Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Identiteitsgevoelig vak vraagt aanpak vanuit visie op mens en maatschappij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Identiteitsgevoelig vak vraagt aanpak vanuit visie op mens en maatschappij

Experiment in gereformeerd onderwijs wordt door Ginjaar wel gewaardeerd, maar krijgt geen officiële status

8 minuten leestijd

In de RD-plus van 16 juni beëindigde drs. A. A. van der Schans zijn bijdrage over maatschappijleer als volgt: „Meer dan ooit is het nodig onze leerlingen vanuit onze eigen identiteit voor te bereiden op een maatschappij waarin we wel moeten functioneren, maar die in zoveel opzichten haaks staat op wat God ons in Zijn Woord voorhoudt. Het vak maatschappijleer kan bij deze voorbereiding en toerusting onschatbare diensten verlenen". We zijn het daarmee van harte eens. Maar dan volgt als vanzelf de vraag: Als dat vak zo belangrijk is, hoe is daar dan vorm aan te geven? Graag willen we in dit artikel weergeven hoe binnen het gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs antwoord op deze vraag wordt gegeven. Dit verhaal ligt daarmee ook in het verlengde van het eerdere artikel.

Door drs. L. Bezemer en A. van Leijen
We hoeven nu niet diep in de historie te duiken: de heer Van der Schans heeft een uitstekend overzicht geboden van het ontstaan en de 'lotgevallen' van het vak. Alleen herhalen we wat kernpunten. Een aantal jaren geleden stond het vak maatschappijleer nog in de kinderschoenen. Regels en richtlijnen waren er niet of nauwelijks. Studiemateriaal was eigenlijk niet voorhanden, leerlingenboeken sporadisch. We spreken over het einde van de jaren zestig, begin van de jaren zeventig. Het was de periode van het zoeken naar een vorm waarin het vak gegeven kon worden.
Als over "vak" gesproken wordt, dan mag worden aangenomen dat er iets is wat als gemeenschappelijk uitgangspunt kan gelden. Maar dat was er nauwelijks. Er was geen examen en daarmee geen exameneisen, de invulling was volledig afhankelijk van de leraar. De een poogde aan te geven hoe de geschiedenis is geweest die leidde tot de huidige maatschappelijke orde, een ander behandelde actuele onderwerpen en een derde collega achtte het noodzakelijk de nodige politieke geladenheid in de lessen in te brengen.

Eigen positie

Deze situatie bezorgde het vak maatschappijleer bij velen een minder goede naam. Meer belijndheid was nodig om het vak een eigen positie binnen het onderwijs te verschaffen. Velen hebben daaraan bijgedragen, onder wie staatssecretaris mevrouw drs. N. J. Ginjaar-Maas.
Zo riep zij een landelijk experimenteel examen in het leven. Het doel van dat overheidsexperiment was met name beantwoording van de vraag: Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan, wil maatschappijleer in elke school (als facultatief, dat wil zeggen naar keuze) eindexamenvak ingevoerd kunnen worden? In plaats van een integrale invoering werd gekozen voor een aanpak waarbij een aantal scholen zich kon aanmelden om in de proefsituatie mee te doen. Er hebben zich toen 250 scholen aangemeld, waarvan er 40 werden aangewezen. Deze kregen extra faciliteiten in de vorm van drie taakuren per school en drie lesuren extra voor de examenkandidaten boven de twee verplichte lesuren voor alle leerlingen.
Het eerste centrale examen bij dit experiment werd afgenomen in 1987. In mei 1990 zou de evaluatie gereed moeten zijn op grond waarvan beslist zou worden over de voortgang. Eind 1988 besloot de staatssecretaris echter al om het vak 'definitief te maken': wegens overwegend succes.

Uitgangspunt

In het gereformeerd onderwijs waren al heel lang activiteiten ontwikkeld. Uit coördinatieoverwegingen en om als vakbroeders met elkaar van gedachten te kunnen wisselen, werd in 1972 een werkgroep docenten maatschappijleer opgericht.
Om vanuit het gereformeerde onderwijsveld enige richting te geven aan het maatschappijleer-onderwijs en om een vorm van eenheid te krijgen in de grote diversiteit, is uiteindelijk in 1980 gekomen tot een leerplan en in 1981 tot een leerboek. Daarin wordt de Bijbel als uitgangspunt genomen voor het kijken naar de verschijnselen in de maatschappij rondom ons.
We gaan hier straks nog wat dieper op in, maar kunnen stellen dat hierin ook de reden lag waarom in 1984 door de besturen van het LVGS (Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen) en de Vereniging voor Gereformeerde Onderwijsgevenden GVOLK een examencommissie maatschappijleer werd ingesteld.

Omvang

Deze examencommissie heeft tot nu examens over de volgende onderwerpen georganiseerd: 1985: Leven en dood; Etnische minderheden in Nederland; 1986: Gezin; Massamedia; 1987: Arbeid; Criminaliteit; 1988: Vakbeweging; 1989: Politieke besluitvorming; Massamedia.
Voor de komende jaren staan op het programma Politieke besluitvorming, Massamedia en Mens en werk. Het spreekt voor zich dat het gereformeerde onderwijs met een en ander een behoorlijk zware taak op zich heeft genomen, waar geen faciliteiten tegenover staan. Er werden eindtermen, handleidingen voor de docenten, katernen en examenopgaven ontwikkeld door de examencommissie, de genoemde werkgroep en andere deskundigen. Behalve voor de eigen examinatoren betekende het examen ook een extra belasting voor de kandidaten: maatschappijleer was en is voor hen geen keuze-, maar een verplicht (extra) examenvak.
Opmerkelijk is dat de omvang van de scnolengroep bij het examen van de Structuurcommissie vele malen groter is dan de groep scholen in het gereformeerd onderwijs, terwijl het aantal kandidaten omgekeerd evenredig hieraan is.
In 1987 was dat bij de Structuurcommissie 40 scholen met ongeveer 350 kandidaten; bij de gereformeerde examencommissie respectievelijk dertien scholen en ongeveer 750 kandidaten (beide lbo en mavo). Geslaagde kandidaten ontvangen een getuigschrift.

Identiteitsgevoelig

Uit de vele energie die het gereformeerde onderwijsveld in dit alles gestoken heeft, kan al worden afgeleid dat het hier een identiteitsgevoelig vak betreft. Voor alle vakken die op een gereformeerde school gegeven worden geldt dat invulling van het onderwijs in dat lesgebied mede gestalte behoort te krijgen vanuit de zo belangrijk gevonden levensbeschouwelijke invalshoek.
Neem het thema "Politieke besluitvorming". Is het verantwoord te spreken over de overheid, zonder aandacht te besteden aan de positie daarvan in het licht van de Heilige Schrift? Kun je begrippen als "dienaresse Gods", het ambt van de overheid, de taak om de "ongebondenheid te bedwingen" buiten beschouwing laten? Hetzelfde geldt voor bij voorbeeld thema's als arbeid of massamedia; aandacht zal dan toch moeten worden gegeven aan zaken als waarom de mens op aarde is, de zinvolheid van arbeid, de cultuuropdracht, het rentmeesterschap enzovoorts.
Samenvattend kan dus worden gesteld : de wijze waarop naar de maatschappij gekeken wordt en naar de daarin optredende verschijnselen en stromingen bepaalt voor een belangrijk deel het zicht op en het beeld van die maatschappij. Dat kan niet neutraal zijn. Zaken als houdingen, vaardigheden, maar ook (andere) typische identiteitsaspecten kunnen dan ook moeilijk "neutraal" getoetst worden. Soms wordt gesteld dat het schoolonderzoek daarvoor een oplossing zou bieden: daarin zou de identiteit dan een plaats kunnen krijgen.
Met dit laatste zijn wij het niet eens. Wij vinden het onjuist om een scheiding te maken tussen "identiteitsonderwijs" dat dan op het schoolonderzoek zou zijn gericht en daarna of daarnaast "neutraal" onderwijs dat is gericht op het landelijke (neutrale) examen. Identiteit mag niet op die wijze ingeperkt worden. Hoewel het experiment in het gereformeerd onderwijs door de staatssecretaris zeer wordt gewaardeerd en zij ook onderkent dat de invulling van het identiteitsaspect bij dit vak van groot belang is, achtte zij het niet terecht experimentele examens naar richting een officiële status toe te kennen. Wel verzocht zij LVGS en GVOLK vooral een bijdrage te willen leveren aan de verdere gedachtevorming van haar Structuurcommissie. Aan dit verzoek is voldaan.
In het overleg met de Structuurcommissie werd overeenstemming bereikt over twee punten. In de eerste plaats werd door de Structuurcommissie de eigen plaats van de gereformeerde examencommissie in verband met onze identiteit herkend en acceptabel beschouwd. Onze redenen en argumentaties werden begrepen, waarbij toch ook een belangrijke rol speelde dat de eindtermen van de reeds georganiseerde examens als kwaliteit goed werden beschouwd; en dat ze dieper ingaan op de identiteit dan de Structuurcommissie ooit kan vanwege haar multi-levensbeschouwelijke samenstelling.
In de tweede plaats richt onze examencommissie zich naar de onderwerpen en eindtermen die de Structuurcommissie opstelt. Wij behouden de volledige vrijheid om in de eindtermen verandering aan te brengen wanneer de identiteit dat vereist. Dit kunnen zijn correcties, maar ook toevoeging en verwijdering van eindtermen. Zo is het onderwerp Massamedia geheel omgewerkt. Het examen, inclusief de opgaven, wordt door de commissie zelf georganiseerd.
Wij hoopten (en hopen nog) de staatssecretaris of haar opvolger ertoe te kunnen bewegen ons experiment te erkennen uit principiële overwegingen, maar ook om praktische, vanwege de faciliteiten die deelnemende scholen verkrijgen. Tot nu toe is dit echter nog niet gelukt.

Aandacht

Gelet op het recente besluit van de staatssecretaris om het landelijk experiment wegens duidelijk succes om te zetten in een definitieve regeling, is op dit moment nog niet duidelijk welke mogelijkheden er nog komen voor ons initiatief. Besloten is zeker tot 1991 door te gaan. De deelnemende scholen zijn daartoe bereid. Het aantal deelnemende scholen stijgt zelfs nog.
Wel is een uitvoerig "offensief" gestart om meer steun en aandacht te krijgen voor ons experimentele examen. Het kenmerkende van een experiment is dat het kan mislukken, maar het kan ook slagen. De experimenteerjaren overziende mogen we constateren dat dit experiment is geslaagd. De boodschap aan de bewindslieden en de politici is dan ook: we kunnen het; wat is er dan tegen daarvoor ook de faciliteiten te krijgen?
Er is wel eens gezegd, door bij voorbeeld kamerleden, maar ook door ministers en staatssecretarissen, dat het bijzonder onderwijs de ruimte die het heeft onvoldoende benut. We zouden willen stellen dat hier de omgekeerde situatie dreigt: te weinig ruimte waar die in het kader van de vrijheid van (in)richting er wel behoort te zijn. Dit zo identiteitsgebonden en -gevoelige vak behoeft een aanpak vanuit een visie op mens en maatschappij. Die visie behoort in de examinering door te werken. Daarop blijft onze inzet gericht. We hopen voor deze benadering brede steun te vinden.
Drs. L. Bezemer en A. van Leijen zijn leden van de LVGS/GVOLK- examencommissie maatschappijleer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Identiteitsgevoelig vak vraagt aanpak vanuit visie op mens en maatschappij

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken