Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In staat van ooriog, totdat het ongeloof is overwonnen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In staat van ooriog, totdat het ongeloof is overwonnen

Achtergrond Historicus stelt misverstanden over islam aan de kaak

8 minuten leestijd

JERUZALEM - Is Jeruzalem een heilige stad voor de islam of niet? Tegenwoordig bevestigt iedereen dit, maar dat is niet altijd zo geweest. In vroeger tijden bestond er onder veel islamitische theologen en rechtskundigen weerstand tegen deze ,judaïserende fout". Mekka en Medina waren de heilige steden, en niet Jeruzalem.

De notie dat Jeruzalem een heilige stad was, zou een poging zijn geweest van joodse bekeerlingen om joodse ideeën en praktijken de islam binnen te laten sluipen. Pas later werd de idee geaccepteerd dat de stad inderdaad heilig was voor de islam. Dit schrijft de aan de universiteit van Princeton verbonden professor historicus Bernard Lewis in een van zijn recente boeken.

Er bestaan nogal wat misverstanden over de islam die voortkomen uit vooroordelen of gebrek aan kennis van zaken. Lewis heeft als een van 's werelds bekendste specialisten inzake het Midden-Oosten via zijn boeken die hij de laatste jaren publiceerde vanuit de wetenschap getracht te onderrichten over deze snel groeiende godsdienst. Zijn laatste boek heet: "De Politieke taal van de islam".

Dit politieke vocabulaire verschilt sterk van dat van westerse talen. Het voert terug naar de koran zelf, naar de oude islamitische geschriften en werd gevormd door de islamitische politieke ervaringen. De politieke percepties in het Midden-Oosten verschillen in sterke mate van die in het Westen. Een van de meest geprononceerde verschillen is dat er in de islamitische wereld —en in zekere mate ook in Israël— geen onderscheid bestaat tussen kerk en staat, tussen godsdienst en politiek.

Een van de interessantste gedeelten van het boek is de passage over "jihad". Vele westerlingen zijn vertrouwd met deze term die normaliter vertaald wordt met "heilige oorlog". Maar in zijn boek wijst Lewis erop dat er in het klassiek Arabisch helemaal geen term bestaat die overeenkomt met "heilige oorlog". Er bestaan woorden voor oorlog en voor heilig, maar niet voor "heilige oorlog". De letterlijke betekenis van jihad is "poging", "worsteling" of "strijd".

Er waren islamitische geleerden die jihad op een morele en geestelijke manier opvatten. Toch werd er in de koran en in de islamitische traditie meestal "oorlog voeren" mee bedoeld. „De overweldigende meerderheid van de klassieke theologen, juristen en traditionalisten echter heeft jihad in de militaire betekenis opgevat, en hebben het aldus onderzocht en uitgelegd", schrijft Lewis. Er bestaat maar één oorlog, de op de heilige wet gebaseerde oorlog; daarom is een term als "heilige oorlog" overbodig.

Jihad is een van de basisopdrachten van het geloof, een plicht die aan alle moslims door Allah wordt opgelegd, zegt Lewis. Allahs woord en boodschap zijn immers bestemd voor de hele mensheid, en de moslims moeten er onophoudelijk naar streven de ongelovigen te bekeren of -op zijn minst— te onderwerpen. „Deze plicht is zonder grens of tijd. Het moet doorgaan totdat de hele wereld het islamitische geloof heeft aangenomen of is onderworpen aan de macht van de islamitische staat".

Geen vrede

Zolang dat nog niet gebeurd is, is de wereld in tweeën verdeeld: het "Huis van de islam" (dar al-Islam) en het "Huis van de oorlog" (dar al-Harb). Lewis: „Tussen de twee bestaat een moreel noodzakelijke, wettelijke en religieus verplichte staat van oorlog, tot de uiteindelijke en onvermijdelijke triomf van de islam over ongeloof. Volgens de wetboeken kan deze staat van oorlog onderbroken worden —als een hulpmiddel— door een wapenstilstand van een beperkte periode. Deze staat kan niet beëindigd worden door een vrede, maar alleen door de uiteindelijke overwinning".
En tegen wie mag dan oorlog gevoerd worden? Tegen de bandiet. de opstandeling, de afvallige en de ongelovige. De oorlog tegen de eerste twee viel niet onder jihad, de laatste twee wel. Gevallen van afvalligheid van individuen of zelfs van een hele staat kwamen in de geschiedenis van de islam weinig voor. De oorlog tegen de ongelovigen was belangrijker. De niet-onderworpen ongelovige is per definitie een vijand.
Dit type ongelovige moet overigens wel onderscheiden worden van de "dhimmi". De dhimmi is de ongelovige die zich onderwerpt aan de moslimheerschappij, de bescherming van de islam accepteert en bereid is speciale belasting te betalen. De joden en christenen (en de in vergetelheid geraakte Zarathoestra's) konden als "volken van het boek", als dhimmi's, worden geaccepteerd.

Eigen keus

Lewis heeft aan de situatie van de dhimmi's, en in het bijzonder die van de joden, een apart boek gewijd, namelijk "De joden van de islam". In de islam bestonden drie groepen die „niet gelijk" waren, namelijk: slaven, vrouwen en ongelovigen.

Alleen de vrije, mannelijke moslim was eigenlijk een volwaardig lid van de maatschappij. Het was duidelijk dat slaven en vrouwen een nut hadden in de maatschappij en over het algemeen was men het erover eens dat ook de ongelovigen een —vooral economische— functie hadden. De ongelovige was inferieur door zijn eigen keus: hij kon immers de islam aannemen.
De dhimmi diende een speciale belasting te betalen (de "jizya") als teken van zijn ondergeschiktheid. Lewis citeert in zijn boek diverse islamitische commentatoren die beschreven hoe de belasting betaald moest worden. Umar al-Zamakhshari (1075-1144) vond dat de jizya „met minachting en vernedering" geïnd moest worden. Maar de grote rechter Abu Yusuf (achtste eeuw) schreef dat de dhimmi „niet geslagen" of „in de hete zon" geplaatst mocht worden. Hij was echter wel van mening dat de dhimmi's in de gevangenis dienden te worden geplaatst „totdat ze betalen wat ze schuldig zijn".
De behandeling van de christenen en de joden onder de islam verschilde van plaats tot plaats en van tijd tot tijd. Over het algemeen was de behandeling beter als een rijk was geconsolideerd. De joodse gemeenschap onder de islam kwam nergens zo tot bloei als in het Ottomaanse rijk. Het aantal joden in dit rijk nam enerzijds toe doordat het rijk er gebieden bij veroverde en anderzijds doordat joden erheen emigreerden. Zo werden aan het eind van de vijftiende eeuw de joden uit Spanje en Portugal verdreven. Toen de sultan van het rijk bekend werd met dit nieuws, nodigde hij de vluchtelingen uit in zijn rijk.

Geldwezen

Hoewel de joden in het algemeen alle beroepen konden uioefenen —behalve op militair en bestuurlijk gebied— was er een tendens naar het gebied van de medische wetenschap en het geldwezen, eenvoudigweg omdat moslims te maken hadden met allerlei geboden en verboden op dit gebied. Door de uitoefening van deze vakken kwamen de joden niet zelden in aanraking met de allerhoogste gelederen van de maatschappij.

In de zeventiende eeuw, met de komst en neergang van de valse messias Shabbatai Sevi, werd de houding van de Turken negatiever, en soms zelfs vijandig. „Er waren veel tekenen van een negatieve verandering, niet alleen voor de joden, maar voor de minderheden in het algemeen. Er bestond een groeiend fanatisme dat leidde tot een verharding van de omstandigheden voor niet-moslims, een nauwgezettere bekrachtiging van de restricties die, door de heilige wet aan dhimmi's! werden opgelegd, en een toenemende neiging tot regionale en sociale apartheid. Open vervolging en geweld vond echter weinig plaats. Wanneer er aanvallen tegen joden waren, werden deze bijna altijd in werking gezet door christenen. Ze ontstonden eerder door rivaliteit! tussen de gemeenschappen van dhimmi's dan door druk of vijandigheid van de Ottomaanse staat of de moslimmeerderheid".

Bloedbeschuldigingen

Ook in de negentiende eeuw, toen er wel gewelddadige onlusten tegen joden uitbraken, speelden volgens de professor de christenArabieren een rol. Het begon allemaal in Damascus in 1840. Een monnik verdween en het geruchjj verspreidde zich dat de joden hem hadden gedood voor rituele doeleinden — een type beschuldiging, dat in de middeleeuwen in Europa ook de ronde deed. De antisemitische aantijging werd gesteund door de Franse consul. Er braken gewelddadigheden tegen de joden uit.
De bloedbeschuldigingen namen in de negentiende eeuw „epidemische proporties" aan: Lewis noemt tientallen gevallen die zich voordeden in het Midden-Oosten.

Hij gaat ook in op de situaties van de joden onder de islam in deze eeuw. Het antisemitisme, dat veelal zijn wortels vond in Europa, vermenigvuldigde zich, vooral na de oprichting van de staat Israël. Antisemitische geschriften als "De Protocollen van de oudsten van Zion" worden tot op de dag van vandaag toe verspreid. Zelfs de schoolboeken raakten geïnfecteerd. 
In 1969 onderzocht een drie man tellende commissie, waarin ook een moslim zitting had, 127 boeken die werden gebruikt op de scholen in de Unwra-kampen voor Palestijnse vluchtelingen in Jordanië, Libanon, de Westoever en de Gazastrook. 48 boeken werden goedgekeurd, 65 zouden moeten worden herzien en 14 zouden totaal moeten worden verwijderd, omdat ze „betreurenswaardige taal van internationaal antisemitisme" bevatten.

De commissie vond dat de boeken buitensporige aandacht besteedde aan „de problematische relaties tussen de profeet Mohammed en de joden van Arabië", met het doel „de jonge mensen te overtuigen dat de joodse gemeenschap als geheel altijd de onverzoenlijke vijand van de moslim gemeenschap is geweest en zal blijven". Het rapport mocht niet worden gepubliceerd.
De historische achtergronden die Lewis in zijn boeken biedt geven de lezer de mogelijkheid meer te begrijpen van het waarom van de hevigheid van het huidige conflict.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

In staat van ooriog, totdat het ongeloof is overwonnen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken