Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vader aartsvijand van bisschoppen, zoon aartsbisschop van Schotse Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vader aartsvijand van bisschoppen, zoon aartsbisschop van Schotse Kerk

Diepgaand verschil in opvatting kerkregering tussen Alexander en Robert Leighton

14 minuten leestijd

Voor velen zal de naam Leighton niets bekends hebben. Degenen die deze naam wèl kennen, zijn óf zeer goed thuis in de Engelse kerkgeschiedenis óf ze hebben het boek "Het leven des christens" van Robert Leighton gelezen. In dat boek, waarop ik aan het slot van dit artikel terugkom, staat een korte levensbeschrijving van (Robert) Leighton afgedrukt. De lezing daarvan bracht de schrijver van dit artikel ertoe zich wat verder te verdiepen in de levensloop van de beide Leichtons. Hierbii stuitte hij op allerlei bijzonderheden, die hem deden besluiten zijn bevindingen aan een breder publiek kenbaar te maken.

Er is een zeer diepgaand verschil in opvatting over de kerkregering tussen vader Alexander Leighton en zoon Robert Leighton. De vader was een echte, ouderwetse puritein, van het slag van John Knox, de zoon daarentegen werd aartsbisschop in de kerk van Schotland. Voor Leighton sr. was de RoomsKatholieke Kerk eenvoudigweg „de grote hoer" uit de Openbaring aan Johannes, en de paus de antichrist. Maar de zoon was meer de man van de devotie, de bewonderaar van Thomas a.Kempis en van de jansenisten. De jansenisten vormden een stroming binnen de Rooms-Katholieke Kerk die de strenge genadeleer van Augustinus aanhing, en die zich tevens verzette tegen een losse levenswandel. We mpeten mijns inziens niet vergeten dat zowel Thomas a Kempis als de jansenisten zuiver rooms-katholiek waren en dat ook altijd gebleven zijn. Het goede dat er inderdaad in htm geschriften en leer te vinden is, wordt ten zeerste overschaduwd door de rooms-katholieke zuurdesem van de werkgerechtigheid en de Mariaverering. Ondanks cfit alles heeft Leighton jr. in zijn schrijven iets aantrekkelijks, zoals we nog zullen zien.

Levensloop vader

Vader Alexander Leighton werd „ongeveer in 1568' in Schotland geboren, als telg uit een oud en beroemd geslacht. Hij studeerde aan de universiteit van St. Andrews. Daarna ging hij naar Londen waar hij zich als arts vestigde. Maar de vereniging van artsen aldaar (College of Physicians) verbood hem een medische praktijk uit te oefenen, omdat hij volgens hen niet beschikte over de nodige kennis.
Nog op tamelijk gevorderde leeftijd, op 9 september 1617, het hij zich te Leiden inschrijven als medisch student, onder de naam Alexander Lichton Anglus Londinensis. Inderdaad heeft hij te Leiden het artsendiploma behaald.
In 1624, weer terug in Engeland, schreef hij een boek in het Latijn tegen de Rooms-Katholieke Kerk, "Speculum Belli Sacri", d.w.z. Spiegel van de Heilige Oorlog. Enkele jaren later wendde hij zich met een smeekschrift tegen het bisschopsambt in de Kerk van Engeland tot het parlement. Hij moest daarna Engeland verlaten en werkte in ons land zijn smeekschrift om tot een boek dat de titel droeg.
"Een beroep op het parlement, het of Sions pleitrede tegen bisschopsambt". In dit werk werden de bisschoppen onder meer mannen des bloeds genoemd, vijanden van God en van de staat, en een bedriegerij van de antichrist. In maart 1629 werd Leighton sr. geordend tot predikant in een Engelse kerk te Utrecht, maar daar hij de christelijke feestdagen niet wilde vieren, legde hij reeds na een halfjaar zijn ambt weer neer en keerde hij terug naar Londen.

Arrestatie

Zijn optreden tegen de bisschoppen en zijn betitelingen van de koningin leidden op 17 februari 1630 tot zijn arrestatie toen hij Blackfriars' Church verliet. Hij had de koningin, de Franse echtgenote van koning Karel I, onder meer „een dochter van de hel, een Kanaanitische en een afgodische vrouw" genoemd. Bovendien waren er exemplaren van zijn in ons land uitgegeven boek in handen van de autoriteiten gevallen. Hij werd naar de gevangenis van Newgate gebracht, daar in de ijzers geslagen en in een „smerig hol vol met ratten en muizen" geworpen. In juni 1630 werd hij door de beruchte „sterekamer" veroordeeld tot een boete van 10.000 pond en tot afzetting als geestelijke.
Daarna zou hij te Westminster aan de schandpaal worden tentoongesteld en gegeseld. Vervolgens zou één oor worden afgesneden, één neusvleugel worden gespleten, en zijn gezicht worden gebrandmerkt met de letters S. S. ("Sower of Sedition"). Na enkele dagen zou hij opnieuw aan de schandpaal worden tentoongesteld, nu te Cheapside, waarna zijn andere oor zou worden afgesneden en zijn andere neusvleugel gespleten. Daarna zou hij levenslang gevangen worden gezet. Toen aartsbisschop William Laud dit vonnis vernam, nam hij, heel vroom! zijn hoed af en dankte hij God met zijn handen omhoog dat Hij hem de overwinning op zijn vijanden gegeven had. Wanneer we zoiets lezen, denken we aan Johannes 16:2 : „De ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen".
Op 4 november 1630 moest hij voor een speciaal gerechtshof verschijnen. Omdat hij de bevoegdheid van dit hof ontkende, wilde hij zelfs zijn hoed niet afnemen voor de rechters. Zijn kerkelijk ambt werd hem toen ontnomen en hij werd teruggebracht naar de gevangenis, om daar de uitvoering van de overige bestanddelen van het vonnis af te wachten. De nacht tevoren slaagde hij erin uit de gevangenis te ontsnappen, geholpen door twee andere Schotten, Livingstone en Anderson. In het bevel tot opsporing en aanhouding werd hij beschreven als „een kleine man, met een blozend gezicht, een geelachtige baard, een hoog voorhoofd, en tussen de 40 en 50 jaar oud".

Walgelijke barbaarsheid

In Bedfordshire werd hij weer gearresteerd en op 26 november 1630 werd het eerste deel van het vonnis ten uitvoer gelegd. Een tijdgenoot schrijft daarover dat dit gebeurde met „shocking barbarity", dus met walgelijke barbaarsheid. Het tweede deel van het vonnis schijnt nooit te zijn voltrokken. In de uitvoerige beschrijving die Alexander Leighton er later zelf van gaf, wordt dit tweede gedeelte tenminste niet genoemd. In de gevangenis aan de Fleet Street werd hij opgesloten te midden van „de grootste schurken van heel Engeland". Tot 1640 bleef hij daar gevangen.
Toen kwam het "Long Parliament" van Cromwell aan de macht en werd Leighton vrijgelaten. Zijn boete werd terugbetaald en hij kreeg bovendien 6000 pond uitbetaald als smartengeld voor de onmenselijke, behandelingen die hij had moeten ondergaan. In 1642 kreeg hij een staatsbetrekking ("Keeper of Lambeth House"). Hoewel zijn gezondheid sterk was aangetast door het langdurige verblijf in de gevangenissen, leefde hij nog tot 1649. Hij was weliswaar een man met een heftig karakter, maar ook een man uit één stuk. In de kring van zijn familieleden en vrienden stond hij bekend als een uiterst vriendelijk man.
Nooit heeft men hem één bitter of hard woord over zijn vervolgers horen spreken. Integendeel,\hij sprak over hen met medelijden en vergevingsgezindheid. Leighton sr. is tweemaal getrouwd geweest. Hij heeft vier zoons gehad en twee dochters. Zijn tweede zoon was Robert, over wie het vervolg van dit artikel handelt.

Robert de zoon

Robert, zoon van Alexander Leighton, werd in 1611 geboren, waarschijnlijk te Londen. Op zestienjarige leeftijd werd hij naar Edinburgh gezonden om daar, in de Schotse hoofdstad, theologie te gaan studeren. Hij schijnt zich reeds jong tot het predikambt aangetrokken te hebben gevoeld. Men noemde hem later „a saint from his youth". Hoewel de studietijd niet voorbijging zonder een berisping, omdat hij een spotachtig rijmpje had geschreven over de commissaris van politie, behaalde hij toch zeer goede resultaten. Een van de professoren schreef zelfs aan zijn vader „dat hij hem geluk wenste met een zoon door wie de Voorzienigheid hem zijn lijden meer dan vergoedde".
Op 28 juli 1631 studeerde hij af. Zijn vader stuurde hem toen naar het Europese vasteland, om daar zijn studie af te ronden, maar ook om indrukken op te doen van het leven en de beschaving in andere landen. Verschillende jaren bracht hij in Frankrijk door, vooral te Douai, waar hij familieleden had onder de rooms-katholieke geestelijken. Hij leerde uitstekend Frans spreken en rondde zijn kennis van de klassieke talen af. De zedelijke gestrengheid van de jansenisten maakte een blijvende indruk op hem. Toen de vader vrijgelaten werd, keerde de zoon via Engeland terug naar Schotland. In juli 1641 liet de classis Edinburgh hem toe tot de evangeliebediening. Op 16 december 1641 werd hij door de classis Dalkeith tot predikant van Newbattle geordend. In die gemeente had hij hét heel druk, het was een grote gemeente met 900 avondmaalsgangers.

Geen politieke zaken

Leighton jr. preekte 's zondags tweemaal en nog eenmaal in de week. Ook het bredere kerkelijke leven vroeg veel van zijn tijd. Zoveel mogelijk onthield hij zich van politieke zaken. Hij was een groot voorstander van het "Covenant", het nationale verbond. Maar de "Solemn League" en de manier waarop die werd doorgevoerd, konden hem niet bekoren. In latere jaren zou hij zich ook distantiëren van het Covenant. In 1652 wilde hij zijn ambt neerleggen op grond van politieke verwikkelingen. De classis wilde dat echter niet aanvaarden. Terwijl deze zaak zich voortsleepte, benoemde het gemeentebestuur van Edinburgh hem tot rector van de universiteit. Op 3 februari 1653 werd hij losgemaakt van zijn gemeente, om gedurende de volgende jaren met grote bekwaamheid leiding te geven aan de universiteit.
Behalve het rectoraat nam hij ook de post waar van professor in de theologie. Elke zondagmorgen preekte hij voor hoogleraren en studenten, en in de avonddiensten gingen de professoren bij toerbeurt voor. Verder preekte hij nog eenmaal per week voor de studenten in het Latijn. Opmerkelijk was dat velen die het Latijn niet machtig waren, toch naar deze diensten kwamen. Tijdens de lange zomervakanties was Leighton jr. gewend naar Londen of naar Frankrijk te gaan. In 1661 werd in de Kerk van Schotland het bisschopsambt weer ingevoerd. Leighton had daar weinig moeite mee. In zulke zaken stelde hij weinig belang, en dikwijls zei hij dat de religie niet bestaat in uiterlijkheden, of die nu de liturgie betreffen of de kerkregering. Hij was, anders dan zijn vader, een voorstander van formuliergebeden en hij kon zich goed vinden in de statige taal van het algemeen gebedenboek, het "Book of Common Prayer". Maar hij was een fel tegenstander van het met geweld opleggen en invoeren van al deze zaken. Voor allen, zelfs rooms-katholieken, quakers en baptisten drong hij aan op volledige verdraagzaamheid in dit opzicht.

Bisschop

Zijn broer, Elisha Leighton, die rooms-katholiek geworden was, en die aan het hof goede relaties had, bewerkte dat men hem voordroeg voor het ambt van bisschop. Hoewel hij van mening was dat hij geldig geordend was, liet hij zich met enkele anderen toch op 15 december 1661 opnieuw ordenen in de Abdij van Westminster. Vader Leighton heeft dit niet meer meegemaakt, het zou zeker onverdraaglijk voor hem zijn geweest. Op zijn verzoek kreeg hij het bisdom Dumblane, het kleinste in Schotland, toegewezen. Hij spoorde de predikanten doorlopend aan tot een getrouwe ambtsvervulling. In het bisdom Dumblane voegde men zich tamelijk gedwee in de nieuwe situatie, waarbij bisschoppen de plaats van de particuliere synodes innamen. Maar in andere streken van Schotland maakte men meer bezwaar.
Ongeveer een derde van de predikanten daar weigerde zich neer te leggen bij de van bovenaf opgelegde invoering van het bisschoppelijke stelsel. De overheid reageerde daarop met strenge maatregelen tegen de weigerachtige predikanten, die zelfs hier en daar het karakter van een vervolging aannamen. Leighton reisde in 1665 naar de koning in Londen om zijn ambt neer te leggen als protest tegen de manier van invoering van het bisschoppelijke stelsel. De koning weigerde dit ontslag te aanvaarden, maar beloofde een mildere gedragslijn te zullen gelasten. In 1669 werd aan Leighton jr. de opengevallen plaats van aartsbisschop van Glasgow aangeboden, die hij aanvaardde. Maar de strijd om het bisschopsambt sleepte zich onbeslist voort tot 1672. In dat jaar legde Leighton opnieuw zijn ambt neer. De koning stelde voor hem een bedenktijd van een jaar vast. Bleef hij daarna nog bij zijn voornemen, dan zou de koning het besluit van Leighton accepteren. In 1674 was het tenslotte zover en Leighton keerde tijdelijk terug naar de universiteit van Edinburgh. Niet lang daarna vertrok hij naar het buitenverblijf Broadhurst in Sussex, dat het eigendom was van zijn zuster, een weduwe. Daar heeft hij zijn laatste jaren doorgebracht, studerend en prekend. Op 25 juni 1684 blies hij in een herberg de laatste adem uit, op terugreis uit Londen naar Broadhurst.
In zijn geschriften komen we een zekere trek naar ascese en mystiek tegen, die soms aan Van Lodenstein doet denken. Hij heeft veel geschreven. Tegen zijn wil in heeft zijn zuster, mrs. Lightmaker, zijn geschriften na zijn dood vrijgegeven voor de pers. Nog in 1825,1831 en 1875 zijn er herdrukken verschenen. In onze taal is van hem maar één boek verschenen. Het is "Het leven des christens", een uitleg van de eerste brief van de apostel Petrus. De twee delen in één band, met respectievelijk 45 en 43 hoofdstukken, zijn in 1856 te Amsterdam in één band verschenen bij H. Höveker. Het is een vertaling van de Franse uitgave van L. Bonnet, dus een vertaling van een vertaling. Dat is te merken. De stijl is voor ons besef soms wat 'houterig'. Toch loont het zeer de moeite kennis te nemen van Leightons uitleg van Petrus' eerste brief.
We willen, om de lezers een indruk te geven van dit geschrift, er wat in bladeren. Op blz. 17 lezen we bij voorbeeld: „En echter bestaat de zonde; zij staat voor de oogen Gods met onuitwischbare letteren gegraveerd. Zal zij door een voorbijgaanden zucht worden uitgedelgd? Zal een woord, zal een wensch zulks doen? Neen, neen, zelfs niet de levendigste aandoeningen des berouws. Dat alles is nog onvolmaakt en bevlekt, dat alles kan niet bestaan voor God. En de vorige zonden zouden daardoor uitgewischt worden! De tranen zelfs van het diepste berouw zijn nog onzuiver en hebben noodig besprengd te worden met het bloed van Christus. „Ontzondig mij met hysop", smeekte David, hoewel hij zich baadde in tranen des berouws, „wasch mij, en ik zal rein zijn! Verberg Uw aangezicht van mijne zonden, en delg uit al mijn overtredingen!" Ps. 51: 7,9. Zondaar, ziedaar het middel!".

Vrede onschendbaar

Op de blzz. 25/26 schrijft Leighton over de vrede met God. „Deze vrede is onschendbaar. De ziel, die haar deelachtig is kan, weliswaar, voor eenen tijd het genot van dezelve verliezen; zij kan aan net wankelen gebracht worden door de zwakheid van zijn geloof, en de kracht der verzoekingen; zij kan zich verlaten gevoelen; zij kan de Goddelijke . genade en liefde en het licht van Gods aanschijn uit het oog verliezen, evenals David uitriep: „toen Gij uw aangezigt voor mij verbergdet, werd ik verschrikt"; maar als deze uren van beproeving voorbij zijn, wordt de ziel verkwikt en verlevendigd door nieuwe vertroostingen, evenals de natuur vernieuwd wordt door den weldadigen invloed van de lentezon. De christen kan in dagen van beproeving alleen versterkt en staande gehouden worden door het bewustzijn dat de genade Gods niet afhangt van ons gevoel, noch van iets dat in ons is, maar dat zij altijd dezelfde blijft en door niets kan worden verstoord". Op blz. 41 lezen we over de erfenis van de kinderen Gods: „Zij is onverwelkelijk; want er is daar geen winter meer die op den zomer volgt. De grootste smart der kinderen Gods hier beneden bestaat niet zozeer in de onbestendigheid hunner eigene gevoelens. Wat zijn die veranderlijk, en hoe kort zijn de oogenblikken van hun inwendig verkeer met God! Suavis hora sed brevis mora — uur zo zoet maar zo kort. Maar eenmaal in het bezit hunner erfenis, plaatst er zich nimmer weder een wolkje tusschen hen en de zon. Zij beschouwen die zon in de volheid harer glans voor eeuwig. De bron van hun geluk is onuitputtelijk, de oneindige God Zelf, en hunne genietingen houden in eeuwigheid niet weder op".

Volle zekerheid

Op blz. 67 lezen we als volgt: „Dit geloof heeft geen uitwendige bewijzen noodig; het heeft het bewijs in zichzelven; in plaats van redeneeringen, bezit het volle zekerheid. Deze liefde is even sterk als de dood, zoodat groote stormen van verdrukking haar niet kunnen uitblusschen; haar voorwerp is God, Die alleen al hare liefde waardig is".
Op blz. 141, om niet meer te noemen, schriift Leighton over de bekering. „De ware bekeering is geenszins een zoo gemakkelijk werk als men gemeenlijk denkt. Zij bestaat niet in het afleeren van eenige gewoonten, maar zij is eene nieuwe geboorte, eene vernieuwing in den geheelen mensch, eene nieuwe schepping, zooals de Bijbel het noemt". Leighton jr. is kennelijk een man geweest die geleden heeft onder de kerkelijke strijd van zijn dagen. Waar anderen, ja zijn eigen vader, zich ten bloede toe tegen hebben verzet, waren het voor hem zaken van minder belang. We kunnen Leighton jr. zeker niet in alles volgen. Maar dat belet ons niet de zuiverheid van veel in zijn geschriften te bewonderen, en te trachten er onze winst mee te doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Vader aartsvijand van bisschoppen, zoon aartsbisschop van Schotse Kerk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken