Bekijk het origineel

De boomvalk beheerst een flitsende jachttechniek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De boomvalk beheerst een flitsende jachttechniek

De pijlsnel aansuizende blauwe wiekel plukt sierlijke libellen, zwaluwen en leeuweriken zo uit de lucht

9 minuten leestijd

De boomvalk is een roofvogel, maar een echte rover is hij beslist niet. Deze valk voedt zich in de zomermaanden voornamelijk met insekten. Daardoor is hij zelfs nuttig. Hij heeft echter een haaksnavel en echte grijpklauwtjes. Dat zijn kenmerken van roofvogels. De boomvalk is klein, sierlijk en bijzonder snel. Hij vangt met het grootste gemak kleine vogels in de vlucht. Dat doet hij vooral in de tijd dat hij hongerige jongen heeft.

Men heeft in Duitsland de maaginhoud van boomvalken onderzocht. Meer dan de helft daarvan bestond uitsluitend uit grote insekten. Die blijken zijn voornaamste prooidieren te zijn. De boomvalk kan even snel en grillig vliegen als libellen en kevers. Hij jaagt ook met succes op alle soorten zwaluwen, die toch ook snel vliegen. De boomvalk is echter behendiger.
De boomvalk is een vogel van bos en hei. Hij houdt zich het liefst op langs bosranden, op heidevelden met vennen en op kaalslag. Hij wordt ook wel aangetroffen in grote parken en op oude kerkhoven. In laagveengebieden nestelt hij in elzenbosjes en in eendenkooien. In uitgestrekt cultuurland kiest hij kleine boomgroepen of bomensingels als broedplaats. Door zijn veelzijdigheid komt hij vrijwel in het hele land voor.

Blauwe wiekel
Men kan de boomvalk vrij gemakkelijk herkennen. Hij heeft witte wangen en een witte keel met zwarte knevelstrepen. Deze scherp omlijnde tekening van de kop is zo duidelijk, dat men die zelfs bij hoog vliegende valken met een goede kijker nog kan zien. Kruin en nek zijn zwart met witte vlekjes. De rug is egaal leikleurig. De borst is licht met donkere, langwerpige vlekken. Met wat geluk kan men de roestrode scheen- en aarsveren onderscheiden.

De tekening van de kop, met de duidelijke zwarte knevelstrepen, lijkt veel op die van de slechtvalk. Professor Voous schrijft dat de boomvalk wel eens wordt beschouwd als een kleine, tengere uitgave van de slechtvalk. Hij vindt dat niet juist, want de boomvalk leidt een totaal ander leven. De slechtvalk is een robuuste jager, die zonder moeite vrij grote prooi, zoals eenden en hoenders, slaat. Hij vangt veel vogels ook in de vlucht en is evenals de boomvalk zeer snel. De slechtvalk mist echter het speelse en sierlijke van de boomvalk.
In Friesland noemt men de boomvalk blauwe wiekel. Dat is een aardige en passende volksnaam, want hij heeft een leikleurige rug. De torenvalk wordt door de Friezen rode wiekel genoemd vanwege zijn roestkleurige rug.

Behendige jager
Wie de boomvalk op jacht wil zien, moet een plek kiezen bij vennen langs een bosrand. Daar jaagt hij graag. Razendsnel komt de valk aansuizen. Hij blijft in alle richtingen boven en langs het ven vliegen. Met sierlijke bochten en scherpe zwenkingen jaagt hij langs de dennenrand. Dan weer gaat hij in pijlsnelle vaart rechtdoor, om plotseling bijna steigerend omhoog te schieten en met een haakse bocht af te zwaaien.
Deze grillige, uiterst snelle en sierlijke manier van vliegen is uniek. Alle roofvogels zijn snelle jagers, maar de boomvalk combineert die eigenschap met sierlijkheid. De jagende vogel verdwijnt achter een heibuit en komt even later veel verder weer in beeld. Omhoog, omlaag, naar links, naar rechts, het gaat allemaal even snel en plotseling. De bewegingen zijn haast niet te volgen. Het is geen spel, maar jacht. De sierlijke libellen die bij het ven leven, vliegen grillig en snel. De boomvalk is sneller. Hij plukt ze uit de lucht. Zweefvliegen, mestkevers en motten zijn evenmin veilig voor hem.

Vliegend eten
Vooral de grote libellen, die met hun enorme facetogen scherp kunnen zien en bekend staan om hun razendsnelle wendbaarheid, zijn moeilijk te vangen prooien. De boomvalk heeft er geen moeite mee. Hij bewijst zijn bijzondere behendigheid ook door het vangen van gierzwaluwen. Voous noemt zelfs vleermuizen als prooi van de boomvalk.

Hun grillige en onberekenbare vlucht beschermt deze fladderaars niet tegen de flitsende jachttechniek van de boomvalk. De meeste kleine prooidieren worden door de valk tijdens de jacht gegeten. Wie er de tijd voor neemt, kan dat zien. De boomvalk grijpt het insekt met zijn poot. Terwijl hij verder vliegt, buigt hij zijn kop en poot naar elkaar toe. Ik heb meermalen een boomvalk vliegend zijn prooi zien oppeuzelen. Zo'n grote libel levert een flinke snavel vol vlees op. Het schijnt dat de boomvalk ook wel eens een vaste plek kiest om zijn prooi te verorberen. Op een stronk of heibult liggen dan de vleugels van allerlei insekten. Ik heb zo'n plek nooit gevonden.

Zomervogel
De boomvalken komen pas in het laatst van april in ons land. Ze zijn trouw aan een eenmaal gekozen broedplaats en keren daar elk jaar terug. Ze blijven in een betrekkelijk klein gebied tot de jongen volwassen zijn. Van eind augustus af vertrekken ze naar Afrika. Deze valken zijn dus echte zomervogels. Ze broeden pas in juni, waardoor de jongen in de maand juli de verzorging vragen. In die tijd zijn er volop grote insekten. Aan nestbouw doet de boomvalk niet veel. Hij zoekt een oud of verlaten takkennest van andere roofvogels of van kraaien.
Tijdens het baltsen, aan het begin van het broedseizoen, houden de boomvalken hun spectaculaire showvluchten. Daarbij lijkt het alsof de ene vogel op de andere stoot. Ook geeft het mannetje dan wel in volle vlucht een prooi over aan het vrouwtje. Dat gaat allemaal speels en moeiteloos. Het is een bijzonder mooi schouwspel.

Broedzorg
Het nest ligt meestal aan de rand van het bos of in een groepje alleenstaande bomen. Op deze regel zijn uitzonderingen. Een enkele keer wijkt een paartje van deze gewoonte af. Een stel boomvalken heeft eens midden in Amsterdam langs een gracht een broedsel grootgebracht. Dat was een uniek geval.
Op de drie roodbruin gestippelde eieren wordt vier weken gebroed. De jongen worden gevoed met kleine vogels. Het is duidelijk dat drie opgroeiende hongerige jongen niet met betrekkelijk kleine insekten kunnen worden gevoed. In deze periode vangen de boomvalken dus wel veel kleine vogels. Ze overrompelen hun prooi uitsluitend in de vlucht. Er is geen vogel snel genoeg om aan de boomvalk te ontsnappen. Hij heeft echter een duidelijke voorkeur voor zwaluwen en leeuweriken.
In de tijd dat het vrouwtje zit te broeden, brengt de man voedsel voor haar aan. Hij waarschuwt luidruchtig en zij komt hem in de lucht tegemoet om de prooi van hem over te nemen. Volgens Voous werpt zij zich daarbij soms in de vlucht op haar rug. Voor wie de uiterst behendige manier van vliegen van de boomvalk heeft gezien, is dit niet onwaarschijnlijk.

Jachttechniek
In het tijdens de Tweede Wereldoorlog uit het Duits vertaalde boek "Gevleugelde Roofridders" schrijft Fritz Siedel over de jachttechniek van de boomvalk het volgende: „In den namiddag zie ik het valkenmannetje boven het Bosch in zoo lichte en sierlijke wendingen heen en weer schieten, als alleen voor een boomvalk mogelijk is. Daar boven de toppen knetteren flikkerende libellen in de volle zon. Die zit de valk achterna. Deze jacht is niet eenvoudig, want de libellen vliegen snel en zwieren met plotselinge, onberekenbare wendingen door de lucht. Maar in den boomvalk hebben zij hun meester gevonden!
Met ingetrokken vleugels valt hij met akelige snelheid loodrecht omlaag en werpt zich plotseling pijlrecht omhoog. Daar heeft hij een libel gevangen! Hij slaat haar precies zoo met zijn teenen als elken anderen buit. Nu vliegt hij rechtuit verder, de kop buigt zich naar den buit omlaag, en de scherpe snavel trekt er de stevige pooten en de glinsterende vleugels af. Achteloos worden deze weggeworpen en zij vallen langzaam in glinsterende werveling ter aarde. Het sappige lichaam wordt opgegeten. En weer suist de snelle roofridder achter het heen en weder schietende luchtwild aan. Een heerlijk gezicht!"

Vrij zeldzaam
De jonge vogels oefenen in de zomer wekenlang om de jachttechniek van hun ouders te leren. In augustus kan men de jonge boomvalken daarmee gezamenlijk bezig zien. Men moet zich wel wat moeite getroosten om de boomvalk te observeren. Volgens de "Atlas van de Nederlandse Vogels" broeden er in ons land tussen de 400 en 900 paren. Boomvalken komen in het hele land voor, maar de meeste leven op de zandgronden. In de bossen van Oost-, Midden- en Zuid-Nederland leeft ongeveer 80 procent van alle boomvalken.
In de twintigste eeuw is de boomvalk in geheel Europa in aantal achteruit gegaan. De achteruitgang van andere soorten roofvogels in de jaren zestig, hield verband met het gebruik van pesticiden. Dat is voor de boomvalk niet vastgesteld. Men heeft voor de algemene achteruitgang tot nu toe geen verklaring kunnen geven. Natuurlijke populatieschommelingen treden soms over langere termijn op. Mogelijk geldt dit voor de boomvalk.

Het observeren van jagende of baltsende boomvalken is een bijzonder aangenaam tijdverdrijf. In de septembermaand is de hei op haar mooist of, als de bloei door gunstig weer snel verloopt, nog zeer aantrekkelijk. De stilte wordt dan slechts gevuld met het gezang van de wind in de naaldenkronen van de dennen langs het heipad. Het lijkt alsof de wind van de ene kruin naar de andere wandelt, aanzwelt, om dan weer zacht fluisterend weg te ritselen. Steeds opnieuw.
De sierlijke bochtige smele en het geel verbleekte pijpestrootjesgras buigen gracieus voor de wind. Wanneer dan een boomvalk boven de hei gaat jagen, blijft dat beeld boeien. Hij is een echte vliegkunstenaar. Buizerds beheersen de zweeftechniek, haviken en sperwers de overrompelend snelle aanvalsvlucht, torenvalken de kunst om in de lucht stil te staan. Alle roofvogels zijn behendige vliegers. De boomvalk is duidelijk de behendigste van de soorten die in ons land voorkomen.
Men kan de boomvalk in september nog zien jagen. De trektijd begint echter reeds na half augustus. Van die tijd af zwerft deze valk ook buiten zijn broedgebied. Zelfs in de stad kan men de blauwe wiekei dan waarnemen. In oktober is de kans daarop niet meer zo groot. Dan zijn de meeste boomvalken reeds in tropisch Afrika. Daar jagen ze in het savannebos van Zambia of Zimbabwe op tropische insekten en vogeltjes. Op de lange tocht daarheen en op de terugtocht in april sneuvelen er veel. De moordlustige vogeljagers in Zuid-Europa schieten tijdens de vogeltrek op alles wat vliegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1990

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

De boomvalk beheerst een flitsende jachttechniek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1990

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken