Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nazomerdagen, mengeling van zomer en herfst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nazomerdagen, mengeling van zomer en herfst

De uitbundige bloei van waterlelies is voorbij, maar de zang van vogels leeft na de ruitijd weer even op

10 minuten leestijd

De ochtendzon strooit glinste ringen over het water van de sloot die mij naar het piassengebied voert. Het is augustus. Nazomer. Iets van de herfst is reeds te merken. Tussen de dichte begroeiing van wilgen, bramen, riet en ruigte, zie ik de felrode trossen hangen van de Gelderse roos. Die glimmen prachtig. 2e zullen er nog aanhangen als straks het blad al is afgevallen. Vogels komen er niet gauw op af. De bloemen hebben dezelfde vorm als die van de klimhortensia. Kleine, onopvallende, fertiele bloemen in een scherm, aan de rand afgezet met grote steriele lokbloemen.

Het water van de smalle sloot is glad.en onberoerd. De zon glanst er flauwtjes in, want het is wat heiig. Over een uur zal het helder zijn en warm. Augustus kan herfstig zijn met veel regen, maar ook echt zomers, zoals dit jaar. De bloemenpracht van de lente en vroege zomertijd is voorbij. Maar ook laat in de zomer tot diep in de herfst, is het waterland mooi en boeiend. Vooral 's morgens vroeg. Al zou het alleen maar zijn om . de weldadige stilte. De uitbundige vogelzang van de lentetijd mis ik wel. We zijn al weer ver in het jaar. De koekoek laat z'n dromerige roep niet meer horen. Hij is al op weg naar Afrika.

Snel voorbij

In de oogstmaand is er al heel wat te zien van de vogeltrek. Dezangtijd is precies als onze jeugd... snel voorbij. Wie goed oplet, kan toch nog wat vogels horen zingen. In 1944 noteerde ik op 13 augustus nog zang van de merel, de gekraagde roodstaait,'fitisjes, geelgorzen, de boomleeuwerik, de gekraagde roodstaart, de tjiftjaf en de tuinfluiter.

De spreeuwen vallen het meest op. Die beginnen in augustus opnieuw met hun jolige zang. Zij vullen veel van de stille tijd met hun druk gekwetter. Daarom hou ik van spreeuwen. Waarschijnlijk ook omdat ze mij zo nadrukkelijk aan mijn jeugd doen denken. Ze zaten vlak boven mijn slaapplaats op zolder volop te zingen, vooral in de tijd als de bessen van de vogelkers rijp werden. Die waren dit jaar omstreeks half augustus al geschikt voor consumptie. Voof de spreeuwen, wel te verstaan.

Spotvogel

De vogels laten mij ook nu niet in de steek. In een ruige wilgestruik zingt een spotvogel. Ik laat de roeispanen even rusten om naar die jolige en afwisselende zang te luisteren. Want die hoor je in augustus vrijwel niet meer. De spotvogel zwijgt al gauw weer en verdwijnt tussen de dichte begroeiing. De kleine karekieten zingen nog ijverig, maar ook niet meer zo uitbundig. Voor de vogels is de tijd om zich druk te maken voorbij. Hun jongen zwerven zelfstandig door bos en veld.
Langs de oever ritselt iets. Er sluipt een meerkoet door de biezen en het riet langs de slootrand. Iets verder zwemt een stel meerkoetkuikentjes. Die zijn van een laat broedsel. De moeder roept haar kroost. Het kan ook zijn dat het de vader is. Tussen meerkoeten kun je geen verschil zien...
De kleine koetjes piepen en reppen zich tussen de stengels van het riet over de modderige slootrand. Grappige diertjes zijn het. Hun dons is dofzwart, maar ze hebben aardige rode wangetjes en een roodbruin, franjeachtig kraagje. Niet als een keurig strak sjaaltje, maar los en wat slordig omgeknoopt. Het snaveltje is niet meer dan een klein geel puntje.

Waterlelies

Het riet langs de sloot is volgroeid en bijna twee meter hoog. Een eenzame zwaan drijft op het gladde water zonder een rimpelspoor achter te laten. Een zwaan lijkt een voornaam dier en wekt de indruk tamelijk hooghartig te kijken.
Dikke donkerbruine sigaren van de lisdodden onderbreken het wuivende groen. Hoe kort geleden lijkt het dat de jonge scheuten boven het water uit kwamen. Lisdodden groeien snel. Dat geldt ook voor het riet en veel andere water- en moerasplanten.
De waterscheerling spreidt grote witte schermen uit. Ook de moerasspirea, kattenstaart en moerasandoorn bloeien nog volop. De waterlelies en de gele plompen weten evenmin van ophouden. Vooral de eerste vormen op de plas grote dichte velden van ronde bladeren die tegen elkaar op groeien. Daartussen prijken de leliebloemen. Zolang ze in de knop zijn, als grote eieren. Wanneer ze openstaan, als witte sterren met een gouden hart.
 "Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is
  en zo stil haar kroon uitplooit in 't licht.
  Rijzend uit donkerkoele vijver grond,
  en wenst niet meer..."

Zo dichtte Frederik van Eeden, de vader van de auteur van "De kleine Johannes". 

Zonminnaars

„De negen tot twaalf centimeter grote bloemen, die reeds als knop in de wortelstok hebben overwinterd, behoren tot de grootste en mooiste tèt^ereld", staat in de veldgids "Wilde planten". De bloemen van de waterlelie hebben zon nodig. Ze gaan 's morgens twee of drie uur na zonsopgang open en aan het eind van de middag weer dicht. Ook bij donker óf regenachtig weer blijven de bloemen gesloten.
De waterlelie heeft vier of vijf kelkbladeren. Die zijn van buiten bruinachtig groen en van binnen wit. Binnen die kelkbladeren staan de bloembladeren. Wat wij daarvoor aanzien zijn eigenlijk in kroonbladeren veranderde meeldraden. Ze'zijn talrijk en worden naar het midden toe steeds kleiner. In het centrum gaan ze over in dooiergele meeldraden. Op die blanke' bloemen met hun bijzonder gevormde gale stempels en de vele meeldraden, komen geen dansende vlinders of watervlugge libellen af. Ze worden bezocht door vliegen, bijen en kevers, maar in de meeste gevallen vindt er zelfbestuiving plaats.
Er groeit een bolronde vruchtdoos uit de bloem, waarop duidelijk littekens zijn te zien op de plaatsen van de meeldraden. De vrucht valt na de bloei al gauw af en zinkt naar de bodem van sloot of plas. De zaadbedeksels zwellen op door het water. Daardoor barst de zaaddoos open. De zaden, die bedekt zijn met een slijmlaag, stijgen dan weer naar het oppervlak. Wanneer het slijm is opgelost, • zakken ze weer naar de bodem.
Dit proces lijkt ondoelmatig en omslachtig. Toch is het juist zeer efficiënt. De zaden zijn uitgerust met een drijfblaasje. Doordat de met slijm omhulde zaden eerst aan de oppervlakte komen, drijven ze uit elkaar en verspreiden ze zich. door de wind en de golfslag. Ze'zakken pas later op willekeurige plaatsen naar de bodem om daar te ontkiemen.

Wortelstok

Dat de waterlelies zo dicht op elkaar groeien in dichte massa's, komt doordat ze zich ook met hun wortelstok verspreiden. De dikke, ronde, lichtgele wortelstok ligt met wortels in de modder vast. Die wortelstok is bijna een decimeter dik en kan wel een' meter lang worden. Het oude gedeelte sterft af en verrot. Het andere eind groeit steeds door. Uit dit plantendeel groeien de grote, vrijwel ronde drijfbladeren.
De bladeren hebben flexibele stelen, die tot drie meter lang kunnen worden. Daarin bevinden zich vier tot zes grote en negen kleine luchtkanalen. Daardoor kan de zuurstof naar de wortelstok worden gevoerd. Dat is noodzakelijk. Diep onder water in de modderlaag is nauwelijks zuurstof aanwezig. Tóch heeft ook dat deel van de plant lucht nodig. Ook de bladeren zijn voorzien van een wijdmazig net van luchtbuisjes. Onder water zijn de bladeren opgerold. Zij kunnen zuurstof uit het water opnemen. De roodachtige kleur van stengels en bladeren ontstaat door anthocyaan.
Deze kleurstof laat geen licht door, maar zet dat om in warmte, Daardoor wordt de plant beschermd tegen de nadelige invloed van een koele groeiomgeving. Wanneer de bladeren eenmaal aan de oppervlakte zijn, spreiden ze zich op het water uit. De bovenkant ervan wordt dan groen. De oppervlakte van de bladeren is voorzien van een waslaagje. Daardoor zijn ze altijd droog. Aan de waterlelies is ook duidelijk te zien dat het augustus is. De uitbundige bloei is voorbij. Ook zijn de bladeren erg aangevreten. Daarop leeft de waterleliekever. Dat diertje en zijn larven knagen aan het blad. Ze maken er geen gaten in, want ze laten de onderste huid onaangetast. Daardoor krijgen de bladeren doorschijnende plekken. Ook de schone waterlelie wordt door ouderdom aangetast en verwelkt na de zomer...

Herfstzang

Vanuit de dichte kroon van een berk, waarvan de takken bijna in het water hangen, komt weer het gezang van een vogel. Heel zacht. Het klinkt ook wat aarzelend, precies alsof de vogel aan het oefenen is. Maar het is direct herkenbaar als het fitislied. De kleine zanger laat zich al gauw zien, speurend tussen het berkelover naar insekten. De jonge fitisjes zijn opvallend geel, veel lichter van kleur dan de oude vogels. Daaraan, maar vooral aan de vaak stuntelige zangpogingen, herken je ze gemakkelijk. In augustus hoor je ze, met hun ouders, van wie het lied een aantal weken niet heeft geklonken, weer zingen. Voorzichtig en niet zo uitbundig als in de lente.
In de nazomer laten veel vogels zich weer even horen. Ik hoor dat elk jaar met veel genoegen. Op 10 augustus, heel vroeg, zat zo'n zingende fitis in de berken in mijn achtertuin te zingen. Als ik dat na de ruitijd hoor, weet ik dat ik die zang nog maar kort en bescheiden zal horen. Want de tijd van vertrek naar het zuiden breekt spoedig aan. Dan duurt het weer tot eind maart voor de fitis terugkomt. Wanneer het liedje met de zachte, langzaam wegvloeiende tonen in september niet meer wordt gehoord, dan is dit nietige vogeltje begonnen aan zijn tocht naar het zuiden. Een reis van ongeveer 4000 kilometer. Ongelooflijk. Of hij in tropisch Afrika ook zingt, weet ik niet. Het lijkt mij daar wel ideaal voor hem.

Nazomerdagen

Eind augustus is het een wonderlijke mengeling van zomer en herfst. De natuur aarzelt als het ware tussen beide seizoenen in. Ook in het plassengebied. De bramen zijn rijp en overal tussen het groen langs de oevers zie ik de oranje vruchttrossen van de lijsterbessen. Al gauw zal het riet gaan verkleuren. Eerst n4g bescheiden, met gele tinten tussen het vaal geworden groen. Het begin van een proces dat tot diep in de winter doorgaat. Dan is het uitgebleekt tot fletsgeel, waarboven de donkere zaadpluimen waaien. Het Koninginnekruid langs de oevers bloeit in augustus echter nog en er komt een leger insekten op af. Op de roze trossen zoeken dagpauwogen, koolwitjes, kleine vossen en atalanta's naar honing. De nazomer is de vlindertijd.
Waar komt dat aarzelende herfstgevoel vandaan? Wat is dit ondefinieerbare toch? De populieren staan roerloos, hun blad is oud en dof en hardgroen. Het berkenblad is niet meer fris, maar vertoont nog geen herfstbeeld. Vanmorgen glinsterden echter de vele spinnenwebben zilvergrijs tussen het gras. De dunne nevel boven de rietvelden en de kruidige geur zijn al van de herfst, maar de diepblauwe lucht en de warme zon zijn van de zomer.
De fitis zingt immers weer dat het pas eind augustus is en dat er nog heel wat zonnige dagen kunnen komen. Dat de zomer nog geen afscheid heeft genomen en het tot ver in de herfst nog zomers kan zijn, als de zon maar de kans krijgt. Maar zijn zang vertelt mij ook dat de herfst al naar ons knipoogt en zijn eerste aroma's strooit en dat hij klaar staat om ontelbare kleuren te voorschijn te toveren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Nazomerdagen, mengeling van zomer en herfst

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken