Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Friezen waren „tot onderwerping zeer ongezind

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Friezen waren „tot onderwerping zeer ongezind"

Floris V vergaf 700 jaar geleden „allen twiste, die ghewesen hevet tusschen ons ende die onse van Drechterlant"

10 minuten leestijd

Twee eeuwen geleden werd in Frankrijk de roemruchte Revolutie ingezet. Veel bloed werd vergoten in naam van de vrijheid. Aan een andere strijd kwam zeven eeuwen geleden een einde: de ruim 300 jaar durende Westfriese vrijheidsstrijd. Toen kon de populaire graaf Flons V van Holland zegevieren. Ter vergelijking: de Franse Revolutie duurde zes jaar. Over deze Revolutie is onlangs veel te doen geweest, nu is het tijd om eens te kijken naar ons vaderlandse verleden. Waarom wilden de Friezen (lees: Westfriezen) zich niet onderwerpen en waarom kónden de Hollanders de Friezen niet onderwerpen?

Ten oosten van globaal de lijn Alkmaar/Haarlem lae West-Friesland, bestaande uit "Drechterlant" in het Noorden en "Waterlant" in het Zuiden. Ten westen van deze lijn lag het "Kennemerlant". Vanaf de tiende eeuw strekte het gezag van de Hollandse graven zich uit over het huidige Zuid-Holland, Zeeland en de Kennemer. Tussen de steden Haarlem (het centrum van de grafelijke macht) en Alkmaar lagen de kastelen van de Hollandse adel, de diverse dorpjes en, half verscholen tussen de duinen, de abdij Egmond.
„De Keizers (van Duitsland) begiftigden de Graven van Holland met Landen door de Westfriezen bewoond, maar deze waren tot onderwerping zeer ongezind. Onversaagd, hardnekkig, behielden of herwonnen zij, eeuwen achtereen, hun onafhankelijkheid, in streken meestentijds ongenaakbaar door de vele stroomen, meeren en moerassen", aldus Groen van Prinsterer in zijn Handboek uit 1841. De Friezen wilden zich niet aan het Hollandse bestuur onderwerpen, zij „wouden vrij sitten ghelijck sy pleghen te doen, Keyservrij" (P. Schriverius, 1646). Waarom zouden de Friezen de grafelijke schatkist moeten vullen, aan de Hollandse rechters onderhorig zijn of, vanwege de heervaart, in hun legers meevechten?
Zowel ten tijde van de Romeinen als onder Karel de Grote, dus ongeveer tot en met de negende eeuw, konden ze redelijk zelfstandig blijven.
De graven probeerden hieraan met wapengekletter een einde te maken, ofschoon doorslaggevende successen eeuwenlang uitbleven.

Rietkragen

Op welke manier slaagden de Friezen erin om zo lang onafhankelijk te blijven? Hun posities waren strategisch gunstig, over land waren er namelijk maar enkele, vrij smalle toegangswegen, ze waren meesters in de guerrilla-tactiek en ze waren doorgaans niet bang uitgevallen. In de Hollandse legers ontbrak het dikwijls aan een goede gevechtscoördinatie en het vermogen om zich aan te passen aan het drassige gebied.

Wanneer de Friezen in de verdediging gedrongen werden, legden ze hinderlagen. Het overwegend vlakke land werd dikwijls onderbroken door kreken, meren en moerassen. Hier waren goede mogelijkheden voor de guerrilla-tactiek: wanneer men zich in rietkragen verschool, was de vijand overal en nergens. Vanuit zulke hinderlagen konden Hollandse ridderlegers prima worden aangevallen en, zoals bij voorbeeld in de winter van 1168 bij Schagen, vernietigd.

Deze hinderlagenmethode had ook in 1256 bij Hoogwoud succes. Graaf Willem II was tot Roomskonihg gekozen, keizer over het Duitse Rijk, zodat hij zich het gerommel in zijn achtertuin niet langer kon permitteren. Dus ging hij de Friezen tegemoet. Hij reed ongemerkt •vrij ver voor zijn troepen uit: hij meende zijn tegenstanders reeds ontdekt te hebben en snelde —het was op een koude winterdag- over het ijs. Zijn ridders waren verstandiger en namen, bevreesd voor het gekraak van het ijs, een omweg over de oever.

Melis Stoke beschreef circa 1300 in welke benarde positie de Roomskoning verkeerde: „De Vriesen onghetelt/ Stonden ghescaert nahaere wisse". Fluks sprongen ze vanuit het struweel te voorschijn. Inmiddels was Willem met paard en al door het ijs gezakt. De Friezen „sloeghene doot al onbekent". Eerst later hadden ze in de gaten wie ze hadden uitgeschakeld. Het Hollandse leger was toen reeds teruggetrokken.

Zonder pardon
De Friezen waren veel lichter bewapend dan de grafelijke ridderscharen. Lodewijk van Velthem, tijdgenoot van Stoke, noemt "colven ende maetsuen", knuppels en knotsen. Soms gingen ze zelf in de aanval volgens het principe "hit and run": snel plunderen, brandschatten en weer terug. Zonder pardon vielen ze aan in 1132,1166,1167, en „de kerke van Alcmaer/ Entie marct branden, dat si stoof,/ Ende namense wel zwaren roof". Dit zfcgt tevens voldoende over hun toenmalige christelijke gezindheid. Wat opmerkelijk is: 's nachts trokken de Friese mannen volgens hun gewoonte altijd terug „weder te haren wiven". Waartoe de Hollandse graven niet bij machte waren, was voor geëmancipeerde Friezinnen blijkbaar geen probleem.

Tegenaanvallen

Hoe probeerden de Hollanders hun tegenstanders te verslaan? De voorpost te Alkmaar werd al vroeg voorzien van muren en een kasteel. Toch was het duidelijk dat het offensief moest worden ingezet. Een beproefde methode was om in de winter — „ghelijc enen marberstene was Vrieslant al hert vervroren"- aan te vallen. Aanvalspaarden waren minstens zevenmaal zo duur (sommige 87 keer) als gewone paarden en de ridders waren zeer bevreesd voor blessures aan 'hun' kostbare benen. Ze waren al vroeg wijs geworden, zeker in vergelijking met de hardleerse Franse ridders die nog in de Honderdjarige Oorlog (vijftiende eeiiw) het Engejse voetvolk in de moerassen opzochten.
Of je steeg van je paard, of je wachtte op strenge vorst. Het strijden op smalle landengten tussen het water had al eerder in de geschiedenis tot grote nederlagen geleid. In 993 „voerde graaf Arnulf van Holland op de vlakke weilanden van Winkel een harde strijd tegen de Friezen. Nadat velen gesneuveld waren, verhevigde de strijd nog meer en werd de graaf er met Gods instemming gedood";aldus vertaalt de auteur van de Tielse kroniek. Toen zoon Dirk in 1018 wraak wilde nemen, sloeg zijn leger op de vlucht, want er klonk in de lucht een vervaarlijke stem die volgens Stoke „vliet, vliet" riep en volgens Johan de Beka „fugite, fugite".
Afgezien van enkele Hollandse overwinningen, waarbij de geroofde „cleder, koeyen ende paert" op de Alkmaarse markt tentoon werden gesteld, weigerden de Friezen zich te onderwerpen.

Wraakneming

De opvolger van de gesneuvelde Willem II was de bekende Floris V, "der keerlen God", zo genoemd omdat hij veertig man tot ridder sloeg. Voor hem gold een in de Middeleeuwen veel voorkomend motief voor nieuwe strijd: wraak. Zijn eerste poging daartoe mislukte geheel, omdat hij een dam die bij Alkmaar over het riviertje de Rekere moest worden geslagen onvoldoende had beveiligd. Het Hollandse leger werd opnieuw letterlijk en figuurlijk in het nauw gedreven en zoals zo vaak: troepen die op de drassige Winkelmeet richting Niedorp waardeloos waren, toonden pas hun kracht toen ze, op de vlucht gejaagd langs de Alkmaarse muren en haar huiverende bevolking, de droge geestgronden ten zuiden van de stad hadden bereikt. De eer kon nog net worden gered door honderden Friezen te verslaan, maar de expeditie was op een fiasco uitgedraaid.
Tien jaar later, in 1282, veranderde Floris plotseling van strategie. Nu werd het met Gelderse ridders versterkte leger ingescheept, zo schrijft Willem de procurator, en
-hoogst ongebruikelijk- bij Wijdenes aan land gezet. De Friezen waren verbluft bij deze aanval vanuit het Oosten en delfden het onderspit.

De kroniekschrijvers vertellen uitvoerig hoe de graaf het lichaam van zijn vader op aanwijzingen van de enige oude Fries die het nog kon of wilde vertellen onder een Hoogwoudse haard na 26 jaar kon bemachtigen. Floris was erg dankbaar en zei met een blik op "tghebeente": „Dat ie so vele dus mach scouwen/ Van den vader, de mi ghewan (gewon)". Floris was namelijk geboren in het jaar waarin zijn vader, op 22-jarige leeftijd, stierf.

Het lichaam werd in de abdij van Middelburg, ver van de Friezen vandaan, herbegraven. Tussen twee haakjes: het graf dat nu in de Nieuwe kerk aldaar zijn naam draagt, bevat waarschijnlijk het lichaam van een oom van Floris V, Floris "de Voogd". Het stoffelijk overschot van Willem is later bij een brand verloren gegaan.

Dijkenbouwers

Enkele jaren later werd de Friese nederlaag een feit. Floris had zijn leger in "Drechterlant" gehouden om een aantal burchten te bouwen. Twee ten noorden van Alkmaar, een te Warmenhuizen, te Medemblik en te Wijdenes. De resten hiervan zijn teruggevonden. Floris zorgde ervoor dat het moeilijk was om ze te belegeren, „want sy niet verre van malcander en stonden" (Goudse kroniek). De beste verbindingswegen werden gevormd door dijken. De burchten moesten de dijken beschermen en de dijken moesten op hun beurt de aanvoer van proviandering en versterkingen mogelijk maken.

Het gaat te ver om te veronderstellen dat de Friezen zelf geen dijken konden aanleggen, in tegenstelling tot de meer beschaafde Romeinen of Hollanders. Niet alleen maakt Melis Stoke melding van "weghen ende dikten" tussen Schorel en Schagen: zelfs Alpertus van Metz (vroege elfde eeuw!) schrijft over de Friese bedrijvigheid in de waterrijke streek rond Vlaardingen: „Rond de gehele vlakte hadden zij dijken aangelegd, hetzij tegen het tij, ofwel om vijanden de weg te versperren". Uit dit fragment blijkt eens te meer het militaire belang van dijken. Vaak wordt Floris gunstig afgeschilderd als dè dijkenbouwer in het Friese gebied, naar ik meen niet geheel terecht.

Uitgedund

Floris kreeg een machtige bondgenoot om het resterende "Waterlant" onder de duim te krijgen. In de barre winter van 1287 kwamen "twe vloede so crachtich" dat zelfs "Suuthollant verdranc oec mede". De graaf nam onmiddellijk zijn kans waar. Hij stuurde vele troepen, schepen en "Heer Diderick de Heer van Brederoeden... ende nam gysel (gijzelaars) uyt allen dorpen, ende bedwanck also sonder bloetstortinge al Westvrieslant". (A. Matthaeus, zeventiende eeuw). Deze wrede methode om onschuldigen te gijzelen was en is helaas in oorlogstijd nog altijd gewoonte.

Begrijpelijk waren de Friezen die de watersnoodramp overleefden niet langer in staat om zich te verzetten. De zee had hun posities geïsoleerd en hen de ruimte voor hun guerrillamethoden ontnomen. Bovendien waren hun gelederen zeer uitgedund. Eindelijk waren de rollen omgekeerd en hadden de Hollanders voordeel gehad van hun hoger gelegen geest- en duingronden.

Vergheven...

Ruim een jaar later, in 1289, werd de onderwerping van de Westfriezen in mildgestemde oorkonden vastgelegd. „Wi Florens grave van Hollant, maken kond (delen mee) allen den ghenen, die desen brief sullen sien of horen lesen, dat wi van allen twiste, die ghewesen hevet tusschen ons ende die onse van Drechterlant, met hen overeenghedraghen hebben, ende vergheven..."!

De Westfriese rebellie was nu ook juridisch ten einde. Dat er nog geen tien jaar later rond Medemblik opnieuw verwoed werd gevochten, doet aan dit feit niets af. Wanneer in dat zelfde jaar 1296 Floris op 23 juni 's middags te Utrecht na een dutje door Gijsbrecht van Amstel wordt gewekt, zij samen een glas wijn drinken en Floris daarna „nietsvermoedend met een valk op de vuist door de Catharijnepoort de stad uitreed op weg naar de rivier waar zijn doodsvijanden op hem wachtten" (W. P. Gerritsen) en hij na een gijzeling van enkele dagen samen met de andere ontvoerders (waaronder Herman van Woerden en Gerard van Velzen) het Muiderslot zou ontvluchten, waren het óók de Friezen die hem wilden bevrijden! Zoals bekend werd Floris door Gerard van Velzen gedood. Nog niet zo lang geleden is in de overblijfselen van de Rijnsburgse abdijkerk zijn skelet teruggevonden.
De Hollandse graven waren in ieder geval heer èn meester, op papier èn steeds meer in werkelijkheid. Of dit nu ten slotte inderdaad „sonder bloetstortinghe" had plaatsgevonden, is helaas wat te veel van het goede gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Friezen waren „tot onderwerping zeer ongezind

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken