Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Relatie EP en nationale parlementen ter discussie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Relatie EP en nationale parlementen ter discussie

„Samenwerking tussen leden dient te worden versterkt"

8 minuten leestijd

„Voorwaarde voor het evenwicht tussen de taken in Europees verband en die van de zelfstandig blijvende lidstaten is dat de samenwerking tussen de leden van het Europees Parlement (EP) en de nationale parlementen worden versterkt. Onderzocht dient te worden op welke wijze leden van het EP tevens lid van de StatenGeneraal, bij voorbeeld de Eerste Kamer, kunnen zijn. In de commissie voor EG-zaken moeten bij voorkeur de EP-leden met een dubbelmandaat zitting hebben".

Twee citaten uit respectievelijk de onlangs uitgegeven brochure van de SGP/GPV/RPF-fractie in het Europees Parlement en uit het nieuwe Europrogramma van de RPF. De relatie tussen de nationale parlementen en het EP is een onderwerp van discussie dat regelmatig terugkeert. Voorstanders van een Verenigd Europa zijn voor een verdere overdracht van de bevoegdheden van de nationale parlementen aan het Europees Parlement. De Nederlandse liberale Europarlementariër H. Nord verwoordde dit in februari nog eens duidelijk: „Parlementariërs aller landen, verenigt u; u hebt niets te verliezen behalve de beperking van uw rechten".

Commissie voor EG-zaken

Om de relatie tussen het nationale parlement en het EP te bevorderen hebben verschillende lidstaten een zogenaamde commissie voor EG-zaken opgericht. Ook Nederland kent zo'n commissie, die voornamelijk een coördinerende en ondersteunende taak ten opzichte van andere vaste commissies heeft. Alleen in Luxemburg en Griekenland ontbreekt zo'n EG-commissie nog. Ook het Europees Parlement tracht van zijn kant deze relatie te verbeteren.

Er zijn in de nationale parlementen diverse samenwerkingsvarianten bedacht. België is hier in vergelijking met de andere EG-lidstaten betrekkelijk ver gegaan. In de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers werd in 1985 namelijk de Adviescommissie voor Europese Aangelegenheden opgericht. De samenstelling van deze commissie bestaat uit tien leden van het Belgische parlement en tien Belgische leden van het Europees Parlement. België is hiermee het enige land in de EG dat ZQ ver gaat.

De nationale parlementsleden worden na elke nationale verkiezing op basis van de krachtverhouding tussen de politieke partijen in de Adviescommissie gekozen. De in totaal 24 EP-leden uit België kiezen tien leden uit hun midden die in de Adviescommissie zitting hebben. Het is ook mogelijk dat een afgevaardigde in het nationale of het Europees Parlement die niet in de Adviescommissie zit de beraadslagingen bijwoont. Hij heeft dan geen spreek- of stemrecht.

Een belangrijke taak van de Adviescommissie is op verzoek van Belgische (Euro)parlementsleden een oordeel te geven over politieke zaken in Europa en over vragen betreffende de samenwersamenwerking tussen het Belgische en het Europees Parlement.

Formeel zijn er geen contacten tussen ydeze Adviescommissie en het Europees Parlement. Wel organiseerde de Belgische volksvertegenwoordiging in mei 1987 een parlementaire conferentie over de Europese Unie. Zeventig parlementsleden uit alle lidstaten, waaronder zeventien leden van de Commissie Institutionele Zaken van het Europees Parlement, woonden deze bijeenkomst bij.

Bondsrepubliek

Bij de instelling van deze commissie nam het Belgische parlement de situatie in de Bondsrepubliek als voorbeeld. De Bondsdag richtte namelijk in 1984 een Europa-commissie op, waarin zowel de leden van het nationale als die van het Europees parlement zitting hadden. De Europarlementariërs konden in de Europa- commissie met hun nationale collega's op voet van gelijkheid discussiëren.
Van diverse kanten kwam op de instelling van deze commissie kritiek. In een echte Europa-commissie zouden ook EP-leden uit andere lidstaten zitting moeten hebben, zó was een van de punten van kritiek. Deze kritiek heeft ertoe geleid dat de Bondsdag sinds 1987 een "Unterausschuss des Auswartigen Ausschusses für Fragen der Europaischen Gemeinschaften" (een subcommissie van EG-zaken van de commissie van buitenlandse zaken) kent.
De subcommissie is uit dertien vaste en dertien plaatsvervangende leden samengesteld. Volgens het Reglement van Orde van de Bundestag mogen ook dertien Duitse afgevaardigden van het Europees Parlement aan de discussies in de subcommissie deelnemen. Zij mogen echter geen moties indienen en hebben geen stemrecht.

Gezamenlijke commissie

Twee landen, namelijk Spanje en Ierland, kennen een gezamenlijke commissie voor EG-zaken. De toevoeging "gezamenlijk" geeft aan dat het gaat om leden uit zowel de Tweede Kamer (in Ierland de Dail genoemd) als de Senaat. Die Ierse leden die in de Dail èn in het Europees Parlement zitten, mogen de beraadslagingen in de EG-commissie bijwonen. Ook zij hebben geen stemrecht.
In Groot-Brittannië kent men het "Select Committee on the European Communities". Van de zestien man tellende commissie kunnen ook Europarlementariërs die lid zijn van het Lagerhuis deel uitmaken.
Dit laatste is niet het geval voor de "Markedsudvalget", de commissie voor EG-betrekkingen uit het Deense parlement. Zij bestaat uit zeventien leden van het nationale parlement.
De Deense leden van het EP mogen geen lid zijn en zelfs de vergaderingen van deze commissie niet bijwonen. De Deense regering is verplicht de EG-commissie bij belangrijke politieke zaken te raadplegen. Vooraf geeft zij de leden inzicht in haar standpunt tijdens het overleg met de andere lidstaten. De commissie moet hieraan haar fiat geven. De Deense regering kan dus slechts binnen een bepaalde bandbreedte opereren.

 Contacten intensiveren

De institutionele contacten bestaan ook uit het bezoeken van de nationale EG-commissies van de EP-commissies. Zo bracht een delegatie van de Select Committee in februari 1988 een bezoek aan Straatsburg. Van de zijde van het Europees Parlement wordt ook getracht de contacten te intensiveren.
Bij verschillende fracties in het EP leeft de gedachte om de leden van nationale parlementen vrije toegang te verlenen tot de commissievergaderingen van het Europees Parlement. Bovendien zou deze leden het spreekrecht in de commissievergaderingen worden toegekend, waarbij zij dan geen stemrecht krijgen. Daarnaast beluistert men de opvatting om een jaarlijkse vergadering van de voorzitters van de nationale parlementen met de voorzitter van het Europees Parlement te organiseren.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 mei 1989

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Relatie EP en nationale parlementen ter discussie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 mei 1989

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken