Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geen bidstond vanwege de conjuncture van de tijd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geen bidstond vanwege de conjuncture van de tijd

Achtergrond Graft als voorbeeld van een plattelandsgemeente tijdens de Franse tijd

11 minuten leestijd

GRAFT - Het is 27 januari 1795. Schout Cornelis Blaauw van Graft Iaat bij alle predikanten en pastoor Bono een briefje brengen. De woensdagbidstond moest „vanwege de conjucture van de tijd" maar niet gehouden worden. Die bidstond was immers, twee jaar eerder, uitgeschreven na het uitbreken van de oorlog met het revolutionaire Frankrijk. Andere tijden, andere regels. De schepenen Kramer en Koorn schrijven —eveneens vanwege de conjucture van de tijdvoor de volgende zaterdag een vergadering van de vroedschap uit. De vroedschapsplaatsen moeten „in de schoot der burgerij gelegd worden", zo stellen zij voor. De Bataafse revolutie op het Noordhollandse platteland. Wat veranderde er allemaal?

Geschiedenisboeken hebben soms een groot nadeel. Ze beschrijven ontwikkelingen door de eeuwen heen. Daardoor zijn ze algemeen van aard en richten ze zich op personen in centra van maatschappelijke en geestelijke activiteiten. Door hen en daar wordt immers historie geschreven!

De geschiedenis van de gewone man komt zo nauwelijks aan bod. De meerderheid van de bevolking behoorde echter tot de massa der gewone mensen. Hoe dachten en handelden zij? Hoe reageerden zij op de gebeurtenissen die achteraf de loop van de geschiedenis beïnvloedden? Om een antwoord op die vraag te krijgen is een gedetailleerde studie van hun doen en laten nodig.

Prof. dr. G. J. Schutte van de Afdeling Nieuwe Geschiedenis van de Vrije Universiteit beschrijft in "Een Hollandse samenleving in de late achttiende eeuw" zo'n gewone plattelandsgemeenschap. Onderwerp van de studie is de banne Graft. Dit dorp vormde met Noordeind, Oostgraftdijk en Westgraftdijkeen bestuurs- en rechtseenheid (banne) op het Schermereiland. Het reilen en zeilen van deze gemeenschap wordt aan de hand van de archieven van de plaatselijke instellingen en bestuursorganen uit de doeken gedaan. Zo krijgt de lezer een beeld van het bestuur vyn een laat achttiendeeeuwse Hollandse samenleving en daarmee van de opvattingen en verhoudingen die er opgeld deden.
********************************************************************

Erg soepel verliep de omwenteling niet. Vroedschap bakker Sypheer kon 's zaterdags niet achter zijn oven weg. Ook Muus de Jongh was verhinderd. De vergadering moest dus maar verdaagd worden naar maandag. De overgang van oud naar nieuw kon dan tijdig en vooral ordelijk geregeld worden. 
Dat was niet naar de zin van de inderhaast in Oost- en Westgraftdijk gevormde Comités Révolutionaires. Zij zorgden ervoor dat diezelfde zaterdag in Graft ook een Comité werd gevormd. Dat klopte bij Blaauw aan met de mededeling dat het er was èn dat de vroedschap werd ontslagen. De burgerij diende om vijf uur in de kerk bijeen geroepen te worden. Ter zijde zij vermeld dat Blaauw zijn ontslag „tot welzijn van de burgerij deezer plaats en tot heil van 't lieve vaderland" grif aanvaardde. Hij was een man met vooruitziende blik.

Eigen tempo

Overigens had Blaauw wel zijn bedenkingen over het tijdstip van de vergadering. „Kon het niet tot maandag wachten?" Dat was niet het geval. Toch ging de vergadering niet door. De bode had geen opdracht, van de kerkmeesteren om de kerkdeuren te ontsluiten. Dus weigerde hij. Intussen was de bevolking te hoop gelopen. Zij weigerde de drie Comitéleden als zodanig te erkennen en het afdanken van de regenten kon best wachten tot maandag. Bataafse revolutie? Akkoord, maar dan wel in eigen tempo.
Die volgende maandag werd er een nieuw Comité gevormd, dinsdag daarop koos de Grafter burgerij zes provisionele representanten, onder wie... vijf leden van dé oude vroedschap. Nu moest er -de omwenteling ging door— een maire (burgemeester) gekozen worden. De provisionele representanten worden twee dagen later bijeengeroepen, horen een rede aan van dominee van Zaanen uit Oostgraftdijk, die namens de Comités de puntjes op de i zet, en... Jciezen dan Blaauw als maire.
Schutte voegt daar min of meer ironisch aan toe: „Vrijheid, gelijkheid en broederschap hadden ook in de banne Graft gezegevierd".

Gegevens

Hoewel het boek een beschrijving is van het tijdvak 1770-1810 is de geschiedenis van de omwenteling een centraal hoofdstuk. Emoties, inzichten, tevredenheid met eigen 'lot' zijn dingen die zich niet zo snel laten aflezen uit tabellen en notulen. Als diezelfde bronnen geraadpleegd worden voor en na een gebeurtenis die de mogelijkheden in zich had om andere meningen een kans te geven, is er wat te leren.
Allereerst schotelt Schutte ons de bevolkingsgegevens voor, zowel voor de banne als voor de vier onderscheiden dorpen. Die getallen lopen gestaag terug. Ook de bronnen van inkomsten verschuiven. In het begin van de achttiende eeuw ging de Graftenaar nog wel naar zee (de walvisvaart), later is er geen zeeman meer te vinden. 
Wél gaan er meer dorpsgenoten in de agrarische sector werken. Daarnaast waren vrij veel Graftenaren betrokken bij de handel en industrie. We leren dus écht geen ingedut plattelandsdorp kennen, integendeel. Ook de honkvastheid valt mee (of tegen). Er was vrij veel migratie, tussen de dorpen onderling, maar ook met stad en platteland.
De Franse tijd bleek een zorgentijd. De prijzen stegen, de inkomsten namen eerder af dan toe. Geen wonder dat het aantal bedeelden toenam. Ook op dit gebied spreken de cijfers, maar de soms anekdotische beschrijvingen vertellen van de mensen achter de cijfers. Dat is het sterke van dit boek: zelfs als de grote lijn te complex is voor de lezer, boeit het onderdeel. Het is misschien ook de sterke kant van deze wijze van geschiedenis schrijven.

Bestuurders

Een samenleving behoeft regels. De banne kon haar bestuur zelf regelen. Dat werd gevoerd door vroedschap, schepenen en schout. In deze volgorde zijn die enigszins te vergelijken met onze raad, wethouders en burgemeester. De vroedschap vulde zichzelf uit dubbeltallen aan. Dit college koos de schepenen, soms uit zijn eigen midden. Ten slotte benoemde het ook de 'spil' waarom de bestuurlijke activiteiten draaiden, de schout.
Hoewel gesproken kan worden van centraal bestuur, werd wel degelijk rekening gehouden met de vier kernen. De vroedschap van 14 personen werd volgens een bepaalde verdeelsleutel tussen de dorpen gekozen. Daarnaast fungeerden de uit het dorp afkomstige vroedschappen ook als dorpsvroedschap. Decentralisatie van bestuur dus. Op deze wijze waren benoemingen als voor klokkenluider, vroedvrouw, dorpswaker, maar ook de goedkeuring van een beroep op een predikant, echt dorpszaken.
Opeenhoping van functies kwam voor. Toch is het verrassend te zien hoeveel inwoners betrokken waren bij de een of andere vorm van openbaar bestuur. Een percentage van rond de 18 procent is hoog te noemen, zeker omdat dergelijke functies eigenlijk alleen weggelegd waren voor leden van de gereformeerde kerk. De praktijk was overigens soms soepeler dan de leer.

Dienaren

Tegenover de bestuurders staan de dienaren. Ook zij krijgen de nodige aandacht, van bode tot -want dienaar was hij— schout. Daarna wordt beschreven hoe de overheid optrad. Rechtspraak van schout en schepenen, vergaderingen van de vroedschap en het uitvaardigen van keuren. Zondagsheiliging, toestemming voor kermis houden, het loslopen van honden, het schieten in het veld door jagers, het schoonhouden van sloten en wegen zijn kennelijk tijdsbestendige bestuurlijke aandachtspunten. Daarbij valt op dat er bepaald geen sprake was van een soort vadertje-overheid. De vroedschap gaf de kaders aan, waarbinnen de dorpelingen grote vrijheid hadden.

Besturen in Graft was: „zoveel mogelijk aan initiatief en verantwoordelijkheid van de inwoners of door hen gevormde corporaties, aan de onderlinge sociale controle, overlaten". Goed betaald werd het bestuurswerk niet, soms alleen maar per veel tijd vergende handeling. Een enkele keer sprong men uit de band. De rekening van de verteringen op de jaarlijkse schouwdag was in 1790 zo hoog, dat besloten werd dat de , schepenen voortaan thuis moesten ontbijten en dat de kastelijn weinig of geen morgendrank mocht schenken. Een kop koffie en een mootje vis of vlees („dog niet beyde op een maaltijd") mocht, aan het eind van de middag kon er dan nog een kop thee of glas wijn af. Zo werd orde op zaken gesteld. 

Conjunctuurgevoelig

Wie meer wil weten over de gemene en kerkelijke armenzorg kan eveneens in het boek terecht. Die hulp was een beetje afhankelijk van de conjunctuur. Er was een bepaald bedrag, afkomstig van renten over beleggingen. Dat mocht besteed worden. Meer armen betekende dus lagere uitkeringen, want interen op het kapitaal kon niet en meer geld uit de gemeenschap halen was eveneens een onmogelijkheid. De hulp was zo mogelijk tijdelijk; wie kon werken moest zo snel mogelijk aan de slag.
Voor wat hoort wat. De kerkenraad van Graft deelde loodjes uit aan degenen die hij onderhield.

De kerk

Die moesten de armen 's zondags in morgen- en middagdienst terugbrengen... „opdat het blijke dat sij ter kerke zijn geweest en sij zullen zonder wettige verhindering gehouden zijn stiptelijk tot het gehoor des Woords op te komen of anders voor dien tijt van haare bediening versteeken blijven". Zo ging dat. „Maar", zo zegt Schutte, „men nam dat voor lief".

Zelfs de Nationale Vergadering sprak in 1796: „Zonder godsdienst is er geen maatschappelijk geluk". De kerk hoorde er (nog) bij. In de banne Graft was dat niet anders. Gereformeerden, doopsgezinden en rooms-katholieken leefden naast elkaar. Uiteraard domineerde de gereformeerde kerk. De beschrijving die gegeven wordt, is ongetwijfeld illustratief voor vele gemeenten in die tijd. Niet te vrijzinnig en niet te orthodox. Een doorsnee gemeente, met zijn goede en kwade kanten. Niet groot, dus een typische proponentsplaats. Als bij een vacature besloten was te beroepen, werd „de Heren Proponenten" door middel van een stukje in "De boekzaal der geleerde waereld" gevraagd „hun gaven te laten horen".
Een andere zaak waaronder de relatief kleine kerkelijke gemeente gebukt ging, was dat er met moeite ambtsdragers gevonden konden worden.
Bedanken was er dan ook niet bij, tenminste dat werd zeer kwalijk genomen'. In een van de dorpen kon het zelfs tot censuur leiden. Men werd, aldus Schutte, dan ook niet direct gekozen op religieuze bekwaamheden, veel meer werd het kerkenraadswerk gezien als de publiek te vervullen bestuursfuncties. Dubbelfuncties komen dan ook voor; de sociaal-economisch sterkste groep van het dorp maakt ook in de kerk de dienst uit. Er traden echter verschuivingen op. Het is voorgekomen dat kerkenraadsleden door de diaconie gesteund werden. Er was dus geen absolute welstandsgrens.
De doopsgezinden en rooms-katholieken werden geduld, de eersten wat meer dan de anderen. Zij hebben leren leven met hun tweederangspositie, de dominantie van de staatskerk raakte hen nauwelijks. In voorkomende gevallen was er zelfs wel sprake van wederzijds dienstbetoon, terwijl de (door de overheid aan de gereformeerde kerk voorgeschreven) bid- en dankdagen ook door de andere kerken werden overgenomen.

Het bleef echter een tweederangspositie. Onderhuids is er dan altijd wel wat. Dat bleek: de doopsgezinden met name ontpopten zich als patriotten. Hun predikant Van Zaanen was degene die de provisionele representanten toesprak voordat zij de maire kozen. Bij de roomsen was die reactiehouding nog sterker. Zij waren door de tijd meer geïsoleerd geweest en hadden een grotere behoefte aan gelijkschakeling. Tenslotte hadden de plattelandsbewoners ook een gemeenschappelijk belang dat met de omwenteling gediend was: de gelijkschakeling met de steden.

De verschillen waren niet zo groot dat ze een maatschappelijke revolutie tot gevolg hadden. Toen er mogelijkheden tot verandering waren —we zijn ermee begonnen— verliep alles vrij rustig. Schutte vermoedt dat Graft ook daarin een toonbeeld kan zijn van het platteland in het algemeen.
Hoewel men niet met revolutio

nair elan vooropliep, werden vernieuwingsvoorstellen geaccepteerd. De bevolking aanvaardde een meer democratische verkiezingsprocedure, maar de sociale structuur en hiërarchie werden nauwelijks aangetast. Men had al vrij veel invloed op het bestuur en men kende de bestuurders. De gemeenschap was te hecht, te autonoom in haar handelen, om al te veel te experimenteren met andere vormen. Het meest ingrijpend was misschien dat doopsge-, zinden en roomsen nu ook bestuursverantwoordelij kheid mochten dragen en daar ook naar stonden. Door een 'coalitie' tussen gereformeerden en doopsgezinden, werden de rooms-katholieken echter weer netjes naar de zijlijn gemanoeuvreerd.

Al te veel rechten mocht men: zich echter niet toe-eigenen, want: „het oogmerk der revolutie is niet, alle orde te vernietigen en een bandeloosen vrijheid in derselver plaatse te stellen, integendeel dat de vrijheid thans bekoomen, moet rusten op gelijkheid en broederschap, en bijgevolge dat de burgerijen zijn enmoeten blijven ondergeschikt aan wetten, dat tendien eijnde de repraeseritanten van de banne van Graft hebben beslooten, bij provisie nog in volle kragt te laeten alle keuren, ordonnantiën of wat van dien aerd meer is in den banne van Graft betreffende".

Zo vertelt het boek rijk geïllustreerd in woord en beeld de geschiedenis van dit Noordhollands dorpenkwartet. Archieven lichte|S|, echter in, zo schrijft Schutte, over de daden, niet over de gedachten van de bevolking. Hij vult d|t manco aan door een afsluitend hoofdstuk over Ontwikkeling en cultuur. Daar had wel wat meer over de tijdgeest in kunnen staan, want hoewel de omwenteling administratief vrijwel geruisloos verliep, ook in Graft waren de geesten rijp (gemaakt).

Geen generalisatie

Daarna wordt datgene wat beschreven is, veralgemeniseerd tot een beschrijving van de dorpsgemeenschap en dorpscultuur. Schutte wacht zich wel een accent te zetten op de dorpsgemeenschap, daarvoor was de studie over Graft te sterk gericht op die ene gemeenschap.
Hij slaagt en wel in een eventuele karikatuur van een plattelandsgemeente weg te nemen. Hij komt tot de conclusie dat ondanks alle v.erschillen geen sprake is van een wezenlijke' tegenstelling tussen de volks- en elite(stads)cultuur, of tussen plattelandsgemeenschappen onderling. Alleen „op dorpsniveau vertoonden het wereldgebeuren en het menselijk handelen eenvoudige, bescheiden proporties. De maat van gewone mensen".
Dat laatste maakt het boek aantrekkelijk, wat versterkt wordt door de uitvoering. Wie geïnteresseerd is in lokale geschiedenis naar menselijke maat zal hef graag ter hand nemen. 

N.a.v. "Een Hollands^ dorpssamenleving in de late achttiende eeuw, 
De banne, Graft, 1770-1810", door prof. dr. G. J. Schutte;, 
uitg.: Van Wijnen te Franeker, 1989; 237 blz.; prijs 39,50 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 11 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

Geen bidstond vanwege de conjuncture van de tijd

Bekijk de hele uitgave van maandag 11 september 1989

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken