Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Regering terughoudend in steun aan kerken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Regering terughoudend in steun aan kerken"

Minister Van Dijk op symposium over kerk en staat:

3 minuten leestijd

TILBURG - Het regeringsbeleid dient ongeacht de politieke kleur van het kabinet terughoudend te zijn in steun aan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. De regering is daartoe verplicht door zowel het beginsel van scheiding van kerk en staat als de grondwettelijke vrijheid van godsdienst. Die terughoudendheid mag er niet toe leiden dat de overheid zich niets aan de genootschappen gelegen laat. Algemene steunverlening is weliswaar onmogelijk, maar in „bijzondere omstandigheden" kan aanleiding gevonden worden tot een secundaire, subsidiaire steun.

Dit zei demissionair minister van binnenlandse zaken, drs. C. P. van Dijk, gisteren in Tilburg tijdens een studiedag over de verhouding kerk en staat.
De dag werd op de Katholieke Universiteit Brabant gehouden en was georganiseerd door de vakgroep staatsrecht aan de theologische faculteit in samenwerking met de rooms-katholieke Radboudstichting. Centraal stond de vraag over de verantwoordelijkheid die de overheid op dit terrein (steunverlening of niet?) toegeschoven mag krijgen.
Medewerking werd verleend door demissionair minister van binnenlandse zaken drs. C. P. van Dijk, prof. mr. E. Hirsch Ballin (hoogleraar staatsrecht KUB, voorzitter van de gelijknamige staatscommissie), dr. H. J. van Munster (secretaris-generaal van de rooms-katholieke bisschoppenconferentie), CIO-voorzitter A. J. Gijsbers, mr. S. den Dekker-van Bijsterveld (docent staatsrecht KUB en ClO-secretaris) en de Tilburgse moraal-theoloog prof. dr. K. W. Merks.

Enige steun

Van Dijk verwees in verband met het noemen van „bijzondere omstandigheden" naar de door de staatscommissie Hirsch Ballin in kaart gebrachte vormen van zogenaamde categoriale geestelijke verzorging. Verder noemde Van Dijk de zorg voor monumentale kerkgebouwen (meer dan 2200 van de circa 5000 Nederlandse kerkgebouwen vallen onder de Monumentenwet) en het probleem van de gebedsruimte voor moslims en hihdoes. Bij dat laatste punt is volgens het kabinet enige steun ter verkleining van de achterstand situatie acceptabel. Van Dijk sloot hierbij aan bij het eerder door de commissie Hirsch Ballin gedane voorstel tot instelling van een tijdelijke subsidieregeling voor gebedsruimten.
Van Dijk meldde overigens dat het kabinet geleerd had van de kritiek die het voorlopige kabinetsstandpunt van oktober 1988 met betrekking tot de staatscommissie Hirsch Ballin opriep en dat er wellicht bij het bepalen van het voorlopige standpunt van regeringszijde te weinig waardering was gebleken voor de activiteiten ontplooid tot kerken en levensbeschouwelijke genootschappen. Nochtans ontslaat dat de regering niet van de plicht op het terrein van de steunverlening criteria aan te leggen die hun basis vinden in het beginsel van de scheiding van kerk en staat.

Geen kerkbeeld opleggen

Hirsch Ballin benadrukte in zijn betoog dat de rechtsstaat verplicht is godsdienstige en levensbeschouwelijke verscheidenheid te verdragen met alle ongemakken van dien, met als meest in het oog springend probleem de ongelijkvormigheid van de verschillende genootschappen (bij voorbeeld relevant in verband met vragen van ledental). Bij het verschaffen van overheidszorg moet voorkomen worden dat van overheidswege een bepaald kerkbeeld aan de samenleving wordt opgelegd.
Hirsch Ballin stelde —en was hiermee minder terughoudend dan minister Van Dijk- dat overheidszorg onmisbaar is als de verwerkelijking van grondrechten (hier: de vrijheid van godsdienst) bedreigd wordt door de „hardheid van de sociaal-economische omstandigheden". Minister Van Dijk hield op dit punt eerder voor dat artikel zes van de grondwet met betrekking tot de vrijheid van godsdienst geen steunplicht van overheidswege inhoudt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 oktober 1989

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

„Regering terughoudend in steun aan kerken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 oktober 1989

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken