Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eer aan koningen bewezen, spruit voort uit de vreze Gods

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eer aan koningen bewezen, spruit voort uit de vreze Gods

VREEST GOD, EERT DE KONING

7 minuten leestijd

Petrus besteedt in zijn brief nogal wat aandacht aan de houding van christenen tegenover de koning (de keizer), tegenover de overheid in het algemeen. Het gaat blijkbaar maar niet om een of andere splinterige bijkomstigheid. Dat kan ons opvallen bij het lezen van 1 Petrus 2, en dan met name vers 13-17. Petrus richt zich tot mensen wier vaderland elders ligt. Christgelovigen. Pelgrims. Vreemdelingen. Hij geeft dan allerlei vermaningen en aanwijzingen die voor deze christenen in de tijd van hun vreemdelingschap van belang zijn.

Het gaat, zo mogen we aannemen, deze pelgrims ook om de inzettingen Gods. „Ik ben, o HEER', een vreemd'ling hier beneên; laat Uw geboón op reis mij niet ontbreken".

Een niet te verwaarlozen deel van Gods inzettingen heeft betrekking op de houding tegenover de overheid, de koning. Hoe te staan tegenover de overheid, ook als je van die kant geduchte klappen oploopt? Waarschijnlijk schrijft Petrus zijn brief in de dagen van de wrede christenvervolger Nero! Daar komt nog iets bij: er wordt sterk op deze christenen gelet. Hier en daar worden zij beschuldigd van ongehoorzaamheid aan de overheid, aan de keizer. Werd Jezus daar ook niet van beschuldigd? En Paulus? Petrus beseft dat door opstand en ongehoorzaamheid reden tot opspraak zou worden gegeven. Het is de wil van God dat zij, weldoende, de mond stoppen aan de onwetendheid der dwaze mensen (vers 15). Er mag geen reden voor die beschuldiging worden gegeven.

Niet losgemaakt

Welnu, vanwege dit alles geeft Petrus in zijn oproep tot een godvruchtige levenswandel een ruime plaats aan de eer en onderdanigheid die verschuldigd zijn aan de overheid. Vreest God, eert de koning (vers 17b). We doen er goed aan om dat eerste —vreest God— er maar bij te laten staan. De oproep om de koning te eren kan daarvan niet losgemaakt worden.

Vreest God. Een vermaning van het allergrootste belang voor deze christenen op hun pelgrimstocht naar een beter vaderland. Buig u diep voor Hem! Voor Zijn wil! Wees bang voor het afwijken van Hem en van Zijn wegen! Heb hartelijk ontzag voor Hem! Kruisig uw eigen wil! We moeten over deze vermaning niet heenlezen, omdat zij zo bekend is. Het is oneindig veel beter wanneer zij ons brengt aan de voeten van Hem Die onwilligen en machtelozen onderwijst in de vreze Gods, Jezus Christus.

Moderne hoek

Nu voegt Petrus er in één adem aan toe: eert de koning. Wellicht hadden we niet een, twee, drie verwacht dat de verhouding tot de overheid direct te maken heeft met de vreze Gods, met de zuivere wandel van Christgelovigen. Toch is het waar. Het woord "eren" heeft hier iets in zich van de erkenning die de koning of de keizer ambtshalve toekomt. Erkenning die gevraagd wordt vanwege de door God gegeven ordeningen.

Waarom zou ik de koningin eren, bidden voor degenen die in hoogheid zijn gezeten? Dat zal ik vanwege de plaats die zij van God kregen. We kunnen dus niet zeggen: De koning moet geëerd worden indien en voor zover hij een godzalige koning is. Of: De overheid is eer waard voor zover haar sociaal-economische doelstellingen daar reden toe geven, zoals vanuit modernere hoek wordt beweerd. De vraag laat zich trouwens stellen of deze laatste gedachte alleen in die, modernere, hoek voorkomt.

Vijfde gebod

De oproep van Petrus vindt zijn fundament in het vijfde gebod, in de wil van God. De koning(in), de overheid, ze krijgen hun plaats van God. Vandaar ook dat Petrus in vers 13 zegt: Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil. Niets minder dan de goede wil van God is in het geding. We zagen hierboven al iets van het verband tussen het vrezen van God en het eren van de koning. Zouden we het zo mogen zeggen: Als ik ken de bitterheid van Zijn toorn, de heerlijkheid van Zijn genade, de volmaaktheid van Zijn wil, dan zal dat als het goed is gevolgen hebben voor onze houding tegenover vorsten en overheden? „De eer aan de koningen bewezen spruit voort uit de vreze Gods en de liefde tot de naaste" (Calvijn).

Het buigen voor de allerhoogste God bergt in zich het eren van de koning. We hebben hier precies het tegenovergestelde, het spiegelbeeld van de revolutieleus: Ni Dieu, ni Maitre (geen God en geen meester). Ook hier blijkt dus de grote vraag te zijn hoe we tegenover de eeuwige God staan. Petrus stelt nadrukkelijk de verhouding tot God, de vreze des Heeren, aan de orde. Dat is nog wat meer dan dat hij zou zeggen: Bij het niet eren van de koning wordt het een chaos. Ook dat is waar, dat hier het gevaar van chaos en anarchie (zonder-regeringzijn) schuilt. Luther zei verschillende keren dat een slechte regering nog altijd te verkiezen is boven het totale gemis van een regering. Echter, nog doorslaggevender is dat de wil van God in het geding is.

Oproep

Wellicht blijven we wat zitten met een klemmende vraag: Zijn er geen grenzen aan het eren van de koningen)? De vraag naar deze grenzen is in alle tijden actueel en... moeilijk. Calvijn zegt in een preek over 1 Samuël 24:9 (de geschiedenis van David die het leven van Saul spaart) het volgende: „Dat men overheden... hoewel ze hun plicht niet waarnemen, maar hun gezag en macht misbruiken, nochtans gehoorzamen moet". Sterk roept de hervormer van Genève op tot onderwerping en eerbetoon , maar wel kent hij het recht van opstand, wanneer tenminste de lagere overheden daarbij betrokken zijn.

Het blijft staan dat men Gode meer gehoorzaam moet zijn dan de mensen. Aan de oproep om de koning te eren, gaat die andere vooraf: Vreest God. Zouden deze twee in een bepaald geval met elkaar in strijd zijn, dan weegt de oproep om God te vrezen het zwaarst. Ook hierin is het veelzeggend dat Petrus die twee met elkaar verbindt. Hebben deze vermaningen vandaag nog wel waarde? Natuurlijk, die ene, over het vrezen van God, wel. Maar die andere? Al te gauw zijn we geneigd wat te glimlachen. We moeten wel weten wat we doen wanneer we hier het een van het ander losmaken. Het zal waar zijn dat er wel het een en ander valt te zeggen over Koninklijk Huis en overheid. Maar daarmee zijn wij nog niet onder dit bijbels vermaan vandaan gehaald! Blijkens dit woord van Petrus aan deze (oprechte) christenen zijn zelfs burgers van het Koninkrijk Gods niet van deze verplichting ontslagen. Juist zij niet!

In Nero's dagen schreef iemand van de christenen: „Zij worden mishandeld en toch eren zij; zij worden vervolgd en verslagen en toch bidden zij voor hun vijanden". Meer dan één lezer zal denken: Het is moeilijk om de koning, de koningin, de overheden te eren. Zou soms de vreze des Heeren het beginsel der wijsheid kunnen zijn?

Zijn beeld

Het is niet zo'n lange weg van Petrus' brief naar Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waaronder andere gezegd wordt dat ieder schuldig is de overheden eer en eerbied toe te dragen, hun gehoorzaam te zijn in alle dingen die niet strijden tegen Gods Woord, voor hen te bidden, opdat de Heere hen besturen wil in al hun wegen. Zou het voor ons, zoals in alle dingen, ook hierbij aankomen op de vreze Gods? En daarmee op de genade van de grote Koning, Jezus Christus, bij Wie de vreze Gods te verkrijgen is? Op het vernieuwd worden naar Zijn beeld?

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 17 april 1990

Reformatorisch Dagblad | 64 Pagina's

Eer aan koningen bewezen, spruit voort uit de vreze Gods

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 17 april 1990

Reformatorisch Dagblad | 64 Pagina's

PDF Bekijken