Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vernoemen geen plicht, maar wel een bijbelse orde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vernoemen geen plicht, maar wel een bijbelse orde

Ds. L. W. Ch. Ruijgrok: „Elk van Gods kinderen zal in de hemel een nieuwe naam ontvangen"

11 minuten leestijd

Luther noemde zijn oudste zoon naar zijn vader Johannes, de tweede naar zichzelf en de derde naar Paulus. Over de apostel zei hij: „Ik heb zoveel aan hem te danken, dat ik wel twee zonen naar hem had kunnen vernoemen". Ook bij de besnijdenis van Johannes de Doper kwam het vernoemen om de hoek kijken. De buren veronderstelden dat hij Zacharias zou heten, „naar den naam zijns vaders". Zijn ouders handelden echter anders. Wat zeggen deze dingen ons? Hoe moeten wij onze kinderen namen geven? Is het een plicht om familieleden te vernoemen? Een bijbelse leidraad voor een christelijke naamgeving.

De 10-jarige Leendert Gerrit Adrianus is de zevende Leendert sinds 1790 in het geslacht Ruijgrok. Zijn vader, ds. L. W. Ch. Ruijgrok, zegt dat hij zijn oudste zoon bewust vernoemd heeft. Een naam dient niet alleen om iemand te onderscheiden van anderen, vindt de hervormde predikant uit Arnemuiden. Er is wel degelijk meer aan verbonden.
„Het geven van namen mag niet onverschillig gebeuren. Uit het Oude Testament blijkt dat godvruchtige ouders hun kinderen nooit zomaar een naam gaven. Meestal hadden de namen een bepaalde betekenis. Ze konden een belijdenis of een profetie zijn. Eljasib ("God zal terugbrengen", gegeven in de tijd van de ballingschap) of Elia ("mijn God is Jahweh", gegeven toen de Baaldienst zijn duizenden onder Israël versloeg) zijn daar mooie voorbeelden van. Of het waren uitingen van dankbaarheid en droefenis, zoals Samuël ("van de Heere gebeden") en Ikabod ("de Eer is weggevoerd"). Soms moesten ouders een naam geven op Gods bevel. Johannes werd om die reden geen Zacharias genoemd. In later tijd komt de gewoonte op om kinderen een naam te geven die herinnert aan het godvruchtig voorgeslacht: Jacob, Jozef, Jozua".

Gelovigen

Het vernoemen begon volgens de Arnemuidense predikant pas in de derde eeuw voor Christus. In de dagen van Johannes de Doper was het al geen gewoonte meer, maar was het min of meer wet. Ds. Ruijgrok: „Calvijn zegt er in zijn commentaar op Lukas 1:59 het volgende over: „Wij weten dat van de vroegste tijden af de mensen namen ontvangen hebben, die soms hun oorsprong te danken hadden aan de samenloop der omstandigheden, soms aan een profetische ingeving, om alzo op enig verborgen werk Gods te zinspelen. Maar toen later de voorraad der namen te zeer aangroeide, dan dat men zonder moeite dagelijks nieuwe kon uitdenken, vergenoegde men zich met de oude, en gaf zijn kroost de reeds in omloop zijnde namen der voorvaderen. Zo hadden velen van Zacharias' vaderen Zacharias geheten. Wellicht was hijzelf van de profeet van dien naam, de zoon van Barachia, afkomstig. Nu weten wij dat veel, wat oorspronkelijk volksgebruik was, allengs wet wordt. Daarom beweren deze mensen, dat men, in het geven van een naam aan het kind, de oude gewoonte behoort te volgen".

Afgoden

De hervormer kon zich hier goed in vinden, want „ofschoon men nu in namen geen heiligheid moet stellen, zo zal - 7^ toch niemand, die gezond verstand bezit, ontkennen dat het vroom en goed is zo de gelovigen in dezen bijzondere voorkeur hebben en hun kinderen namen geven die hun tot lering en opwekking kunnen strekken; en daartoe liever die der heilige vaderen kiezen, ten einde hun kroost tot navolging aan te sporen, dan van ongelovigen".
Ds. Ruijgrok: „Calvijn wil dat het kind door de naam aangespoord en aangemoedigd wordt om net zo vroom te leven als degene naar wie hij of zij vernoemd is. Tegelijk mogen ook ouders en grootouders naar wie het kind vernoemd is, zichzelf wel de dringende vraag stellen: „Ben ik wel vroom en godvruchtig? Ben ik het kind in alles een voorbeeld?" Wie zich dat realiseert, beseft dat vernoemd zijn ook een heilige roeping met zich meebrengt".
De predikant merkt op het zeer te betreuren als mensen kinderen die naar hen vernoemd zijn bevoordelen. „Wat de trieste gevolgen van bevoordeling zijn, zien we in de geschiedenis van Jacob en Jozef. Het feit dat er vanwege namen ruzies of ongewenste toestanden ontstaan bij de verdeling van erfenissen, is ronduit droevig. Ik kan me overigens voorstellen dat ouders teleurgesteld kunnen zijn wanneer kleinkinderen niet naar hen vernoemd worden".
Volgens ds. Ruijgrok kan men uit Calvijns woorden ook afleiden dat het vernoemen naar sporthelden of filmsterren niet oorbaar is voor christenen. „Dergelijke zaken komen voort uit de geest van de afgrond. Toen de Baaldienst haar beslag legde op het volk, werden de kinderen ook naar deze afgod vernoemd".

Grondlijn

Vernoemen is geen bijbelse plicht. Niettemin is er volgens de predikant wel degelijk sprake van een bijbelse orde, die in de kerkgeschiedenis wordt voortgezet. „Een naam is niet neutraal, hij duidt ook de persoon aan. We zijn geen losstaande individuen. We zijn vanuit God gezien unieke wezens. „Ik heb u bij uw naam geroepen", zegt de Heere in Jesaja 43:1. Daarnaast werkt God geslachtsmatig. God noemt Zich de God van Abraham, Izak en Jacob. Onze ouders ontvangen we niet toevallig. Bovendien maken we deel uit van een bepaald volk. Elk volk heeft van Godswege bepaalde kenmerken en eigenschappen toebedeeld gekregen". Om die door God gegeven eigenheid te eerbiedigen, pleit ds. Ruijgrok voor gewone Hollandse namen.
Niet alleen de „grondlijn" geslacht en volk zou naar zijn opvatting best mogen doorklinken in de naamgeving, ook de Heilige Doop en het verbond wil de predikant erbij betrekken. „Ik kom weer bij Calvijn. In een preek over Lukas 2:20 en 21 geeft hij aan waarom de joden de gewoonte hadden om hun kinderen pas bij de besnijdenis een naam geven. Hij meent dat daarin een extra bevestiging ligt van het verbond. Calvijn noemt in dit verband de naam dan zelfs „een onderpand der aanneming"".

Bevestiging

Hij voegt eï aan toe dat de ouders daarom te meer op de naamgeving moeten letten, „opdat de kinderen, als zij tot de jaren van man of vrouw gekomen zijn, zullen verstaan dat zij niet maar eenvoudig gedoopt zijn, maar ook dat men hun een aandenken gegeven heeft, opdat zij zouden erkennen dat zij waarlijk behoren tot het huis Gods". Vandaaruit benadrukt Calvijn dat we de naam die we dragen „altijd met onze doop moeten verbinden". Ds. Ruijgrok: „Je kunt je de vraag stellen: Bij wie leeft dat nog? Zonder dat hij de noodzaak van wedergeboorte en geloof ontkent, ligt in de naamgeving voor Calvijn een sterke bevestiging van het verbond van God".

Een moeilijk punt is het geven van namen aan doodgeboren kinderen. Naar de mening van de predikant is dit niet alleen een tere kwestie, maar ook een zaak van christelijke vrijheid. „Ook bij een levenloos ter wereld gekomen kind is er geen sprake van vergeefs leven. Ook dat leven is door God gewild en heeft een bepaalde plaats in Zijn raad en bestek. Dat geldt ook voor leven dat in de moederschoot sterft. Het geven van een naam is geoorloofd, maar als ouders het niet doen, is het mijns inziens niet verkeerd. Heel ontroerend vond ik wat een ouderpaar in de gemeente eens liet aantekenen in een rouwadvertentie: „Zijn naam is bij God bekend"".

Glibberig

Het spreekt voor zich dat ds. Ruijgrok op grond van de Schrift bijbelse namen niet afkeurt. Alleen tegen het geven van de naam Jezus heeft hij bezwaren. „De naam Jezus is als voornaam vrijwel geheel verdwenen. Alleen in zuidelijke landen komt hij nog voor. Jezus is een persoonsnaam en betekent Zaligmaker. In het Oude Testament kwam het wel voor dat kinderen Jozua (Jezus) werden genoemd, maar dat zag op Hem. Met Zijn komst ging deze Naam in volle vervulling. Christus daarentegen is een ambtsnaam. Afleidingen als Chris(tiaan) en Christina zijn daarom wel toegestaan. Zij dienen dan als aansporing of nadrukkelijke opwekking tot een christelijke levenswandel".
Wie zelf namen wil verzinnen, zal volgens de Arnemuidense predikant met verstand te werk moeten gaan. „Met een naam valt of staat de zaligheid niet, maar het pad wordt glibberig. Het kind zal met een fatsoenlijke naam door het leven moeten. Je moet niet alleen afgaan op klanken die leuk zijn of makkelijk in het gehoor liggen. Laten we in dezen de bijbelse orde maar hooghouden".

Privacy

West-Duitsers mogen hun kinderen geen voornamen geven als Schnapps of Lenin. Pepsi-Carola werd door de oosterburen nog wel goedgekeurd. Ook in Nederland mag men uit een onbeperkt aantal voornamen kiezen. Volgens B. Weijgers, ambtenaar van de burgerlijke stand in Apeldoorn, stelt het Burgerlijk Wetboek echter wel een aantal beperkingen. „Een naam mag niet ongepast zijn en geen bekende achternaam zijn. Daarbij houden we wel rekening met plaatselijke gebruiken. In Harderwijk kent men bij voorbeeld ook de voornaam Janse".
Weijgers heeft tot nu toe nog nooit een naam hoeven weigeren. „Onze voorlichting op dit gebied is goed. We stellen ons lijdelijk op. Soms adviseren we iemand een andere naam te kiezen. We wijzen daarbij op het feit dat een persoon met een naam door het leven moet". De ambtenaar noemt zich ruimhartig, maar zal wel namen weigeren die een negatief effect hebben. „Ik denk aan namen die afkomstig zijn van scheldwoorden. Persoonlijk heb ik er geen moeite mee als mensen hun kinderen vernoemen naar politieke kopstukken, bij voorbeeld Ruud Lubbers".
Ds. Ruijgrok is van mening dat de j overheid zich in deze zaak uiterst terughoudend moet opstellen. „Het blijft een persoonlijke verantwoordelijkheid voor de ouders".

Nieuwe naam

Sommige mensen willen hun voornaam veranderen. Dat kan tegenwoordig vrij gemakkelijk. De betrokkene moet een advocaat inschakelen, die een gemotiveerd verzoek bij een rechtbank indient. Vaak zijn het kleine wijzigingen. „Een vrouw wil voortaan Johanna Anna Maria heten. Oorspronkelijk heette ze Anna Maria, maar ze werd altijd Johanna genoemd. Bij travestieten (mensen die langs operatieve weg van geslacht veranderen, WHS) gaat het zelfs om zeer kleine naamswijzigingen. Peter wordt bij voorbeeld Petra", vertelt Weijgers. Het veranderen van een naam mag volgens ds. Ruijgrok alleen als men een zotte naam draagt of als die indruist tegen de christelijke levensovertuiging. „In de eerste christengemeenten veranderden slaven wel hun naam wanneer ze tot geloof kwamen".
De predikant kan het ook goed begrijpen dat mensen die gebukt gaan onder een bespottelijke achternaam, die naam laten veranderen. „Men moet zich echter altijd afvragen: Welke gedachtengang zit er achter? Ik kan er in meegaan als er sprake is van een bespottelijke naam. De naamswijziging om emancipatorische of feministische redenen moeten we echter afwijzen. Ook dat druist in tegen de principiële grondlijn".
Ds. Ruijgrok wijst er op dat Gods kinderen in het hiernamaals een nieuwe naam zullen ontvangen. „Het duidt op de algehele vernieuwing en verheerlijking, die hun deel zal worden. Tegelijk ligt er ook in opgesloten hoe God de eigen persoonlijkheid van elk van Zijn kinderen zal handhaven en verheerlijkt terug doet komen. In die verscheidenheid zal te meer schitteren de veelkleurige wijsheid van God". 

De ouders konden hoog en laag springen, de ambtenaar van de burgelijke stand was niet te vermurwen. De vader had verzocht aan de voornaam van zijn zoon Gijsbert de naam Gerszoon toe te voegen. De ambtenaar meende echter dat Gerszoon een bestaande geslachtsnaam was en weigerde die in de geboorteakte op te nemen. De vader spande een rechtszaak aan, waar zijn verzoek tot wijziging van de voornaam werd afgewezen. In hoger beroep kregen de ouders echter wel hun zin. De verzochte voornaam Gerszoon bleek als geslachtsnaam in Nederland niet voor te komen. Ook stemde de voornaam niet overeen met bestaande geslachtsnamen, ook niet met de geslachtsnaam Gersen, Gerssen of Gerzon. Bovendien vond het Hof de voornaam Gerszoon niet ongepast. De ambtenaar van de burgelijke stand moest de naam alsnog in de geboorteakte opnemen.

Sinds februari van dit jaar gelden er nieuwe richtlijnen voor het wijzigen van achternamen. Iemand die zijn geslachtsnaam wil laten veranderen moet een verzoek richten aan de Koningin en dit verzoek samen met een uittreksel van het bevolkingsregister sturen naar het ministerie van justitie (t.a.v. Onderafdeling Burgelijke Staat, Postbus 20301,2500 EH Den Haag). Het wijzigen van een achternaam kost 500 gulden. Vroeger was dat meer. Wie dit bedrag niet kan betalen, kan op het gemeentehuis een bewijs van onvermogen halen, waarmee (gedeeltelijke) ontheffing van betaling kan worden aangevraagd. Wanneer de betrokkene minderjarig is, wordt de Raad van de Kinderbescherming ook bij de procedure betrokken. De beslissing valt dan pas na een jaar. Bij meerderjarigen duurt die periode een halfjaar. Mocht de beslissing negatief uitvallen, dan kan men bij de Raad van State in beroep gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Vernoemen geen plicht, maar wel een bijbelse orde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1989

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken