Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Engelen rond geboorte lieten spoor na van gewillig gemaakte gelovigen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Engelen rond geboorte lieten spoor na van gewillig gemaakte gelovigen

In eeuw van kennis en techniek is geen ruimte voor bovennatuurlijke schepselen

12 minuten leestijd

De Engelse bisschop Robinson —bekend van "Eerlijk voor God"— moet geschreven hebben engelen alleen als werkelijke wezens te kunnen aanvaarden wanneer men ze op een radarscherm zou kunnen projecteren. Dat is nog slechts luttele jaren geleden. Wij vieren Kerstfeest in een wereld die al meer bepaald en begrensd wordt door wetenschap en techniek. Waarin alleen wat met het waarnemersoog beschreven kan worden, werkelijk waardevol lijkt. Is er in die samenleving ruimte of aandacht voor bovennatuurlijke schepselen als engelen? Nauwelijks. Zomin als er plaats is voor de boodschap dat God in Zijn Zoon het verlorene zoekt.

Soms is het alsof er nooit gezegd is: Ere zij God in de hoogste hemelen, en op aarde vrede: in mensen een welbehagen. Alsof er nooit een ogenblik geweest is waarop —om de Engelenzang te typeren met woorden van Kohlbrugge— de hemel niet meer in de hemel kon blijven, maar op aarde nederkwam. De boodschap van de engelen rond de geboorte van Christus is echter door de feiten bevestigd. Er is alle reden om engelen en hun dienst niet in ongeloof af te schrijven. De kerk blijft inmiddels van het verwijt van gebrek aan aandacht voor engelen niet verschoond. „Men krijgt soms de indruk dat in de meeste kerkdiensten nog wel van de engelen wordt gezongen, maar, behalve op het Kerstfeest en op Pasen, nauwelijks meer over de engelen wordt gepreekt", schrijft dr. H. Kakes. Ons decennium „in de laatste dagen" verschilt daarin niet heel veel van de volheid des tijds. Toen was er ook „geen plaats". Er is dan ook alle reden om stil te staan bij de engelendienst rond de geboorte van Christus.

Voor onze zaligheid

Engelen zijn als hemelingen bij uitstek vreemdeling op aarde. Ze zijn „uitdelers en aanschouwers van Gods weldadigheid jegens ons". God zegt in de Bijbel, aldus Calvijn, „dat zij voor onze zaligheid op wacht staan, dat zij ons aannemen te beschermen, dat zij onze wegen stieren en leiden, en zorg dragen, dat ons niets kwaads wedervare".

Er is, voor wie er oog voor ontvangt, opvallend veel sprake van engelen in de Bijbel. Sprekend over de engelendienst rond de geboorte van Christus denken wij aan de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper aan Zacharias in de tempel. Vervolgens ook aan de aankondiging van de geboorte van Christus aan het adres van Maria. Tevens aan de verschijning in de droom aan Jozef. Ten slotte aan de Engelenzang in Bethlehems velden.

Van Simeon staat geschreven dat hij een goddelijke openbaring ontving. Van de Wijzen uit het Oosten dat zij door een goddelijke openbaring vermaand werden in de droom. Dat ook hier sprake is geweest van engelen, zoals wel gesuggereerd wordt, is aan de hand van de Bijbel niet te bewijzen. Wel verschijnt de engel des Heeren nóg twee keer aan Jozef in de droom: eerst om hem op te wekken naar Egypte te vluchten. Vervolgens om hem ervan op de hoogte te stellen dat hij terug moet keren. Deze openbaringen en verschijningen horen echter niet bij de aankondiging van Christus' geboorte.

Geen incident

Abraham zegt Eliëzer de leiding toe van Gods Engel als leidsman bij het zoeken naar een vrouw voor Izak. Jakob bad Manasse en Efraïm de zegen toe van de Engel des Heeren, Die hem verlost had van alle kwaad. De Engel Gods beschermde het volk Israël bij zijn tocht naar Kanaän door de woestijn. Door de dienst van Zijn Engel verwekte God richters en verlossers. Engelen hebben Christus gediend en bijgestaan in al Zijn benauwdheden. Zij hebben Zijn opstanding aan de vrouwen en Zijn wederkomst aan de discipelen geboodschapt.

De schrijver van de Hebreënbrief noemt engelen dus niet ten onrechte „gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen". Vanuit dit gezichtspunt is hun verschijnen rond de geboorte van de Zaligmaker ook geen 'toevallig' incident. Het is een gewoon —zij het bijzonder heerlijk— bestanddeel van hun 'werk'.

Geest

Engelen zijn goede geesten. Er zijn ook demonen, gevallen engelen, boze geesten. Een oud joods verhaal zegt dat de boze geesten werden geschapen in de avondschemering van de zesde dag. Na hun ziel zou God ook nog een lichaam voor hen scheppen, toen juist de sabbat aanbrak. Vanwege die zojuist aangebroken rust moesten zij zonder lichaam blijven. Het is een aardig verzinsel. Niet een waar verhaal. Wel is hiermee de vraag op tafel gelegd naar het wezen van de engelen. Wat is een geest?

Een geest is, zegt Hoekstra, —en dat geldt dus ook voor engelen— „een onstoffelijke, onzichtbare, eenvoudige, onontbindbare substantie". Maar dan weten wij eigenlijk nog niets. Wij kunnen, door onze zondige natuur beperkt van begrip, maar gebrekkig antwoorden op de vraag naar de aard van een engel. Goede engelen zijn onsterfelijke, altijd voortbestaande wezens. Zij wonen in de hemel. Als zij op aarde verschijnen, dan is er iets aan de hand. Maar zij namen niet, zoals Christus, ons vlees en bloed aan. „Een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb", zei Jezus tegen Zijn discipelen na de opstanding. Wel spreekt de Bijbel op een mensvormige manier over engelen. Zó zien wij ze in gedachten verschijnen rond de geboorte van Christus.

Gabriël

Wie zich verdiept in die engelendienst rond Christus' geboorte, constateert —al of niet tot zijn verrassing dat er minstens vier keer sprake is van het optreden van zo'n boodschapper van God. De Bijbel geeft niet meer dan twee eigennamen van engelen: Michaël en Gabriël. Michaël is strijdbaar. Zijn Naam betekent: Wie is gelijk God. Daniël noemt hem een „vorst". Hij twistte met de satan (Judas vers 9). Hij is het hoofd der engelen, die de satan en zijn engelen uit de hemel wierp (Openbaring 12:79).

Michaël is de 'man' van de daad, Gabriël die van het woord. Gabriël —man Gods, of held Gods— is Gods boodschapper, verkondiger van goddelijke raadsbesluiten. En dan alleen van die raadsbesluiten die betrekking hebben op de Messias of op de anti-messias Antiochus Epifanus.

Gabriël begint niet pas in de tijd van het Nieuwe Testament de komst van de Messias aan te kondigen. Reeds in het Oude Testament verklaart hij de visioenen van Daniël. Hij kondigt al in Daniël 9 de komst aan van de Messias, de geboorte van Christus.

Zacharias

Hij zet dat werk voort door aan de priester Zacharias te vertellen dat zijn toekomstige zoon, Johannes, in de geest en de kracht van Elias zal heengaan om de Heere een toegerust volk te bereiden. En waar de stem van de roepende in de woestijn —Bereidt de weg des HEEREN— wordt aangekondigd, moet het oudtestamentisch priesterschap verstommen. Zacharias zwijgt en kan niet spreken vanwege zijn ongeloof. In reactie op dat ongeloof antwoordt de engel: „Ik ben Gabriël, die voor God sta". Deze reactie is niet op te vatten als een „Weet je eigenlijk wel wie ik ben?" in de zin van hoogmoed of eigendunk. Maar Gabriël is zich bewust van de waarde en van de goddelijke autoriteit van zijn boodschap.

De tempel is —naar menselijke maatstaf— te beschouwen als een goede plaats voor een heilige engel om te verschijnen. Gabriël staat aan de rechterkant van het reukofferaltaar, daar, waar zich de gouden kandelaar bevond. Dat was ook al weer niet toevallig. De steeds brandende, steeds lichtgevende gouden kandelaar in tempel en tabernakel was symbool van het licht van de Heilige Geest, teken van de openbaring van Gods genade en waarheid. De standplaats van Gabriël was —zo zeggen wij achteraf— voor Zacharias te meer een teken om zijn woorden onmiddellijk te geloven.

Maria

De woning van Maria, in het ver gelegen Galilese Nazareth, schijnt niet zo'n geschikte verschijningsplaats voor een engel. Minstens een halfjaar na de verschijning aan Zacharias kondigt diezelfde Gabriël bij de maagd Maria aan: „Gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS".

„Gij gevoelt de tegenstelling van deze verwijderde onaanzienlijke plaats met het heilige des tempels, waarin de engel aan Zacharias verscheen", schrijft Da Costa. „In plaats van op te klimmen in uitwendige heerlijkheid, zien wij deze ganselijk verdwijnen. Wij worden toebereid tot de komst van Hem, Die geen uitwendige heerlijkheid had, en niet nodig had, omdat Hij innerlijk de heerlijkheid zelve was, en deze openbaren zou...".

Een vrouw had in het oude Israël een min of meer ondergeschikte plaats. De engel verscheen wel aan Zacharias, maar niet aan Elizabet. Voor onderricht kwam een vrouw nauwelijks in aanmerking. Volgens sommigen was zelfs het groeten van een vrouw verboden. Het alleen zijn met een vrouw kon de boze drift maar prikkelen. Gabriël doorbrak als hemelse troongeest met zijn verschijning aan Maria dergelijke traditie. Daarin ligt al iets verklaard van het werk dat straks de Christus zal doen.

Jozef

Als Jozef, de man met wie Maria is ondertrouwd, bemerkt dat zijn verloofde zwanger is, verhindert de hem in de droom verschijnende „engel des Heeren" hem ervandoor te gaan. Is ook hier sprake van de engel Gabriël? Sommigen zijn die mening toegedaan. Ook de engel die de herders in Bethlehems veld grote blijdschap verkondigt voor het gehele volk zou, zo vermoedt men dan, niemand anders geweest zijn dan Gabriël. Ik heb nergens ook maar enige grond kunnen vinden voor de waarheid van deze bewering. Maar onwaarschijnlijk is zij niet.

Het valt op dat Jozef met de engel geconfronteerd wordt in de droom. Evenals de jonge Jozef, de zoon van aartsvader Jakob, in het Oude Testament. Men zou de vraag kunnen stellen waarom Gabriël niet 'in levenden lijve' aan Jozef verscheen, zoals ook aan Zacharias en aan Maria. Waarom verschijnt de engel hem in de droom?

Daarvan kan in de eerste plaats gezegd worden dat ook heidenen wel droomopenbaringen en visioenen van God ontvingen. Je hoefde er niet per se voor bij het volk van Israël te behoren. Dromen en visioenen waren —hoewel een goddelijk wonder— toch minder bijzonder dan wij misschien denken. Nu blijkt uit alles dat Jozef een trouwhartig man was. Hij heeft alle opdrachten nauwgezet uitgevoerd. Kennelijk had hij niet iets meer bijzonders nodig dan een droom.

Zo spreekt de Heere ook nu nog in het leven van Zijn volk, zij het dan door Zijn Woord, maar dan toch zeer gepast. Hij kent de zwakheid van Zijn volk en weet precies te bepalen het tijdstip en de wijze waarop Hij hun het geloof verlevendigen of hun Zijn raad geven moet. i'

Herders

Ten slotte kondigt de engel des Heeren de geboorte van de Messias aan bij de herders in het veld: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal. En daarna prijst een menigte des hemelsen heirlegers God en zegt: Ere zij God in de hoogste hemelen.

Hier ontbreekt niet alleen de heerlijkheid van de tempel. De entourage is niet die van de verschijning aan Zacharias en nog minder dan bij Maria: de engel daalt af tot het meest verachte slag volk dat in die tijd te vinden was. Deze herders waren mensen aan wie grote heren geen mededeling laten doen wanneer hun een zoon is geboren. Maar voor God zijn ze niet te min.

Herders waren vanwege hun onbetrouwbaarheid als getuigen in een proces -in het algemeen gesproken— meestal onaanvaardbaar. Calvijn zegt dat het God behaagd heeft onze leermeesters te nemen uit „de mest der kudden". Het Evangelie vóór zondaren wordt gebracht dóór zondaren.

Dienstbaarheid

De zelf zo gewillige, dienstbare engelen hebben een spoor achter zich gelaten van gewillig gemaakte, dienstbare gelovigen, die zelf ook vreemdeling op aarde werden. De aanvankelijk Gabriël niet gelovende priester Zacharias is gemaakt tot een getuige van de „innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods". De over het "hoe" van Jezus' geboorte in raadselen verkerende Maria zong van Gods barmhartigheid „van geslacht tot geslacht over degenen die Hem vrezen". De zeer vreesachtige herders kwamen met haast om te zien het woord dat geschied was en „maakten alom bekend het woord, dat hun van dit kindeke gezegd was".

Zij hebben anderen tot Christus geleid. Hoe konden zij dat doen ? Ze hadden zelf ingeblikt in de heilgeheimen van God. Zo zullen ook nu zij in wier hart Christus gestalte aannam, anderen het heil van Christus' komst willen aanzeggen. Wie Christus in het hart heeft, spreekt niet over de projectie van engelen op een radarscherm en laat zich ook in de twintigste eeuw in het geloof in de bovennatuurlijke dingen van Gods dienst niet beperken door wetenschap en techniek. Hoe komt het dat wij in dat opzicht zo weinig op engelen lijken? Is het niet, omdat wij zo weinig van Christus kennen?

Waarom nu niet meer?

Waarom hebben wij in de twintigste eeuw zo geen weet van de verschijning van engelen? God heeft —nog steeds en in het bijzonder daar waar het christendom al eeuwenlang gevestigd is— Zijn kerk op aarde. Deze behoort althans vol te zijn van getuigen van het Woord dat geschied is. Toen Christus in het vlees kwam, werd Zijn advent door engelen aangekondigd. Er zijn er geweest die voorzegd hebben dat ook de laatste advent, Zijn wederkomst, voorafgegaan zal worden van engelen verschijningen. Hoe het ook zij, de engelen zullen Christus dan opnieuw dienen, als Hij „een iegelijk zal vergelden naar zijn doen". Het zal een grote dag zijn, als de engelen opnieuw aan de gelovigen dienstbaar zullen zijn, wanneer deze vrij verklaard zullen worden van elk oordeel.

Waarom hebben wij in de twintigste eeuw zo geen weet van de verschijning van engelen? Er is genoeg gebeurd in het veld van Bethlehem. Kohlbrugge vroeg —naar aanleiding van de Engelenzang— aldus: „Nu vraag ik u, wie de zaligheid uwer ziel ter harte gaat, wilt gij nog langer twijfelen aan Gods harte, dat Hij jegens u heeft? Wilt gij nog langer zwanger gaan met werken en de gedachten des duivels in u koesteren, dat gij u eerst moet vroom maken en de zonde moet doen ophouden, voordat gij op Gods genade moogt hopen ? Wilt gij u niet neerwerpen voor uw God en Zaligmaker, zoals gij zijt? Wilt gij niet der gerechtigheid en genade des Heeren in de armen vallen met al uw zonde en schande, met al uw gruwelen, waarover gij zulke hete tranen stort? Wilt gij u niet overgeven, zo arm, zo ellendig als gij zijt, en zeggen: Hier ben ik, o mijn God en Heiland, ontferm U mijner?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1990

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Engelen rond geboorte lieten spoor na van gewillig gemaakte gelovigen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1990

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken