereiniteit verwerven. Maurits, noch Willem III, noch Willem IV heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Zij stelden zich tevreden met hun positie als stadhouder. Zij namen de kans niet waar om de politieke structuur te wijzigen. Alleen wilden zij een erfelijk stadhouderschap. Nooit hebben zij geprobeerd een Nederlandse dynastie te vestigen. Het optreden van de Oranjes doet aan de richteren denken. Gideon weigerde ook de koninklijke waardigheid.

Invoering monarchie

Toen de mannen van 1813 de zoon van Willem V in Londen gevonden hadden en hem meedeelden dat het de wens der natie was dat hij als soeverein zou optreden, weigerde hij aanvankelijk. Hij wilde herstel van het erfelijk stadhouderschap. Het kostte dagenlang moeite hem ervan te overtuigen dat dit niet de oplossing was. Voor Van Hogendorp en de zijnen stond vast dat het oude politieke bestel met al de ingebouwde onzekerheden niet mocht terugkeren. Er diende een centraal monarchaal gezag te komen en het enige Huis dat daarvoor in aanmerking kwam, was dat van Oranje. Uiteindelijk zwichtte de Prins en zou hij niet als Willem VI maar als koning Willem I het bewind aanvaarden.

Wellicht zou een erfelijk stadhouderschap te verkiezen zijn geweest, zij het dan wel beter geregeld dan in de 18e eeuw. Het zou in elk geval meer in de lijn der geschiedenis en de traditie der Oranjes geweest zijn. Hoe dit zij, Prins Willem heeft het koningschap in 1813 aanvaard, maar,,onder waarborging ener wijze constitutie, welke uw vrijheid tegen volgende mogelijke misbruiken verzekert". Zo hebben wij in 1813 de constitutionele monarchie gekregen. Er is toen niet een koning benoemd naar vrije wilskeuze door een soeverein volk (zoals later bij voorbeeld in België). Er was ook niet een absoluut vorst die uit de volheid van zijn macht in zijn goedgunstigheid aan het volk rechten toekende in een grondwet. Ook waren er geen twee zelfstandige machten — vorst en volk — die een contract sloten over de regering van het land. Elke bewering dat het koningschap van het Huis van Oranje en zijn soevereiniteit sinds 1813 op volkswil dan wel op een dynastiek huisrecht zou berusten, is fantasie. Het recht en het gezag van Oranje berusten op algemene beginselen van publiek recht, zoals dat in de geschiedenis van ons volk is geworteld. Achter al dat mensenwerk in de loop der eeuwen zien wij Gods leiding.

Bilderdijk

Nu zijn er in de 19e eeuw ook gereformeerden geweest die het constitutionele koningschap principieel hebben afgewezen. We denken in de eerste plaats aan Bilderdijk. Bilderdijk was een overtuigd bestrijder van de leer der volkssoevereiniteit. Profetisch heeft hij de geest van de Franse Revolutie ontmaskerd. Zijn afkeer van de volkssoevereiniteit was zo groot, dat hij onvoorwaardelijk koos voor de absolute monarchie: de vorst die, zich uitsluitend gebonden wetend aan Gods wet, in rechtstreekse verantwoordelijkheid aan God alleen en aan geen mens, zijn volk patriarchaal vaderlijk en liefderijk regeert.

Deze opvatting heeft door haar eenvoud veel aantrekkelijks. Het laat zich verstaan dat velen daarin een bruikbaar alternatief meenden te zien tegen de Franse Revolutie met haar leer der volkssoevereiniteit. Toch is men gelukkig niet op dat pad voortgegaan. De gedachte van de absolute monarchie staat op gespannen voet met de geschiedenis van onze natie, met die van de Oranjes.

Groen van Prinsterer en Da Costa, zich er overigens nimmer voor schamend leerlingen te zijn van Bilderdijk, hebben zich in toenemende mate gedistantieerd van diens exclusief monarchistisch gevoelen met betrekking tot een autocratisch landsvaderlijk bewind. Zij achten de rechten en vrijheden der "natie" beter gewaarborgd in een constitutionele (parlementair-democratische) monarchie. Het is niet toevallig dat we in Europa absolute monarchieën wel kunnen aanwijzen bij roomse, oosters-orthodoxe en lutherse volken, maar in geen enkel gereformeerd land.

Beter dan hun leermeester hebben Groen en Da Costa oog gehad voor Gods leiding in de geschiedenis van ons volk. Het constitutionele koningschap zagen zij in de ontwikkeling der gebeurtenissen als de door God aan ons volk gegeven regeringsvorm.

SGP

Hoewel het regeringsmodel van Bilderdijk lang onder het volk is blijven leven (het vond zijn welsprekende woordvoerder in J. L . Bernhardi, over wie W. van der Zwaag een lezenswaard boek heeft gepubliceerd), toch heeft de SGP bij haar oprichting in 1918 deze lijn afgewezen en gekozen voor de lijn van Groen en Da Costa. Onzes inziens terecht. Want het is de lijn van de geschiedenis van ons volk, van het Oranjehuis, de lijn van Willem van Oranje èn van Datheen. zeker niet het minst de lijn van Calvijn.

Tegen de huidige invulling van de constitutionele monarchie hebben wij grote bedenkingen. De leer van de volkssoevereiniteit heeft zich steeds sterker weten in te nestelen in ons staatsbestel. Desalniettemin zeggen wij met ds. Kersten (De Banier, 13 september 1923): ,,Geen onbeteugelde soevereiniteit, maar een constitutioneel koningschap, opgedragen aan het Huis van Oranje, heeft de liefde van ons hart".

We eindigen met nog een woord van ds. Kersten, uitgesproken bij de geboorte van nu koningin Beatrix: ..Zijt met opmerkzaamheid vervuld en begeert van de Heere dat Hij gedenke aan het verbond eens met Oranje gesloten. Volk en Vorstenhuis zijn ontrouw in dat verbond, maar de Heere blijft getrouw. Hij make Oranje groot door het in kleinheid te doen wandelen voor Zijn aangezicht, tot heil van volk en vaderland".

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 18 april 1989

Reformatorisch Dagblad | 64 Pagina's

Het koningschap is door de Oranjes nooit begeerd

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 18 april 1989

Reformatorisch Dagblad | 64 Pagina's

PDF Bekijken